Page 137 of 244

HET RIJDEN MET UW HYUNDAI 2- 13
OMHOOG (+) : Druk de handel
eenmaal naar voren om één versnelling opte schakelen.
OMLAAG (-) : Trek de handel
eenmaal naar achteren om één versnelling terug teschakelen.
OVERSLAAN : Beweeg de handel
snel achterelkaartweemaal voor- of achteruit; hierdoor wordt één versnellingovergeslagen en. d.w.z. 1e naar 3e of 3e naar 1e. LET OP:
o Het opschakelen geschiedt in de sportstand niet automatisch. Debestuurder moet opschakelen inovereenstemming met de heersende omstandigheden en moet voorkomen dat hetmotortoerental in het rode gebied komt.
o Door de keuzehandel snel achterelkaar tweemaal naarachteren (-) te bewegen, kan één versnelling worden overgeslagen,d.w.z. 3e naar 1e, 4e naar 2e. Omdat door abrupt afremmen op de motor de grip verloren kangaan, moet voorzichtig en in overeenstemming met de snelheid wordenteruggeschakeld.
! N.B.:
o In de sportstand kunnen alleen de vier vooruitversnellingen worden geselecteerd. Omachteruit te rijden of te parkeren moet de keuzehandel in de stand "R" respectievelijk "P" wordengeplaatst.
o In de sportstand wordt bij afnemende snelheid automatisch teruggeschakeld. Zodra de auto stilstaat wordt de 1e versnellingautomatisch ingeschakeld.
o Om het vereiste prestatieniveau
van de auto en de veiligheid tewaarborgen, zorgt het systeem ervoor dat bij het bedienen van de keuzehandel bepaaldeschakelingen niet worden uitgevoerd.
o Om op een glad wegdek weg te rijden moet het keuzehandel in de richting + (OMHOOG) wordengedrukt. Hierdoor schakelt de transmissie over naar de 2e versnelling waardoor op een gladwegdek soepeler kan worden weggereden. Om terug te schakelen naar de 1e versnellingmoet de handel in de richting -(OMLAAG) worden gedrukt.
Page 138 of 244

2- 14 HET RIJDEN MET UW HYUNDAI
C090N03O-AXT Een goede rijstijl
o Plaats bij ingedrukt gaspedaal de keuzehandel vanuit een rijstandnooit in stand "P" of "N".
o Plaats de keuzehandel nooit in stand "P" wanneer de wagen rijdt.
o Zorg er voor dat de wagen stil staat voordat stand "R" wordtingeschakeld.
o Zet de keuzehandel nooit in stand "N" tijdens het bergafwaarts rijden. Dit is uiterst gevaarlijk. Laat dekeuzehandel altijd in een rijstand staan.
o Laat uw voet niet op het rempedaal rusten. Hierdoor kunnen de remmente warm worden waardoor zij niet meer optimaal functioneren. Neembij het bergafwaarts rijden tijdig gas terug en schakel een lagere versnelling in. Hierdoor remt dewagen op de motor af waardoor de rijsnelheid wordt verminderd.
o Neem gas terug voordat u een lagere versnelling inschakelt. Anders is het mogelijk dat de lagereversnelling niet in aangrijping komt.
C090I02L-GXT
!
LET OP:
o Schakel alleen naar de stand "R" en "P" als de auto volledig stilstaat.
o Met ingedrukt rempedaal de motor niet met een hoog toerentallaten draaien als de achteruit- ofeen vooruitversnelling is ingeschakeld.
C090H01L-GXTN.B.:
o Voor een soepele en veilige
werking, moet bij het inschakelen van een voor- of achteruitversnelling vanuit de stand "Neutral" of "Park", hetrempedaal worden ingedrukt.
o Het contact moet zijn aangezet
en het rempedaal ingedrukt omde keuzehandel vanuit de stand "P" (Park) naar een van de andere standen te kunnen schakelen.
o Het is altijd mogelijk om vanuit
de stand "R", "N" of "D", naar destand "P" te schakelen. Om schade aan de transmissie te vo orkomen moet de auto hierbijstilstaan. o Houd het rempedaal altijd
ingedrukt als van stand "P" of "N" naar "R" of "D" wordt geschakeld.
o Gebruik stand "P" (Park) niet in
plaats van de parkeerrem. Bediende parkeerrem, zet de transmissie in de stand "P" (P ark) en zet het contact af voordat de auto, ook
voor korte tijd, wordt verlaten. Laat de auto met draaiende mo- tor niet onbeheerd achter.
o Bij het vanuit stilstand accelereren op een steile hellingkan de auto de neiging hebbenom achteruit te rollen. Door de selectiehendel in stand 2 (tweede versnelling) te zetten terwijl desportstand is ingeschakeld, voorkomt u dat de auto achteruit gaat rollen.
o Controleer regelmatig het vloeistofpeil in de automatischetransmissie en vul zonodig vloeistof bij.
Page 139 of 244

