
Airconditioning
in de gewenste richting. Als het wieltje in de
s t
and
staat, is het luchtrooster gesloten.
● De luchtrichting oriënteren met de hendel
van het
ventilatierooster.
Er zijn ook luchtroosters die niet versteld
kunnen worden; deze zijn te vinden in het
dashboard 2 , in de beenruimte en achterin
de w ag
en. Let op
Plaats nooit voedingsmiddelen, medicijnen of
andere v
oorwerpen die gevoelig zijn voor
temperaturen voor de luchtroosters, ze kun-
nen beschadigd of onbruikbaar raken als ge-
volg van de lucht die uit de luchtroosters
stroomt. Luchtrecirculatiestand
Basisbegrippen
Luchtrecirculatie:
Handmatig ingestelde circulatie
In de circulatiefunctie wordt vermeden dat
b
uit
en
lucht terechtkomt in het interieur.
Bij zeer hoge buitentemperaturen moet de
handmatige instelling van de circulatiefunc-
tie kort geselecteerd worden om het interieur
sneller af te koelen. Uit veiligheidsoverwegingen wordt de lucht-
recir
culatie uitgeschakeld zodra op knop
wordt gedrukt of de luchtverdeelknop
op wordt gezet.
Handmatige circulatiefunctie in- en uitscha-
kelen
Inschakelen: druk op de knop tot het con-
trolelampje gaat branden.
Uitschakelen: druk op de knop tot het
controlelampje uitgaat.
Werking van de automatische circulatiefunc-
tie (menu van de klimaatregeling)
Als de automatische circulatiefunctie is geac-
tiveerd, wordt verse lucht toegelaten tot het
interieur van de wagen. Wanneer het systeem
een verhoogde concentratie aan schadelijke
stoffen in de buitenlucht vaststelt, wordt de
circulatiefunctie automatisch ingeschakeld.
Wanneer het verontreinigingsniveau opnieuw
een normaal peil bereikt, wordt de circulatie-
functie uitgeschakeld.
Het systeem is niet in staat om onaangena-
me geuren op te sporen.
De circulatiefunctie wordt niet automatisch
ingeschakeld in uitvoeringen zonder vocht-
sensor en in geval van de volgende buiten-
omstandigheden:
● De buitentemperatuur is lager dan +3°C
(+38°F). ●
Het koel systeem is uitgeschakeld en de
omgevingstemperatuur is lager dan +10°C
(+50°F).
● Het koelsysteem is uitgeschakeld, de om-
gevin
gstemperatuur is lager dan +15°C
(+59°F) en de ruitenwisser is ingeschakeld.
Het in- en uitschakelen van de automatische
luchtrecirculatie is mogelijk in het menu van
de klimaatregeling, onder Configuratie. ATTENTIE
Veiligheidsaanwijzingen ›››
in Inleiding op
pag. 181 in ac
ht nemen.
● Wanneer het koelsysteem niet werkt en de
circ
ulatiefunctie aanstaat, kunnen de ruiten
snel aandampen en kan het zicht zo aanzien-
lijk beperkt worden.
● Schakel de circulatiefunctie uit wanneer u
deze niet nodig heef
t. VOORZICHTIG
In wagens met airconditioning wordt aanbe-
vo l
en niet te roken wanneer de circulatiefunc-
tie is ingeschakeld. De aangezogen rook kan
neerslaan op de verdamper van het koelsys-
teem en op het actieve koolpatroon van het
stof- en pollenfilter, wat leidt tot een perma-
nente onaangename geur. » 185
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Airconditioning
Interieurvoorverwarming (extra
v er
w
arming)*
Inleiding tot thema De interieurvoorverwarming werkt met brand-
st
of
uit de tank van de auto en kan tijdens
het rijden of bij stilstand worden gebruikt.
De interieurvoorverwarming kan worden in-
geschakeld met de snelverwarmtoets van het
aircobedieningselement, met de radiografi-
sche afstandsbediening of door vooraf een
uur van vertrek te programmeren in het menu
van het infotainmentsysteem.
In de winter kunt u met ingeschakelde interi-
eurvoorverwarming de voorruit ontwasemen
en vrij maken van ijs en sneeuw (indien het
gaat om een dunne laag) voordat u begint te
rijden.
