
Bedienen
● Het c
ontr
olelampje knippert in de betref-
fende buitenspiegel, zelfs als er geen rich-
tingaanwijzer is ingeschakeld.
● Het stuur trilt om de bestuurder te wijzigen
op het botsin
gsgevaar.
● Er wordt een corrigerend draaikoppel toe-
gepa
st in de richting om de auto terug naar
zijn rijstrook te brengen.
Uitschakelen van de rijstrookassistent in de
volgende situaties
In de volgende situaties moet u de rijstroo-
kassistent uitschakelen met het oog op de
technische grenzen van het systeem:
● Als de bestuurder goed moet opletten.
● Bij een sportieve rijstijl.
● Onder slechte klimatologische omstandig-
heden.
● Op wegen met slecht wegdek.
● Bij plekken waar wegwerkzaamheden zijn. ATTENTIE
De intelligente techniek in de rijstrookassis-
tent (Lane As
sist) kan de natuurkundig en
door het systeem zelf bepaalde grenzen niet
overwinnen. Het onachtzame of ongecontro-
leerde gebruik van de rijstrookassistent kan
ernstig letsel en ongevallen veroorzaken. On-
danks het systeem moet de bestuurder te al-
len tijde opmerkzaam blijven. ●
Pa s
de snelheid en houd een veilige af-
stand aan tot uw voorliggers afhankelijk van
het zicht, de klimatologische omstandighe-
den, het wegdek en het verkeer.
● Houd de hand altijd aan het stuur om op elk
moment te k
unnen bijsturen.
● De rijstrookassistent registreert niet alle
wegdekm
arkeringen. Het wegdek, patronen
in het wegdek of objecten in slechte toestand
kunnen verkeerd worden geïnterpreteerd als
markeringen op het wegdek in bepaalde om-
standigheden door de rijstrookassistent. In
dergelijke situaties moet u de rijstrookassis-
tent onmiddellijk uitschakelen.
● Houd de meldingen op het instrumentenpa-
neel in de gat
en en reageer zoals vereist.
● Let altijd goed op de omgeving van de wa-
gen.
● Wanneer het
zichtveld van de camera ver-
vuil
d, afgedekt of beschadigd is, kan de werk-
ing van de rijstrookassistent negatief worden
beïnvloed. VOORZICHTIG
Om de werking van het systeem niet te beïn-
vloeden, moet u het
volgende in acht nemen:
● Reinig het zichtveld van de camera regel-
matig en houd dit s
choon en vrij van sneeuw
en ijs.
● Dek de camera niet af.
● Controleer of de ruit in het zichtveld van de
camera niet
beschadigd is. Let op
● De rij s
trookassistent is uitsluitend bedoeld
voor wegen met vast wegdek.
● Als de rijstrookassistent niet werkt zoals
besc
hreven in dit hoofdstuk, moet dit sys-
teem uitgeschakeld worden en moet u naar
een gespecialiseerde werkplaats gaan.
● Controleer alvorens weg te rijden of het
zicht
veld van de camera niet is afgedekt
››› afb. 202.
● Het cameravenster altijd schoon houden.
● Bij schade aan het systeem moet u naar de
werkpl
aats van een officiële dealer gaan voor
reparatie. Filehulpsysteem
Ger el
at
eerde video Afb. 205
Zelfstandig rij-
den 246

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
Beschrijving en werking Het filehulpsysteem helpt de bestuurder om
de wag
en b
innen zijn rijstrook te houden en
met de stroom voertuigen mee te rijden bij
opstoppingen of traag verkeer.
Het filehulpsysteem is een bijkomende func-
tie van de rijstrookassistent (Lane Assist)
››› pag. 243 en combineert de functies daar-
van met die van de automatische afstandsre-
geling (ACC) ››› pag. 233. Lees daarom aan-
dachtig deze twee hoofdstukken en houd re-
kening met de beperkingen van de systemen
en aanwijzingen erover.
Werking van het filehulpsysteem
Het filehulpsysteem kan bij een snelheid van
minder dan 60 km/u (40 mph) een eerder
door de bestuurder ingestelde (tijdelijke) af-
stand behouden ten opzichte van de voorlig-
ger en helpt tevens om binnen de rijstrook te
blijven ››› .