HET RIJDEN MET UW HYUNDAI 2- 15
!
o Plaats de keuzehandel niet alleen
in stand "P" om de auto in stilstand te houden, maar trek altijd dehandrem aan.
o Wees uiterst voorzichtig bij het
rijden op een glad wegdek. Wees vooral voorzichtig bij het remmen, het gas geven en het schakelen.Op een glad wegdek en bij een abrupte wijziging van het motortoerental kunnen deaangedreven wielen hun grip verliezen waardoor de wagen in een slip raakt.
WAARSCHUWING:
o Voorkom hoge bochtsnelheden.
o Maak geen snelle stuurwielbewegingen, zoalsplotseling van rijbaan veranderen of snelle scherpe bochten.
o Draag altijd veiligheidsgordels. Bij een ongeval heeft een inzittende die geen veiligheidsgordel gebruiktduidelijk meer kans op ernstig letsel dan iemand die wel een veiligheidsgordel gebruikt.o Als bij hogere snelheden de
macht over het stuur verloren gaat, neemt de kans op omkantelen sterk toe.
o De macht over het stuur gaat vaak verloren als twee of meerwielen naast de weg komen en de bestuurder het stuur te ver verdraait om weer op de wegterug te komen.
o Als de auto naast de weg raakt, moet niet scherp wordenteruggestuurd, maar moet de snelheid worden verminderd voordat wordt geprobeerd om de auto weer op de weg terug te krijgen.
o Nooit de geldende snelheidslimiet overschrijden.
o Veel gas geven als de auto is vastgereden, bijv. in modder ofsneeuw, etc, kan ernstige schadeaan de eindaandrijving veroorzaken. Laat de auto zo nodig vrij trekken. C120A02A-AXT ANTIBLOKKEERSYSTEEM Het antiblokkersysteem (abs) is ontworpen om, tijdens plotseling remmen of bij gevaarlijke wegomstandigheden, het blokkerenvan een wiel te voorkomen.Een regeleenheid registreert desnelheid van het wiel en controleert de druk naar iedere rem. Op deze wijze zal, in een noodsituatie of bijeen glad wegdek het anti- blokkeersysteem de controle over het voertuig tijdens het remmenverbeteren. N.B.: Indien het antiblokkeersysteem in werking treedt, kan in het rempedaal een lichte reactie gevoeldworden, tijdens het remmen.Ook is een klikkend geluid in hetmotorcompartiment onder hetrijden waarneembaar.Dit zijn normale verschijnselen tenteken dat uw antiblokkeersysteem goed functioneert.
Page 140 of 244

2- 16 HET RIJDEN MET UW HYUNDAI
C300A01O-GXT REM-/ AANDRIJFREGELSYSTEEM(BTCS) (Indien gemonteerd) Op een glad wegdek voorkomt het
aandrijfregelsysteem (TCS = traction control system) dat de aangedreven wielen doorslippen waardoor de gripvan de wielen wordt verbeterd. Het systeem zorgt ook voor een verbeterde aandrijfkracht enstuureigenschappen bij het accelereren in bochten.
ANTI SLIP Control Voorkomt het doorslippen van de
aangedreven wielen bij het wegrijden en het rijden door bochten op gladwegdek, zodat wordt voorkomen dat de aandrijfkracht van de voorwielen niet wordt overgebracht.
Tips voor het rijden Het TCS-systeem bedient de remmen
niet. Zorg er altijd voor dat met gematigde snelheid in bochten wordtgereden.Op deze wegen moet met verminderde snelheid worden gereden. De veiligheidsvoorzienin- gen van een auto met ABS mogenniet worden uitgeprobeerd bij hoge snelheid of in bochten. Hierdoor kan de veiligheid van uzelf of vananderen in gevaar komen.!WAARSCHUWING:
Het ABS voorkomt geen ongelukken als gevolg van onjuist en gevaarlijkrijgedrag. Zelfs al is de beheersing van de auto tijdens noodremmingen verbeterd, toch moet altijd eenveilige afstand worden aangehouden. Onder extreme wegomstandigheden moet de snelheid altijd worden verminderd. Onder de volgende
omstandigheden kan de remweg voor auto's met ABS zelfs langer zijn dan voor auto's zonder ABS.
o Op wegen met een ruwe wegdek of als ze zijn bedekt met grind of sneeuw.
o Bij het rijden met sneeuwkettingen.
o Op wegen waar kuilen in het
wegdek aanwezig zijn of waar dehoogte van het wegdek ongelijk is.
Page 141 of 244