Indien de buitentemperatuur zeer hoog is,
kan het interieur worden geventileerd met
stilstaande motor dankzij de interieurvoor-
verwarming. ATTENTIE
Het inslikken van een 20 mm grote batterij of
andere knoopc el
kan op zeer korte termijn le-
vensgevaarlijke letsels veroorzaken.
● Houd de radiografische afstandsbediening,
sleut
elhangers op batterijen, vervangende
batterijen, knoopcellen en andere batterijen groter dan 20 mm steeds buiten het bereik
van k
inder
en.
● Indien u vermoedt dat iemand mogelijk een
batterij heef
t ingeslikt, raadpleeg dan onmid-
dellijk een arts. ATTENTIE
De gassen van de interieurvoorverwarming
bev atten k
oolmonoxide, een giftige, kleur- en
geurloze substantie. Koolmonoxide kan tot
bewusteloosheid leiden en dodelijk zijn.
● Schakel de interieurvoorverwarming nooit
in en laat
ze ook niet aan staan in gesloten
ruimtes of plaatsen zonder ventilatie.
● Programmeer de interieurvoorwarming
nooit z
o dat ze ingeschakeld wordt en func-
tioneert in een gesloten ruimte of plaats zon-
der ventilatie. ATTENTIE
De onderdelen van de interieurvoorverwar-
ming w or
den zeer warm en kunnen brand ver-
oorzaken.
● Parkeer de auto zo dat geen enkel onder-
deel v
an het uitlaatsysteem in contact komt
met licht ontvlambare materialen onder de
auto, zoals bijvoorbeeld droog gras. VOORZICHTIG
Zet nooit voedingsmiddelen, medicijnen of
andere v
oorwerpen die gevoelig zijn voor
koude of warmte vóór de luchtroosters. De lucht die uit de roosters komt kan voedings-
middel
en, medic
ijnen of gevoelige voorwer-
pen aantasten of onbruikbaar maken. Let op
Nadat u de motor hebt gestart met volledig
l e g
e of recent vervangen accu van 12 volt, of
na een noodstart, kunnen een aantal instel-
lingen van het systeem (zoals de tijd, datum,
gepersonaliseerde comfortinstellingen en
programmeringen) slecht afgesteld of gewist
zijn. Controleer en corrigeer die instellingen
nadat de accu voldoende is opgeladen. Interieurvoorverwarming in- en uit-
s
c
h
akelen
Inschakelen van de interieurvoorverwarming:
Handmatig met de snelverwarmtoets van het
aircobedieningselement. Het controlelampje in
de toets gaat branden
››› pag. 181.
Handmatig met de radiografische afstandsbe-
diening
››› pag. 188.
Automatisch met programmering en activering
van een uur van vertrek ››› pag. 189.
Uitschakelen van de interieurvoorverwarming:
Handmatig met de snelverwarmtoets van het
aircobedieningselement. Het controlelampje in
de toets gaat uit
››› pag. 181.
» 187
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

AirconditioningControlelampje
1Betekenis
Het lampje brandt 2 se-
conden oranje, daarna
knippert het groen of
rood.De batterij van de af-
standsbediening is bijna
leeg. Het inschakel- of uit-
schakelsignaal werd niet
ontvangen.
Knippert ca. 5 seconden
oranje.
De batterij van de af-
standsbediening is leeg.
Het inschakel- of uitscha-
kelsignaal werd niet ont-
vangen.
a)
De radiografische afstandsbediening bevindt zich buiten de
actieradius. In dit geval moet de afstand tot de auto verminderd
worden en opnieuw op de betreffende toets worden gedrukt.
De batterij van de radiografische afstandsbe-
diening vervangen
Indien bij het indrukken van de toetsen het
controlelampje van de afstandsbediening 1ongeveer 5 seconden oranje knippert of niet
g
aat
br
anden, moet de batterij vervangen
worden.
De batterij bevindt zich aan de achterzijde
van de afstandsbediening, achter een dek-
sel.
● Om het deksel te openen, tilt u het voor-
zichtig op aan de onder
zijde en schuift u het
naar onderen.
● Haal de batterij weg.