Daar v
oor c
ontroleert het systeem automa-
tisch het gaspedaal, de rem en stuurinrich-
ting, vertraagt de wagen zo nodig tot volledi-
ge stilstand voor een stoppend voertuig en
begint automatisch weer te rijden zodra het
vooropliggende voertuig opnieuw verder
rijdt.
Het filehulpsysteem werd uitsluitend ontwor-
pen voor gebruik op snelwegen en brede straten. Gebruik het dus niet in stedelijk ver-
keer.
T
echnische vereisten om het filehulpsysteem
te gebruiken
● De rijstrookassistent moet geactiveerd zijn:
toets
> SETUP > Bestuurdershulp-
systeem > Rijstrookassistent (La‐
ne Assist) › ›
›
pag. 34.
● De automatische rijs
trookgeleiding moet
geactiveerd zijn: toets > SETUP > Be-
stuurdershulpsysteem > Rijstroo‐
kassistent (Lane Assist) .
● De automatische afstandsregeling (ACC)
moet in
g
eschakeld en actief zijn ››› pag. 237.
● De snelheid moet lager zijn dan 60 km/u
(38 mph).
Het fil
ehulpsysteem is niet actief (het contro-
lelampje van de rijstrookassistent (Lane As-
sist) gaat geel branden)
● Indien een van de voorwaarden vermeld in
pag. 247, Tec
hnische vereisten om het file-
hulpsysteem te gebruiken niet langer is ver-
vuld.
● Indien een van de nodige voorwaarden
voor werk
ing van de rijstrookassistent (Lane
Assist) niet langer vervuld is ››› pag. 243.
● Indien een van de nodige voorwaarden
voor werk
ing van de automatische afstands-
regeling (ACC) niet langer vervuld is ››› pag.
233. Situaties waarin het filehulpsysteem moet
worden uit
geschakeld
Wegens de beperkingen van het systeem
moet het filehulpsysteem steeds worden uit-
geschakeld in de volgende situaties:
● Als de bestuurder erg goed moet opletten.
● Bij het erg sportief rijden.
● Bij slechte weersomstandigheden, bijv.
sneeuw of
intense regen.
● Bij het rijden op wegen in slechte staat.
● Bij wegwerkzaamheden.
● Bij verplaatsingen in de stad. ATTENTIE
De intelligente technologie in het filehulpsys-
teem k an de limiet
en opgelegd door de na-
tuurkundige wetten niet overwinnen en werkt
enkel binnen de eigen grenzen van het sys-
teem. Indien het filehulpsysteem nalatig of
onbedoeld wordt gebruikt, kunnen er zich on-
gevallen en ernstige letsels voordoen. On-
danks het systeem moet de bestuurder te al-
len tijde opmerkzaam blijven.
● De snelheid en de veiligheidsafstand altijd
aanpas
sen aan de voorligger afhankelijk van
het zicht, het weer, het wegdek en het ver-
keer.
● Gebruik het filehulpsysteem niet bij ver-
plaat
singen in de stad.
● Gebruik het filehulpsysteem niet bij slecht
zicht, op s
teile hellingen of op gladde wegen » 247
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Bedienen
zoals bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs, regen of
los
se s
teentjes, noch op overstroomde we-
gen.
● Gebruik het filehulpsysteem niet in het ter-
rein of op een on
verhard wegdek. Het file-
hulpsysteem is enkel bestemd voor gebruik
op verharde wegen.
● Het filehulpsysteem reageert niet bij perso-
nen of dieren, noc
h bij kruisende wagens of
bij een tegemoetkomende wagen op dezelfde
rijstrook.
● Indien het filehulpsysteem de snelheid niet
vol
doende vermindert, rem dan de wagen on-
middellijk met het rempedaal.
● Indien de wagen zich blijft verplaatsen na
de oproep tot
ingreep door de bestuurder,
rem dan de wagen met het rempedaal.
● Indien op het display van het instrumenten-
paneel e
en oproep tot ingreep van de be-
stuurder weergegeven wordt, neem dan on-
middellijk weer de controle over de wagen
over.