HET RIJDEN MET UW HYUNDAI 2- 17
!
LET OP:
Als de TCS-controlelamp knippert is de ANTI SLIP-functie geactiveerd. Dit betekent dat op glad wegdekwordt gereden of dat extreem wordt geaccelereerd. Neem in dit geval gas terug en rijd met gematigdesnelheid.
WAARSCHUWING:
De aandrijfregeling is slechts een hulpmiddel; alle voorzorgsmaatre- gelen moeten in acht wordengenomen bij het rijden onder ex- treme weersomstandigheden en glad wegdek.! C300B02O-GXT TCS ON Mode Als het TCS in werking treedt, knippert
de TCS-controlelamp in het instrumentenpaneel.
1) Het TCS wordt automatisch
ingeschakeld bij de volgende motorstart.
2) Als de aandrijfregeling correct werkt, is een lichte pulsering in de auto voelbaar. Dit wordt veroorzaakt door de remregelingen is normaal.
3) Als de motor gestart is, is een
klikkend geluid hoorbaar in demotorruimte; dit wordt veroorzaakt door de controle van het aandrijfregelsysteem.
4) Bij het wegrijden uit modder of
verse sneeuw kan de TCS-werking voorkomen dat het motortoerental stijgt ondanks dat het gaspedaal wordt ingedrukt. C300D02O-GXT Controle en waarschuwing De controlelamp moet gaan branden met de contactsleutel in de stand "ON" of "START" en moet doven na drie seconden.Als de controlelamp niet gaat brandenof na 3 seconden niet uitgaat, moethet systeem bij een Hyundai dealer gecontroleerd worden. Als er een storing in het systeem wordt geregistreerd, gaat de TCS-waarschuwingslamp branden.Als de TCS-waarschuwingslamp gaatbranden, moet de auto op een veiligeplek worden geparkeerd en de motor worden afgezet. Start de motor vervolgens opnieuw en controleer of de lamp dooft. Raadpleeg een Hyundai dealer als de lamp blijft branden na het starten vande motor. N.B: Als de TCS-waarschuwingslamp gaat branden, wordt het aandrijfregelsysteem uitveiligheidsoverwegingen uitgesch- akeld.
Page 142 of 244

2- 18 HET RIJDEN MET UW HYUNDAI
Veilig met 4-wielaandrijving rijden
(1)Draag altijd de veiligheidsgordel.
(2)Rijd niet in zware terrein- omstandigheden of in gebieden die zwaarder zijn dan waarvoor de autois ontworpen.
(3)Rijd bij sterke zijwind met een lagere
snelheid. Vanwege het hogerezwaartepunt wordt de stabiliteit door zijwind negatief beïnvloed. Door een lagere snelheid wordt een beterebeheersing van de auto gewaarborgd.
(4)Controleer de remwerking nadat in natte of modderige omstandigheden is gereden. Druk tijdens langzaamrijden het rempedaal enkele malen in totdat de normale remwerking is teruggekeerd.
(5)Rijd met de auto niet door water (zoals beekjes, rivieren, merenenz.).
(6)De remafstand van een auto met
constante 4-wielaandrijving is vrijwelgelijk aan die van een auto met 2- wielaandrijving. Bij rijden over een besneeuwd wegdek of een gladde en modderige
!
onder controle houden in deze omstandigheden valt altijd onder de verantwoordelijkheid van debestuurder, voor zijn eigen veiligheid en de veiligheid van de passagier(s).
WAARSCHUWING:
De auto is niet ontworpen als
terreinauto. Rijd met deze auto niet in het terrein. Bij het rijden in het terrein kan hij worden beschadigd. Het rijden met de auto onderterreinomstandigheden die zwaarder zijn dan waarvoor de auto is ontworpen, kan tot ernstigpersoonlijk letsel leiden.
C350A02O-AXT CONSTANTE 4-WIELAANDRIJ- VING (4WD) (Indien gemonteerd) Het volledige motorvermogen kan over zowel de voor- als de achterwielen worden verdeeld. Full-time 4WD kan worden gebruikt als goede tractie nodigis, zoals het rijden of gladde, natte of met sneeuw bedekte wegen en het wegrijden uit modder. Deze auto's zijnechter niet bedoeld voor zwaar terreingebruik. Ze zijn in hoofdzaak ontworpen om de tractie en dewegligging op verharde wegen en snelwegen in natte en/of gladde omstandigheden te verbeteren.Kortstondig gebruik van de auto op onverharde wegen en lichte terreinritten zijn toegestaan. Het is belangrijk datbij het rijden op onverhard terrein de snelheid dusdanig wordt aangepast dat een veilig gebruik onder dezeomstandigheden wordt gewaarborgd. Over het algemeen zijn er op onverhard terrein slechtere aandrijf-en remeigenschappen dan op verhard terrein. Met deze factoren moet rekening worden gehouden bij het rijdenop onverhard terrein. Het voertuig in contact houden met de ondergrond en
Page 143 of 244

