
Werkzaamheden aan de verlichting
Bij alle werkzaamheden aan de verlich‐
ting de betroffen lampen uitschakelen, anders
kan kortsluiting worden veroorzaakt.
Indien van toepassing de bijgevoegde ge‐
bruiksaanwijzing van de fabrikant van de lamp
beslist in acht nemen, om verwondingen en
beschadigingen bij het lampen vervangen te
voorkomen.◀
Lampen niet aanvatten
Het glas van nieuwe lampen niet met de
blote hand aanvatten, zelfs geringe verontreini‐
gingen kunnen zich inbranden en de levens‐
duur van de lamp verminderen.
Gebruik een schone doek, papieren zakdoek
o.i. d. of de lamp bij de fitting vastpakken.◀
Lichtdiode LED's
Bedieningsgedeelte, displays en andere interi‐
euruitrustingen van uw auto bezitten achter
een afdekking lichtdiodes als verlichting.
Deze zijn verwant aan conventionele lasers en
worden door de wetgever aangeduid als een
licht emitterende diode klasse 1.
Afdekkingen niet verwijderen
De afdekkingen niet verwijderen en niet
gedurende meerdere uren direct in de ongefil‐
terde straal kijken, omdat anders het netvlies
van het oog geïrriteerd kan raken.◀
KoplampenglasBij koel of vocht weer kan de buitenverlichting
beslaan. Bij het rijden met ingeschakeld licht
verdwijnt het condens na korte tijd. Het ko‐
plampenglas moet niet worden vervangen.
Als het condens in de koplampen ondanks rij‐
den met ingeschakeld licht niet verdwijnt, en
vormt zich steeds meer vocht, bijv. waterdrup‐
pels in de verlichting, deze door de service la‐
ten controleren.Koplampinstelling
Door het vervangen van gloeilampjes en lam‐
pen kunnen de afstellingen van de koplampen
worden beïnvloed. Daarom na het vervangen
de koplampinstelling door de Service laten
controleren en evt. laten corrigeren.
Xenonlicht
Overzicht1Stadslicht / Dagrijlicht2Dimlicht/grootlicht/lichtsignaal3Richtingaanwijzers
Op grond van de hoge levensduur van de lam‐
pen is de waarschijnlijkheid van een uitval zeer
gering. Vaak in- en uitschakelen verkort de le‐
vensduur.
Geen werkzaamheden/vervangen van de
lamp van het xenonlicht uitvoeren
Werkzaamheden aan de xenonlichtinstallatie
met inbegrip van het vervangen van de lamp
alleen door de servicedienst laten uitvoeren.
In verband met de hoogspanning bestaat bij
ondeskundig uitgevoerde werkzaamheden le‐
vensgevaar.◀
Algemene aanwijzingen, zie pagina 249, in
acht nemen.
Met Xenon-koplampen zijn de volgende lam‐
pen in LED-techniek uitgerust:
▷Stads- en parkeerlicht.▷Dagrijlicht.
Wendt u bij een defect tot de servicedienst.
Seite 250MobiliteitVervangen van onderdelen250
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15

Richtingaanwijzer, voor
Gloeilamp PY24W SV, 24 Watt1.Wiel naar buiten inslaan.2.Beide afsluitingen in de wielkast naar links
draaien en afdekking wegnemen.3.Lamphouder naar links draaien en wegne‐
men.4.Lamp naar rechts draaien, zie pijl, en ver‐
wijderen.5.Lamp vervangen en naar links op lamphou‐
der draaien.6.Lamphouder aanbrengen en naar rechts
draaien.7.Afdekking monteren.Achterlichten▷Mistachterlichten, remlicht: lamp H21W,
21 Watt▷Achteruitrijlamp: lamp W16W, 16 Watt1Buitenste remlicht/mistachterlicht2Achterlicht, LED3Binnenste remlicht4Achteruitrijlamp5Richtingaanwijzer, LED
De verlichting van de lampen 2 en 5 is uitge‐
voerd in LED-techniek.
Aanwijzingen betreffende lampen en verlich‐
tingen in acht nemen, zie pagina 249.
Wendt u bij een defect tot de servicedienst.
Achteruitrijlamp en binnenste remlicht vervangen
Vergrendeling in bagageruimte drukken, zie
pijl, en afdekking wegnemen.
Seite 251Vervangen van onderdelenMobiliteit251
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15