● Plaats een nieuwe batterij. Let daarbij op
de polarit
eit en gebruik batterijen van het-
zelfde type ››› . ●
Zet
het
deksel terug door de nokken van de
bovenzijde te plaatsen en op de onderzijde
te duwen.
Actieradius
De ontvanger zit in het interieur van de wa-
gen. De maximale actieradius van de af-
standsbediening bedraagt enkele honderden
meter met nieuwe batterij. Door obstakels
tussen de afstandsbediening en de auto,
slechte weersomstandigheden en leeg raken-
de batterij kan het bereik aanzienlijk minder
worden. VOORZICHTIG
● De r a
diografische afstandsbediening bevat
elektronische onderdelen. Vermijd daarom
vocht, stoten of direct zonlicht.
● Het gebruik van ongeschikte batterijen kan
de radiogr
afische afstandsbediening bescha-
digen. Vervang daarom de lege batterij altijd
door een nieuwe van dezelfde intensiteit en
afmetingen, en met dezelfde kenmerken. Milieu-aanwijzing
● Lev er de g
ebruikte batterijen met het oog
op milieubescherming in bij geschikte inza-
melpunten.
● De batterij van de afstandsbediening kan
perch
loraat bevatten. Neem de wettelijke be-
palingen voor verwijdering in acht. ●
Zor g er
voor dat de afstandsbediening niet
per ongeluk bediend kan worden, zodat de in-
terieurvoorverwarming niet ongewenst kan
worden ingeschakeld. Interieurvoorverwarming programme-
ren
Vóór het programmeren controleert u of de
d
at
um en tijd juist zijn ingesteld in de au-
to ››› .
De int erieur
voorverwarming wordt gepro-
grammeerd in het menu Interieurvoor-
verwarming van het infotainmentsysteem.
Het menu Interieurvoorverwarming
openen
● Druk op de toets v an het
bedienings-
paneel van de Climatronic.
● Op de functietoets drukken.
Functietoets: functie
Uitsch.: de interieurvoorverwarming wordt meteen uitge-
schakeld.
Verwarmen, Ventileren: wordt ingesteld indien bij inscha-
keling van de interieurvoorverwarming het interieur ver-
warmd of geventileerd moet worden. Door te drukken op
de functieknop
kan de gewenste modus worden ge-
selecteerd.» 189
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

BedienenFunctietoets: functie
Instellen: het menu
Interieurvoorverwarming
wordt geopend.
Vertrekuur 1, Vertrekuur 2, Vertrekuur 3: er kunnen
drie verschillende vertrektijden (uu.mm) worden
geprogrammeerd. Indien de interieurvoorverwar-
ming enkel op een bepaalde dag van de week
moet worden ingeschakeld, kan ook dezelfde ver-
trektijd worden geselecteerd.
Duur: de duur bepaalt de werkingstijd van de in-
terieurvoorverwarming wanneer ze wordt inge-
schakeld met de snelverwarmtoets
van het air-
cobedieningselement. Tevens wordt de duur ge-
bruikt om het vertrekuur te berekenen bij hand-
matig geregelde airconditioning. Dit kan worden
ingesteld tussen 10 en 60 minuten in stappen
van 10 minuten.
Er wordt teruggekeerd naar het hoofdmenu.
Het geprogrammeerde vertrekuur bepaalt het
moment
w
aar
op de ingestelde temperatuur
ongeveer bereikt moet zijn in de auto. Het
begin van de werking van de verwarming
wordt automatisch vastgesteld naargelang
de buitentemperatuur.
De programmering controleren
Wanneer een vertrekuur actief is, gaat bij uit-
schakeling van het contact het controlelamp-
je van de snelverwarmtoets branden gedu-
rende ca. 10 seconden. ATTENTIE
Programmeer de interieurvoorwarming nooit
zo d at
ze ingeschakeld wordt en functioneert
in een gesloten ruimte of plaats zonder venti-
latie. De gassen van de interieurvoorverwar-
ming bevatten koolmonoxide, een giftige,
kleur- en geurloze substantie. Koolmonoxide
kan tot bewusteloosheid leiden en dodelijk
zijn. Gebruiksaanwijzing
Het uitlaatsysteem van de interieurvoorver-
w
armin
g
zit onder de auto en mag niet be-
dekt zijn door sneeuw, modder of andere ma-
terialen. De uitlaatgassen moeten vrij kunnen
ontsnappen. De uitlaatgassen die ontstaan
wanneer de interieurvoorverwarming werkt,
worden afgevoerd via een uitlaatpijp, die aan
de onderzijde van de wagen is aangebracht.