● Houd de handen steeds op het stuur en
wees
klaar om op elk moment zelf te kunnen
sturen. De verantwoordelijkheid voor het juist
aanhouden van de rijstrook ligt altijd bij de
bestuurder.
● Wees altijd klaar om zelf te kunnen sturen
(accel
ereren of remmen). Let op
● Als
het filehulpsysteem niet werkt zoals be-
schreven in dit hoofdstuk, gebruik het dan niet en ga naar een gespecialiseerde werk-
pl
aat
s.
● Als het systeem een storing vertoont, laat
het dan n
akijken in een gespecialiseerde
werkplaats. Noodhulpsysteem (Emergency
Ass
i
st)
Beschrijving en werking Het noodhulpsysteem (Emergency Assist)
s
t
elt
vast of de bestuurder niet actief is en
kan de wagen automatisch binnen zijn rijst-
rook houden of zo nodig volledig tot stilstand
brengen. Op die manier kan het systeem ac-
tief helpen om een ongeval te voorkomen.
Het noodhulpsysteem (Emergency Assist) is
een bijkomende functie van de rijstrookassis-
tent (Lane Assist) ››› pag. 243 en combineert
de functies daarvan met die van de automati-
sche afstandsregeling (ACC) ››› pag. 233.
Lees daarom aandachtig deze twee hoofd-
stukken en houd rekening met de beperkin-
gen van de systemen en aanwijzingen erover.
Werking van het noodhulpsysteem (Emer-
gency Assist)
Het noodhulpsysteem stelt vast of de be-
stuurder geen enkele activiteit uitvoert en
vraagt hem herhaaldelijk met optische en akoestische waarschuwingen alsook rem-
schokk
en om de controle over de wagen weer
actief over te nemen.
Als de bestuurder nog steeds niets doet,
neemt het systeem automatisch het gaspe-
daal, de rem en stuurinrichting over om de
wagen te remmen en op zijn rijstrook te hou-
den ››› . Wanneer het noodhulpsysteem ac-
tief r
e
gelt, gaan de noodknipperlichten bran-
den ››› pag. 158 en maakt de wagen lichte
zigzagbewegingen binnen de rijstrook om
andere weggebruikers te waarschuwen.
Als de resterende remafstand voldoende is,
vertraagt het systeem zo nodig de wagen tot
volledige stilstand en wordt de elektronische
parkeerrem automatisch ingeschakeld
››› pag. 197.
Het noodhulpsysteem (Emergency Assist) in-
en uitschakelen
Het noodhulpsysteem (Emergency Assist) is
automatisch ingeschakeld wanneer de rijst-
rookassistent (Lane Assist) ingeschakeld is
››› pag. 243.
Technische vereisten om het noodhulpsys-
teem (Emergency Assist) te gebruiken
● De automatische afstandsregeling (ACC)
moet ing
eschakeld zijn ›››
pag. 233.
● De rijstrookassistent (Lane Assist) moet in-
ges
chakeld zijn ››› pag. 243.
248

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
● De k
euz
ehendel moet zich in stand D/S of
in tiptronic-schakelweg bevinden.
● Het systeem moet aan weerszijden van de
wagen een afb
akeningslijn van de rijstrook
vastgesteld hebben ››› afb. 204.
De volgende situaties kunnen ertoe leiden
dat het noodhulpsysteem (Emergency As-
sist) niet reageert of automatisch wordt uit-
geschakeld:
● Indien de bestuurder het gas- of rempedaal
intrapt, of het
stuur beweegt.
● Indien een van de voorwaarden vermeld in
›››
pag. 248, Technische vereisten om het
noodhulpsysteem (Emergency Assist) te ge-
bruiken niet langer vervuld is.
● Indien een van de nodige voorwaarden
voor werk
ing van de rijstrookassistent (Lane
Assist) niet langer vervuld is ››› pag. 243.
● Indien een van de nodige voorwaarden
voor werk
ing van de automatische afstands-
regeling (ACC) niet langer vervuld is ››› pag.
233. ATTENTIE
De intelligente technologie in het noodhulp-
sys t
eem (Emergency Assist) kan de limieten
opgelegd door de natuurkundige wetten niet
overwinnen en werkt enkel binnen de eigen
grenzen van het systeem. De bestuurder
draagt altijd de verantwoordelijkheid voor
het besturen van de wagen. ●
De s nelheid en de
veiligheidsafstand altijd
aanpassen aan de voorligger afhankelijk van
het zicht, het weer, het wegdek en het ver-
keer.