Binnenste remlicht
Lamphouder lostrekken en lamp vervangen.
Lamphouder bevestigen en afdekking aan‐
brengen.
Achteruitrijlamp
Lamphouder lostrekken en lamp vervangen.
Lamphouder bevestigen en afdekking aan‐
brengen.
Buitenste remlicht/mistachterlicht
vervangen1.Afdekking in bagageruimte wegnemen.2.Lamphouder lostrekken, zie pijl, en lamp
vervangen.3.Lamphouder bevestigen.4.Afdekking monteren.
Kentekenplaatverlichting, parkeer-/ achterlicht, middelste remlicht en
richtingaanwijzer
Deze zijn van LED-techniek voorzien.
Wendt u bij een defect tot de servicedienst.
Wiel verwisselen Opmerkingen
Uw voertuig is standaard uitgerust met banden
met noodloopeigenschappen, zie pagina 238.
Bij spanningsverlies in het geval van panne, is
het niet noodzakelijk om het wiel dadelijk te
verwisselen.
Voor uw eigen veiligheid bij de montage van
nieuwe banden of het vervangen van zomer-
Seite 252MobiliteitVervangen van onderdelen252
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15

door winterbanden of omgekeerd veiligheids‐
banden met noodloopeigenschappen gebrui‐
ken.
Ingeval van pech staat geen reservewiel ter be‐
schikking.
Passend gereedschap voor het verwisselen
van wielen vindt u als toebehoren bij uw servi‐
cedienst.
Kriksteunpunten
De kriksteunpunten bevinden zich achter de
afgebeelde posities.
Wielbouten met slot
1Wielbout voor adapter2Adapter, in het boordgereedschap
Verwijderen
1.Adapter 2 op de wielbout zetten.2.Wielbout 1 afschroeven.
Na het vastschroeven de adapter weer verwij‐
deren.
Accu
Onderhoud
De accu behoeft geen onderhoud, d.w.z. in het
algemeen volstaat de gevulde hoeveelheid
elektrolyt voor de levensduur van de accu.
Met uw vragen over de accu kunt u steeds te‐
recht bij uw servicedienst.
Vervangen van de accu Gebruik voor uw auto goedgekeurde ac‐
cu's.
Alleen accutypen gebruiken die door de fabri‐
kant van uw auto zijn goedgekeurd, anders kan
schade aan de auto optreden en zijn systemen
of functies niet of slechts beperkt beschik‐
baar.◀
De nieuwe auto-accu door uw servicedienst in
de auto laten aanmelden, zodat alle comfort‐
functies onbeperkt beschikbaar zijn.
Accu opladen
Opmerking Laadtoestel niet aansluiten op contact‐
doos
Acculaders niet aansluiten op de door fabriek
gemonteerde contactdozen in het voertuig,
kan dit leiden tot schade aan de auto.◀
Starthulp-steunpunten Uitsluitend met afgezette motor via de start‐
hulp-steunpunten, zie pagina 256, in de mo‐
torruimte laden.
Acculader Het gebruik van een acculader draagt ertoe bij
dat bijv. ook bij het frequent rijden van korte af‐
standen de accu voldoende geladen is. Speci‐
aal voor de auto ontwikkelde en op het boord‐
net afgestemde acculaders zijn bij verkrijgbaar
bij de service.Seite 253Vervangen van onderdelenMobiliteit253
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15

Stroomonderbreking
Na een stroomonderbreking van voorbijgaande
aard moeten enkele uitrustingen opnieuw wor‐
den geïnitialiseerd.
Individuele instellingen moeten opnieuw wor‐
den geactualiseerd:▷Stoel- en spiegelgeheugen: posities op‐
nieuw opslaan, zie pagina 49.▷Tijdsaanduiding: actualiseren, zie pa‐
gina 78.▷Datum: actualiseren, zie pagina 79.▷Radio zenders: opnieuw opslaan, zie pa‐
gina 164.▷Navigatiesysteem: wachten tot de naviga‐
tie bedrijfsklaar is.
Oude accu afvoeren
Oude accu's door de servicedienst la‐
ten afvoeren of op een verzamelpunt
afgeven.
Gevulde accu's moeten tijdens het vervoer en
de opslag rechtop staan. Tijdens het transport
tegen kantelen beveiligen.
Zekeringen Opmerkingen Zekeringen vervangen
Doorgebrande zekeringen nooit repare‐
ren of vervangen door een zekering met een
andere kleur of ampèrage, om te voorkomen
dat door overbelaste elektrische bedrading
brand in de auto ontstaat.◀
Een kunststof pincet bevindt zich aan de zeke‐
ring-relaiskast.
Informatie over de zekeringtoewijzing vindt u
op de binnenkant van de afdekking.
Onder het dashboardkastje1.Schroeven 1 met de schroevendraaier uit
het boordgereedschap losdraaien.2.Afdekking 2 verwijderen, evt. kabel naar de
beenruimteverlichting afwikkelen.3.Glanzende afsluiting 3 losmaken.4.Zekering-relaiskast 4 omlaagklappen en
naar voren trekken.
De afdekking wordt in omgekeerde volgorde
ingebouwd.
Seite 254MobiliteitVervangen van onderdelen254
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15