Bij de verwarming van het interieur, wordt de
warme lucht eerst naar de voorruit geleid, af-
hankelijk van de omgevingstemperatuur, en
daarna naar de rest van het interieur via de
luchtroosters. Door de roosters te verstellen,
bijv. naar de zijruiten, kan de luchtverdeling
worden beïnvloed.
Gevallen waarin de interieurvoorverwarming
niet wordt ingeschakeld
● De interieurvoorverwarming heeft ongeveer
evenv
eel energie nodig als het dimlicht. In- dien de laadtoestand van de accu van 12 volt
sterk
afneemt, wordt de interieurvoorverwar-
ming automatisch uitgeschakeld en kan ze
niet meer aangezet worden. Zo voorkomt u
problemen bij het starten van de motor.
● De verwarming moet geactiveerd worden
telken
s u ze in werking wenst te stellen. Ook
het vertrekuur moet telkens opnieuw worden
geactiveerd.
● Het controlelampje (brands
tofmeter)
gaat branden. Let op
● Wanneer de int erieur
voorverwarming is in-
geschakeld, zijn geluiden te horen die veroor-
zaakt worden door de werking ervan.
● Wanneer de luchtvochtigheid buiten hoog
is en de om
gevingstemperatuur laag, is het
mogelijk dat het verwarmings- en ventilatie-
systeem condenswater afkomstig van de wer-
kende interieurvoorverwarming verdampt. In
dat geval kan damp uit de onderzijde van de
auto komen. Dit betekent niet dat er een sto-
ring is.
● Als de auto naar één kant overhelt, bijv. bij
het park
eren op een helling, kan de werking
van de interieurvoorverwarming beperkt wor-
den bij een laag brandstofpeil (juist boven
het reservegebied).
● Als de interieurvoorverwarming gedurende
een lang
ere periode meermaals wordt ge-
bruikt, wordt de accu van 12 volt ontladen.
Om de accu weer te laten opladen, rijdt u af 190

Bedienen
Individual kan w
or den geconfigureerd
naar wens. De overige profielen beschikken
over een vaste configuratie.
Beschrijving Afhankelijk van de uitrusting van de wagen,
beïnvloedt
SEAT Drive Profile de volgende on-
derdelen:
Motor
Al naar gelang het gekozen profiel, reageert
motor feller of juist rustiger op de verplaat-
sing van het gaspedaal. Bovendien wordt bij
het selecteren van het Eco-profiel automa-
tisch de start-stopfunctie geactiveerd.
Bij wagens met automatische transmissie
worden de momenten waarop wordt gescha-
keld zodanig aangepast dat die bij lagere of
hogere toerentallen komen te liggen. Boven-
dien wordt in de Eco-stand gebruik gemaakt
van de inertie om het brandstofverbruik ver-
der te verlagen.
Bij wagens met schakelbak wijzigen in de
stand Eco de aanbevelingen om te schake-
len die verschijnen in het instrumentenpa-
neel, om de bestuurder ertoe aan te zetten
zuiniger te gaan rijden. Besturing
De s
t
uurbekrachtiging varieert de rijfuncties
en past zich aan het geselecteerde profiel
aan, waardoor een beter gedrag voor elke si-
tuatie mogelijk wordt gemaakt.
Airconditioning
Bij wagens voorzien van Climatronic is het
mogelijk om deze in de eco-stand op een la-
ger verbruik te laten werken.
Automatische afstandsregeling (ACC)
De acceleratiegradiënt van de automatische
afstandsregeling varieert naargelang het ac-
tieve rijprofiel ››› pag. 233.
Elektronische stabiliseringscontrole (ESC)
In de rijprofielen Offroad en Snow past de
elektronische stabiliseringscontrole (ESC)
››› pag. 200 zich aan volgens de kenmerken
van het terrein.