● Houd de handen steeds op het stuur en
wees
klaar om op elk moment zelf te kunnen
sturen.
● Het noodhulpsysteem kan op zich geen on-
geva
llen of ernstige letsels voorkomen.
● Als de werking van het noodhulpsysteem
vers
toord is, bijvoorbeeld omdat de radar van
de automatische afstandsregeling (ACC) of de
camera van de rijstrookassistent (Lane As-
sist) bedekt of verkeerd afgesteld is, dan kan
het zijn dat het systeem ongepast ingrijpt in
de remmen of de stuurinrichting.
● Het noodhulpsysteem reageert niet bij per-
sonen of dieren, noc
h bij kruisende wagens
of bij een tegemoetkomende wagen op de-
zelfde rijstrook. ATTENTIE
Als het noodhulpsysteem (Emergency Assist)
op ong ep
aste wijze ingrijpt, kunnen er zich
ongevallen en ernstige letsels voordoen.
● Als het noodhulpsysteem niet juist werkt,
sch
akel dan de rijstrookassistent (Lane As-
sist) uit ››› pag. 243. Op die manier wordt ook
het noodhulpsysteem uitgeschakeld.
● Laat het systeem door een gespecialiseer-
de werkpl
aats controleren. SEAT raadt u aan
om daarvoor een SEAT-dealer te raadplegen. Let op
● Autom ati
sche ingrepen op de remmen door
het noodhulpsysteem (Emergency Assist)
kunnen worden onderbroken door het gaspe-
daal of de rem in te trappen, of door te draai-
en aan het stuur.
● De noodknipperlichten, die automatisch
gingen br
anden, kunnen worden gedoofd
door het gaspedaal of de rem in te trappen, te
draaien aan het stuur of te drukken op de
knop van de noodknipperlichten.
● Zo nodig kan het noodhulpsysteem (Emer-
gency As
sist) de wagen doen vertragen tot
volledige stilstand.
● Wanneer het noodhulpsysteem (Emergency
Assi
st) wordt geactiveerd, is het enkel op-
nieuw beschikbaar na uitschakelen en weer
inschakelen van het contact. 249
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Aanwijzingen
beschadiging van de buitenspiegels te voor-
komen. B
uit
enspiegels die elektrisch inge-
klapt kunnen worden mogen niet met de
hand, maar alleen elektrisch in en uit worden
geklapt. VOORZICHTIG
● Was
t u de wagen in een automatische was-
straat, dan wordt aanbevolen onderstaand
proces voor de vergrendeling van de ruiten-
wisserarmen uit te voeren om te vermijden
dat ze naar de bovenzijde van de ruit zouden
worden verplaatst:
–de motorkap moet gesloten zijn
– schakel het contact in en vervolgens weer
uit
– druk de hendel van de ruitenwisser kort
naar voren (ruitensproeierfunctie). De rui-
tenwisserarmen zijn vergrendeld. Milieu-aanwijzing
Wagen alleen op daarvoor aangewezen was-
pl aat
sen wassen. Daar wordt voorkomen dat
eventueel door olie verontreinigd water in het
afvoerwater komt. In bepaalde gebieden is
autowassen buiten zulke wasplaatsen verbo-
den. Sensoren en cameralenzen
●
Sneeuw met een handveger verwijderen en
ij s
b
ij voorkeur met een ontdooispray. ●
Reinig de sensor
en met producten die vrij
zijn van oplosmiddelen en een schone, droge
doek.
● Maak de cameralens met een normaal in
de handel
verkrijgbaar glasreinigingsmiddel
op basis van alcohol nat en veeg de lens met
een droge doek schoon. Bij een active lane
assist* wordt het gedeelte voor de lens nor-
maliter schoongehouden door de ruiten-
sproeiers. VOORZICHTIG
● Als
u de wagen wast met een hogedrukrei-
niger:
–houd dan voldoende afstand tot de sen-
soren in de voor- en achterbumpers.
– Reinig niet de cameralenzen of het ge-
bied daaromheen met de hogedrukreini-
ger.