Het zogenaamde starthulp-aftakpunt in de mo‐
torruimte dient als accu-pluspool.
Als minpool dient de carrosseriemassa of een
speciale moer.
Startkabels aansluiten
1.Afdekkap van het BMW starthulp-aftak‐
punt verwijderen.2.Een poolklem van de plus-startkabel aan‐
sluiten op de pluspool van de accu of op
een overeenkomstig starthulp-aftakpunt
van de stroomleverende auto.3.Tweede poolklem op de pluspool van de
accu of een overeenkomstig starthulp-af‐
takpunt van de te starten auto bevestigen.4.Een poolklem van de min-startkabel aan‐
sluiten op de minpool van de accu of op de
overeenkomstige motor- of carrosserie‐
massa van de stroomleverende auto.5.Tweede poolklem op de minpool van de
accu of op de overeenkomstige motor- of
carrosseriemassa van de te starten auto
bevestigen.Motor starten
Voor het starten van de motor geen starts‐
prays gebruiken.1.Motor van de stroomleverende auto star‐
ten en enkele minuten met hoog stationair
toerental laten draaien.
Bij te starten auto met dieselmotor: motor
van de stroomleverende auto ca. 10 minu‐
ten laten lopen.2.Start de motor van de te starten auto zoals
gewoonlijk.
Als dit niet lukt, de startpoging pas na en‐
kele minuten herhalen, om de ontladen
accu in staat te stellen stroom op te ne‐
men.3.Beide motoren enkele minuten laten
draaien.4.Startkabels in omgekeerde volgorde weer
losmaken.
Zo nodig de accu laten controleren en opladen.
Slepen en wegslepen
Sport-Automatic-versnellingsbak:
transporteren van uw auto
Opmerking Uw auto mag niet worden aangesleepd.
Daarom in geval van nood contact opnemen
met de servicedienst.
Bij een pechgeval in acht nemen
De auto mag alleen op een laadvlak wor‐
den getransporteerd omdat anders beschadi‐
gen kunnen worden veroorzaakt.◀
Seite 257Hulp in geval van noodMobiliteit257
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15