Daarnaast wordt in het Offroad-profiel ook
de bergafdaalcontrole (HDC) ››› pag. 221 ge-
activeerd. Rijprofiel instellen
Afb. 213
Middenconsole: draaiknop (Driving
Experienc e b
utt
on). U kunt op de volgende manieren kiezen tus-
sen de pr
ofiel
en
Eco, Normal , Sport, In-
dividual , Offroad1)
en Snow 1)
:
● draai aan de draaiknop (Driving Experience
button) t
ot het gewenste profiel brandt op
het display van het Easy Connect-systeem en
ook op de draaiknop zelf ››› afb. 213.
● OF: selecteer het gewenste profiel op het
aanraak
scherm van het Easy Connect-sys-
teem, in het menu dat wordt geopend door te
draaien aan de draaiknop (Driving
Experience button).
Binnen elk profiel bestaat de mogelijkheid
om de kenmerken ervan weer te geven, door
te drukken op het touchpad van het display 1)
Enkel voor 4Drive-modellen.
256

Trefwoordenlijst
Trefwoordenlijst A
Aanbev o
l
en versnelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
Aandrijfslipregeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 200
Aanhaalmomenten van de wielbouten . . . . . . . . 335
Aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 288 aanhangwagengewichten . . . . . . . . . . . . . . . . 294
aansluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 292
achterlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 290, 293
alarmsysteem uitgeschakeld . . . . . . . . . . . . . . 293
beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 294
bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 255
Buitenspiegels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 290
de koplampen verstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . 295
dodehoekhulp (BSD) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 255
functiestoring . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 294
kogeldruk . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 288, 294
kogelkop elektrisch ontgrendelen . . . . . . . . . . 291
led-achterlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . 290, 293
naderhand monteren van een trekhaak . . . . . 297
parkeerhulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 275, 279
rijden met een aanhangwagen . . . . . . . . . . . . 295
sleepkabel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 290, 293
stabilisatie van het samenstel wagen-aanhan-ger . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 296
stopcontact . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 293
technische voorwaarden . . . . . . . . . . . . . . . . . 289
vasthaken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 292
Aanhangwagengewichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . 335 aanhangwagen beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . 294
Aantal zitplaatsen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81
ABS zie Antiblokkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . 200
ACC . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 233 radarsensor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 236 Accessoires . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 171, 299
Acht
erbank . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 168
rugleuning neer- en terugklappen . . . . . . . . . . 168
Achterklep . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16, 17 zie ook Bagageruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 145
Achterlichten een lampje vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 110
Achterlichten in achterklep fitting uitbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114
Achterlichten in zijpaneel achterlicht uitbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114
Achterruitverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53, 55
Achteruitkijkspiegel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 164 zelfdimmend binnen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 164
zie ook Achteruitkijkspiegels . . . . . . . . . . . . . . 164
Achteruitkijkspiegels buitenspiegels verstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . 164
Achteruitrijsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 285 bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 286
display . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 285
gebruiksaanwijzing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 285
parkeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 286
Achteruitversnelling (automatische versnellings- bak) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 204
AdBlue beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 311
informatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 311
minimale vulhoeveelheid . . . . . . . . . . . . . . . . 311
specificatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 311
Tankinhoud . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 311
Afdekkingen van de airbags . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
Afmetingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 344
Afsleepalarm . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 144
Afstandsbediening zie Sleutels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 133
Afstandsbediening (interieurvoorverwarming) . 188 de batterij vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 189 Afstandsregeling
zie Aut omatische afstandsregeling . . . . . . . . . 233
Afvoer Gordelspanner . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86
Airbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 87 beschrijving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88
Airbagsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21, 87 activering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88
beschrijving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88
Controlelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 92
de frontairbag uitschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . 91
frontairbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21, 89
hoofdairbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24
knie-airbag . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
Werking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88
zijairbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
Airconditioning Climatronic . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 52, 181
gebruiksaanwijzing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 183
handbediende airconditioning . . . . . . . . . . . . . 54
interieurvoorverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . 187
verwarming en frisse lucht . . . . . . . . . . . . . . . . . 56
voorruitverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 186
Alarmlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32, 158
Alarmsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 142 zie ook Anti-diefstal alarmsysteem . . . . . . . . . 132
Alcantara: schoonmaken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 307
Algemeen schema Bestuurdersruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119
Controlelampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
knipperlicht- en grootlichthendel . . . . . . . . . . 154
motorruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 313
Waarschuwingslampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
Anti-diefstal alarmsysteem . . . . . . . . . . . . 132, 142 aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 293
interieurbewaking en afsleepalarm . . . . . . . . 144
Antiblokkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 200
347

Trefwoordenlijst
roetfilter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 216
tr ek
h
aak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 294
verversen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 211
G Geluiden automatische afstandsregeling . . . . . . . . . . . . 234
banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 69, 323
ESC . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 202
interieurvoorverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . 190
parkeerrem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 198
remmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 199
Geluidssignaal lichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153
veiligheidsgordel niet vastgegespt . . . . . . . . . . 81
waarschuwings- en controlelampjes . . . . . . . . 125
Gevarendriehoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 158
Gewichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 334
Glazen dak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 150 functiestoring . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 150
openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 151
rolgordijn . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 151
sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 151
sluitkrachtbegrenzing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 152
Gordel spannen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86
Gordelspanners . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20, 86 Controlelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 92
GRA . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45
Grootlichtassistent . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 155
Grootlichthendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 154
Grote Onderhoud Service . . . . . . . . . . . . . . . . . . 315
H
Handbediende airconditioning . . . . . . . . . . . . . . . 54
Handrem zie Parkeerrem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 197 HDC
zie B ergafdaalhulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 221
Het contact in- en uitschakelen . . . . . . . . . . 30, 191
Hoedenplank opbergen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 174
Hoofdairbags beschrijving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24
veiligheidsaanwijzingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 91
Hoofdsteunen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19 achterin . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 80
hoofdsteunen achterin . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 80
hoofdsteunen voorin . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79
regeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 166
voorin . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79
Hoofdsteunen regelen hoofdsteunen voorin . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 166
Hoofdsteunen uit- en inbouwen . . . . . . . . . . . . . 166
Hulp bij het achteruit parkeren . . . . . . . . . . . . . . 276
Hulpsystemen ACC . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 233
Auto Hold-functie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 222
automatische afstandsregeling . . . . . . . . . . . . 233
bandencontrole . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 328
bandenspanningscontrolesysteem . . . . . . . . . 327
bandenspanningsindicatie . . . . . . . . . . . . . . . 329
bergafdaalhulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 221
dodehoekhulp (BSD) met uitparkeerhulp(RCTA) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 250
filehulpsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 247
hulp bij het achteruit parkeren . . . . . . . . . . . . 276
inparkeersysteem (Park Assist) . . . . . . . . . . . . 262
noodhulpsysteem (Emergency Assist) . . . . . . 248
noodremmen (Front Assist) . . . . . . . . . . . . . . . 229
omgevingscamerasysteem (Top View Camera) . . .279
parkeerhulp Plus . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 270
snelheidsbegrenzer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 225
Snelheidsregelsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . 224
systeem van verkeerstekenherkenning . . . . . 258 uitparkeerhulp (RCTA) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 250
vermoeidheidsherk
enning . . . . . . . . . . . . . . . . 261
I
Inbraakbeveiliging . . . . . . . . . . . . . . . . 15, 132, 140
Indicatie van de versnellingen . . . . . . . . . . . . . . . 42
Inertiestand . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 210
Infotainmentsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
Inparkeersysteem (Park Assist) . . . . . . . . . . . . . . 262 automatische remingreep . . . . . . . . . . . . . . . . 270
automatisch onderbreken . . . . . . . . . . . . . . . . 264
functiestoring . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 262
recht parkeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 267
schuin parkeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 267uitparkeren (enkel rechte parkeerplaatsen) . . 269
voortijdig beëindigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 264
voorwaarden om te parkeren . . . . . . . . . . . . . . 267
voorwaarden om uit te parkeren . . . . . . . . . . . 269
Inrijden nieuwe banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 323
nieuwe motor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 212
nieuwe remblokken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 199
Inspectiebeurt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 315
Instapverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 157
instellen CAR-menu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34, 127
hoofdsteunen achterin . . . . . . . . . . . . . . . 80, 166
hoofdsteunen voorin . . . . . . . . . . . . . . . . 79, 166
lichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 159
stoelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76
Stoelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 165
Instrumenten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
Instrumentenpaneel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121 display . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121, 122
instrumenten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
kilometerteller . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 124
menu's . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37
351