● Gebruik nooit warm of heet water om snee-
uw en ijs
te verwijderen van de lens van de
achteruitrijcamera, omdat deze daardoor kan
scheuren.
● Bij het schoonmaken van de lens nooit een
onderhoudsmiddel
met een schurende werk-
ing gebruiken. Verzorgen en oppoetsen
Waxbehandeling
D
e c
on
servering beschermt de wagenlak. Ui-
terlijk wanneer op de schone lak het water niet meer duidelijk
als
ronde druppels is te
zien, de wagen door het aanbrengen van een
vaste was opnieuw beschermen.
Ook als in de automatische wasinstallatie re-
gelmatig een vloeibare was wordt gebruikt,
is het aan te bevelen de lak ten minste twee-
maal per jaar met vaste was te beschermen.
Dode insecten die vooral in het warme jaar-
getijde op het voorste gedeelte van de motor-
kap en op de voorbumper achterblijven, kun-
nen overigens veel gemakkelijker van een
goed geconserveerde lak worden verwijderd.
Polijsten
Alleen als de lak van uw wagen dof is gewor-
den en als u met conserveringsmiddelen
geen glans meer kunt verkrijgen, is polijsten
nodig.
Als het toegepaste polijstmiddel geen be-
waarmiddelen bevat, moet vervolgens een
conserveringsmiddel worden aangebracht. VOORZICHTIG
● Beh andel
matte lak of kunststof delen niet
met polijstmiddelen of vaste wax.
● De sierlijsten die om het panoramadak en
de voorruit
lopen, mogen niet met lakpoets-
middelen worden behandeld. U mag deze
echter wel met vaste was behandelen. 302

Trefwoordenlijst
Bestuurdersinformatiesysteem bedienin g met
de ruit
enwisserhendel . . . . . . . 37
motorolietemperatuurmeter . . . . . . . . . . . . . . . 43
Bevestigingsogen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 175
Bijrijder zie Juiste zithouding . . . . . . . . . . . . . . . 76, 77, 78
Bijzonderheden aanslepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 102, 103
hogedrukreinigers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 292
omgevingscamerasysteem (Top View Camera) . . .282
rijden met een aanhangwagen . . . . . . . . . . . . 295
slepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 102, 104
Binnenaanzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
Binnenspiegel zelfdimmend . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 164
Binnenverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32
Biodiesel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 310
Bodem van de bagageruimte . . . . . . . . . . . . . . . 177
Boordcomputer zie Bestuurdersinformatiesysteem . . . . . . . . . . 37
Brandstof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58, 309 besparing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 213
brandstofmeter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125
diesel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 310
ethanol . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 309
tanken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 309
verbruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 334
Brandstof besparen inertiestand . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 210
Brandstofverbruik uitschakelen door inertie . . . . . . . . . . . . . . . . . 213
waarom neemt het verbruik toe? . . . . . . . . . . . 216
BSD zie Dodehoekhulp (BSD) . . . . . . . . . . . . . . . . . 250
BSD Plus . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 245
Buitenaanzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7, 8
Buitenantenne . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 299 Buitenspiegels
buiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 164
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
rijden met een aanhangwagen . . . . . . . . . . . . 290
Verwarmbare . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 164
Buitentemperatuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
C Camera Lane Assist . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 243
schoonmaken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 258, 302
Cd-rom-speler (navigatiesysteem) . . . . . . . . . . . 170
Centrale vergrendeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 132 alarmsysteem uitgeschakeld . . . . . . . . . . . . . . 142
Keyless Access . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 136
knop centrale vergrendeling . . . . . . . . . . . . . . 135
noodvergrendeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
ruitbediening . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 149
Schuif-/kanteldak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 149
sleutel met afstandsbediening . . . . . . . . . . . . 134
veiligheidsontgrendelen . . . . . . . . . . . . . . . . . 134
Verstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 135
Centrale wieldop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66
Cetaangetal (diesel) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 310
Claxon . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119
Climatronic . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 52
Comfortfunctie van de knipperlichten . . . . . . . . 154
Coming Home . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 156
Connectivity Box . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 130
Contact . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 191
Contactslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30, 191 zie Startknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 193
Controlelampjes bergafdaalhulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 221
dodehoekhulp (BSD) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 250
kogelkop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 291
snelheidsbegrenzer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 225 trekhaak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 289
uitparkeerhu
lp (RCTA) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 250
Cruisecontrol . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45, 224
Cruise control . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 224
Cruisecontrol bedienen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 225
waarschuwings- en controlelampje . . . . . . . . . 224
D
Dagteller terugzetten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 124
Dakbelasting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 180 technische gegevens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 180
Dakdrager . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 178
Dakdragersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 178 dwarsdragers bevestigen . . . . . . . . . . . . . . . . . 179
Dashboard . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
dashboardkastje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 170
De auto starten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
De batterij vervangen van de autosleutel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 141
Defecte lampen een lampje vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 110