Takelwagen
De auto niet opheffen
De auto niet aan het sleepoog of aan de‐
len van de carrosserie of het onderstel optake‐
len, omdat deze anders beschadigd kunnen ra‐
ken.◀
Voor ingeschroefde sleepoog alleen voor het
manoeuvreren gebruiken.
7-traps-sport-automatische
versnellingsbak
Auto met 7–versnelling-Sport-Automatic-ver‐
snellingsbak met dubbele koppeling kunnen
gedurende korte trajecten worden gesleept,
als de volgende aanwijzingen in acht worden
genomen.
Transmissieblokkering handmatig ontgrende‐
len, zie pagina 70.
Transmissieblokkering handmatig ont‐ grendelen
De transmissieblokkering handmatig ontgren‐
delen, ook als geen storing aan de transmissie
is opgetreden. Anders bestaat het gevaar dat
de transmissieblokkering tijdens het wegsle‐
pen automatisch wordt ingeschakeld.◀
Sleepsnelheid en -traject in acht nemen
Een sleepsnelheid van 50 km/h en een
sleeptraject van 50 km niet overschrijden, an‐
ders kan de transmissie beschadigd raken.◀
Bij geblokkeerde parkeerrem
Handmatige ontgrendeling van de par‐
keerrem is niet mogelijk.
Bij geblokkeerde parkeerrrem de auto niet met
opgetilde vooras wegslepen omdat de auto
dan beschadigd kan raken.
Contact opnemen met de servicedienst.◀
Aanwijzingen voor het slepen in acht ne‐
men
Alle aanwijzingen voor het slepen in acht ne‐
men, anders kan schade aan uw auto ontstaan
of kunnen ongevallen worden veroorzaakt.◀▷Zorg ervoor, dat het contact ingeschakeld
is, anders functioneren dimlicht, achterlich‐
ten, richtingaanwijzers en ruitenwissers
niet meer.▷De auto niet met opgeheven achteras weg‐
slepen, daardoor kan de stuurinrichting
gaan draaien.▷Bij niet-draaiende motor is geen rem- en
stuurbekrachtiging beschikbaar. Hierdoor
is voor het remmen en het sturen meer
kracht nodig.▷Grotere stuurbewegingen zijn vereist.▷De trekkende auto mag niet lichter zijn dan
de te slepen auto, anders kunt u de con‐
trole over de auto's verliezen.
De auto beveiligen tegen wegrijden
Na het afslepen de parkeerrem vastzet‐
ten en evt. de auto beveiligen tegen wegrijden.
Werking van de keuzehendelstand P laten con‐
troleren door de service.◀
Handgeschakelde versnellingsbak
Voor het wegslepen van uw auto het
volgende in acht nemen
Versnellingshendel in stationaire stand.
Weggesleept worden Bij geblokkeerde parkeerrem
Handmatige ontgrendeling van de par‐
keerrem is niet mogelijk.
Seite 258MobiliteitHulp in geval van nood258
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15

Bij geblokkeerde parkeerrrem de auto niet met
opgetilde vooras wegslepen omdat de auto
dan beschadigd kan raken.
Contact opnemen met de servicedienst.◀
Aanwijzingen voor het slepen in acht ne‐
men
Alle aanwijzingen voor het slepen in acht ne‐
men, anders kan schade aan uw auto ontstaan
of kunnen ongevallen worden veroorzaakt.◀▷Zorg ervoor, dat het contact ingeschakeld
is, anders functioneren dimlicht, achterlich‐
ten, richtingaanwijzers en ruitenwissers
niet meer.▷De auto niet met opgeheven achteras weg‐
slepen, daardoor kan de stuurinrichting
gaan draaien.▷Bij niet-draaiende motor is geen rem- en
stuurbekrachtiging beschikbaar. Hierdoor
is voor het remmen en het sturen meer
kracht nodig.▷Grotere stuurbewegingen zijn vereist.▷De trekkende auto mag niet lichter zijn dan
de te slepen auto, anders kunt u de con‐
trole over de auto's verliezen.
Takelwagen
Uw auto door een bergingswagen met een zo‐
genaamd hefplateau – lepel – of op een laad‐
platform laten vervoeren.
De auto niet opheffen
De auto niet aan het sleepoog of aan de‐
len van de carrosserie of het onderstel optake‐
len, omdat deze anders beschadigd kunnen ra‐
ken.◀
Slepen van andere auto's
Algemeen Licht trekkend voertuig
De trekkende auto mag niet lichter zijn
dan de te slepen auto, anders kunt u de con‐
trole over de auto's verliezen.◀
Sleepstang/wegsleepkabel correct be‐
vestigen
De sleepstang of wegsleepkabel aan de sleep‐
ogen bevestigen, omdat bij bevestiging aan
andere onderdelen van de auto beschadigin‐
gen kunnen optreden.◀▷Afhankelijk van de wettelijke bepalingen de
waarschuwingsknipperlichtinstallatie in‐
schakelen.▷Als de elektrische installatie is uitgevallen,
de weg te slepen auto herkenbaar maken
door bv. een bord of gevarendriehoek ach‐
ter de achterruit te plaatsen.
Sleepstang
De sleepogen moeten bij beide auto's aan de‐
zelfde zijde zitten.
Wanneer de sleepstang alleen schuin kan wor‐
den aangebracht moet op het volgende wor‐
den gelet:
▷Stuurhoek is bij het rijden in de bochten
beperkt.▷Door de schuine stand van de sleepstang
ontstaat zijdelings gerichte kracht.
Wegsleepkabel
Erop letten dat de wegsleepkabel bij het weg‐
rijden van de trekkende auto strak staat.
Seite 259Hulp in geval van noodMobiliteit259
Online Edition for Part no. 01 40 2 954 086 - II/15