HET RIJDEN MET UW HYUNDAI 2- 19
weg moet voldoende afstand tot de voorganger worden gehouden.
(7)Omdat de aandrijfkrachten altijd op de 4 wielen wordt overgebracht, worden de prestaties van een automet constante 4-wielaandrijving sterk door de toestand van de banden beïnvloed. Zorg ervoor datalle vier banden dezelfde maat hebben en van hetzelfde type zijn.
o Wanneer één van de banden of
wielen moet worden vervangen, moeten ze alle vier worden vervangen.
o Met regelmatige intervallen
moeten de wielen wordengewisseld en de bandenspanning worden gecontroleerd.
(8)Een auto met permanente 4- wielaandrijving kan niet met eennormaal sleepvoertuig worden gesleept. Alle vier de wielenmoeten vrij van de grond zijn als de auto moet worden weggesleept.
o Als de auto wordt gesleept metslechts twee wielen vrij van de grond, kan de 4-wielaandrijving beschadigd raken.
!
o In noodgevallen, als de auto met alle vier de wielen op de grond moet worden gesleept, mag hijalleen vooruit worden gesleept m.b.v. een sleepkabel.
o Tijdens het slepen op de volgende punten letten:
1. Zet het contactslot in de
"ACC"of "ON" stand.
2. Plaats de versnellingshendel in de neutraalstand (bij automatische transmissie,stand "N")
3. Zet de handrem vrij.
N.B.: Om ernstige schade aan uw auto
met 4-wielaandrijving te voorkomen NIET sneller dan 15 km/h en NIET verder dan 1,5 km slepen. HSM281
Rollentestbank
Vrijlooprollen
(9)Als de auto met 4-wielaandrijving op een rollentestbank wordt getest, moet dit een vierwielentestbank zijn.
WAARSCHUWING:
Tijdens deze tests nooit de handrem inschakelen.
o In het uitzonderlijke geval dateen auto met 4-wielaandrijving op een tweewielentestbank moet worden getest, moeten de instructies hieronder nauwkeurigworden opgevolgd.
Page 144 of 244

2- 20 HET RIJDEN MET UW HYUNDAI
!WAARSCHUWING:
o Voorkom hoge bochtsnelheden.
o Maak geen snelle stuurwielbewegingen, zoals plotseling van rijbaan veranderen of snelle scherpe bochten.
o Het gevaar voor kantelen neemt sterk toe als bij hoge snelheidde macht over het stuur verlorengaat.
o Bij een ongeval heeft een
inzittende die geen veiligheidsgordel draagt meer kans op zeer ernstig letsel daniemand die wel een veiligheidsgordel draagt.
o De macht over het stuur gaat vaak verloren als twee of meer wielen in de berm komen en debestuurder door te sterk terugsturen weer op de weg probeert te komen.
o Als de auto in de berm raakt, stuur dan niet scherp terug.Verminder in dat geval eerstsnelheid voordat wordt geprobeerd op de weg terug te sturen.
LET OP:
o Als een auto met constante 4- wielaandrijving is opgekrikt, magde motor niet worden gestart enmogen de wielen niet worden gedraaid. Hierdoor is het is mogelijk dat een draaiend wiel de grond raakt, waardoor de auto van de krikvalt.
o Indien één van de voor- of
achterwielen in modder, sneeuwenz. begint door te draaien, kan de auto soms worden vrijgereden door het gaspedaaliets verder in te drukken; voorkom echter dat de motor langdurig met een hoog toerentaldraait, omdat dan schade aan het 4-wielaandrijfsysteem kan ontstaan.!
!
1. Breng de bandenspanning opde voorgeschreven waarde.
2. Plaats de voorwielen op de rollentestbank zoals afgebeeld.
3. Zet de handremrem vrij.
4. Plaats de achterwielen op de vrijlooprollen; zoals afgebeeld.
WAARSCHUWING:
Ga tijdens de rollenbanktest nietvoor de auto staan. De auto kan tijdens de test vooruit springen en ernstig of dodelijk letsel veroorzaken.
(10) Sneeuwkettingen mogen alleen op de voorwielen worden aangebracht.
(11) Als de voor- of achterwielen in de modder blijven steken, moetovermatig doorslippen wordenvoorkomen. Er kan schade aan het aandrijfsysteem ontstaan.