De motor voorverwarmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 195
De voorairbag uitschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 91
De wagen slepen . . . . . . . . . . . . . . . . . 70, 102, 104 achterste sleepoog . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105
automatische versnellingsbak . . . . . . . . . . . . 104
bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 102, 104
met trekhaak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104
rijadviezen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106
Schakelbak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104
sleepkabel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104
trekhaak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104
verbod om te slepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104
vierwielaandrijving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104
voorste sleepoog . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105
349

Trefwoordenlijst
service-intervalindicatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44
w aar
s
chuwings- en controlelampjes . . . . . . . . 125
Interieurbewaking en wegsleepbeveiliging . . . . 144 activering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 143
Interieurverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 160
Interieurvoorverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 187 aansluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 187
actieradius van de afstandsbediening . . . . . . 189
activeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 189
bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 188, 190
elektrische verbruikers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 190
gebruiksaanwijzing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 190
Programmeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 189
Radiografische afstandsbediening . . . . . . . . . 188
uitschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 187
ISOFIX . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26, 28
ISOFIX-systeem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26, 28
J Juiste zithouding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76 bestuurder . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76
Bijrijder . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 77
passagiers achterin . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78
K
Katalysator . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 216 functiestoring . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 216
Keuzehendelvergrendeling . . . . . . . . . . . . . . . . . 205
Keuzehendel (automatische versnellingsbak) functiestoring . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 205
noodontgrendeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
standen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 204
Keyless-Entry zie Keyless Access . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 136
Keyless-Exit zie Keyless Access . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 136 Keyless Access
bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 140
de motor starten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 195
de wagen ontgrendelen en vergrendelen . . . . 136
Easy Open . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 136
Keyless-Entry . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 136
Keyless-Exit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 136
Press & Drive . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 193
Kickdown automatische versnellingsbak . . . . . . . . . . . . 208
Schakelbak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 257
Kilometerteller . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 124 gedeeltelijk . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
resetknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 124
totaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
Kinderslot elektrische ruitbediening . . . . . . . . . . . . . . . . . 148
Kinderzitjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24, 95 bevestiging met de veiligheidsgordel . . . . . . . 25
Indeling in klassen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95
ISOFIX-systeem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26
Top Tether-systeem . . . . . . . . . . . . . . . . 26, 29, 30
veiligheidsaanwijzingen . . . . . . . . . . . . . . . 24, 94
Kledinghaak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 171
Kleine Onderhoud Service . . . . . . . . . . . . . . . . . . 317
Knie-airbags veiligheidsaanwijzingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
Knipperlichthendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31, 154
Koelsysteem koelvloeistof bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 318
koelvloeistof controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . 318
koelvloeistoftemperatuurmeter . . . . . . . . . . . . 124
Koelvloeistof het peil controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 318
Kogeldruk . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 288 aanhangwagen beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . 294 Kogelkop
Contro lelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 291
elektrisch ontgrendelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 291
Koplampen een lampje vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 110
koplampsproeiers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 162
rijden in het buitenland . . . . . . . . . . . . . . . . . . 159
Koppeling (lampje) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 211
Krik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66, 99 steunpunten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68
Kunststofdelen: schoonmaken . . . . . . . . . 303, 304
L
Lak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 302 beschadigingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 303
code . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 333
verzorgen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 302
Lamp van mistlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 112
Lane assist zie Lane Assist . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 243
Lane Assist . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 243 gebied van de camera schoonmaken . . . . . . . 302
Launch-control (automatische versnellingsbak) 209
Leaving Home . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 157
Leer: conservering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 305
Lekke band handelingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64
Lendensteun . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 165
Licht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31, 153 akoestische waarschuwingen . . . . . . . . . . . . . 153
AUTO . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 154
binnenverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 160
bochtenlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 156
dagrijverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153
dimlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153
een lampje vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 110
Grootlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31, 153
352

Trefwoordenlijst
Verloop van de gordels Bij zw
an
gere vrouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . 20, 85
Veiligheidsgordels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20, 85
Vermoeidheidsherkenning . . . . . . . . . . . . . . . . . 261
Versnelling ingeschakeld . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
Versnellingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
Verstelbare bodem van de bagageruimte . . . . . 177
Vervoer van kinderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 93
Verwarming en frisse lucht . . . . . . . . . . . . . . . . . . 56
Vierwielaandrijving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 218 slepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104
sneeuwkettingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 218
winterbanden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 218
Vloeistofniveaus controleren motorruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 313
Vloermatten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 80
Voorairbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21, 89
Vóór elke rit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 75
Voorgloeisysteem Controlelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 217
Voorruit verwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 186
Voorruitverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 186
Voorverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 191
Vulhoeveelheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58 AdBlue-tank . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 311
brandstoftank . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125
ruitensproeiervloeistof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 320
W Waar moet u op letten voordat u gaat rijden? . . . 75
Waarschuwing noodremmen . . . . . . . . . . . . . . . . 158
Waarschuwings- en controlelampjes . . . . . 47, 125 afstandsbediening (interieurvoorverwarming) . .188
Airbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 91
airbagsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 92
ASR . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 202 automatische afstandsregeling . . . . . . . . . . . . 235
bandens
panningscontrolesysteem . . . . . . . . . 328
Dashboard . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49
Display van het instrumentenpaneel . . . . . . . . 48
elektro-mechanische stuurinrichting . . . . . . . 211
emissiecontrole . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 217
ESC . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 202
instrumentenpaneel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
Lane Assist . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 244
lichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153
motorregeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 217
rempedaal intrappen . . . . . . . . . . . . . . . 229, 235
roetfilter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 216
schakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 211
snelheidsregelsysteem (SRS) . . . . . . . . . . . . . 224
Start-stopsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 219
tanken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 308
van de gordel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81
voorgloeisysteem/motorstoring . . . . . . . . . . . 217
zoemer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125
Waarschuwingslampjes snelheidsbegrenzer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 225
Waarschuwingssymbolen zie Waarschuwings- en controlelampjes . . . . . 125
Waden door ondergelopen wegdelen . . . . . . . . . 217
Wagen chassisnummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 333
identificatienummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 333
omhoog brengen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68
ont- en vergrendelen met Keyless Access . . . . 136
sticker met wagengegevens . . . . . . . . . . . . . . 333
voornaamste kenmerken . . . . . . . . . . . . . . . . . 333
Wagenaccu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62, 320 beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 321
energiebeheer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
loskoppelen en aansluiten . . . . . . . . . . . 45, 320
starthulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71 verversen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 322
vulpei
l . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
winterse omstandigheden . . . . . . . . . . . . . . . . 320
Wagen beladen aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 294
Bagageruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
Bevestigingsogen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 175
dakdragersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 180
luik voor transport van lange voorwerpen . . . 174
Wagengereedschap . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66, 99
Wagen omhoogbrengen op de hefbrug . . . . . . . . 68
Wagen opkrikken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68
Wagen wassen bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 140
sensoren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 262
Wassen van de wagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 300
Wat beïnvloedt de rijveiligheid negatief? . . . . . . . 75
Weergave van verkeersborden op het instrumen- tenpaneel
activeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 260
uitschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 260
Wielbouten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 335 aantrekmoment . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 327
diefstalbeveiliging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 67
doppen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 67
losdraaien . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 67
Wieldop verwijderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 67
Wielen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 323, 335 centrale wieldop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66
nieuwe banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 325
noodreservewiel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 330
sneeuwkettingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 69
verwisselen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66, 68, 325
Wielsleutel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 99
Winterbanden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 331 vierwielaandrijving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 218
358