Page 97 of 132

UW 206 CC IN DETAIL97
In de stand
"OFF"werkt de airbag
aan passagierszijde bij een eventu- ele aanrijding niet. Als u het kinderzitje heeft verwij- derd, zet dan de schakelaar weer op"ON" om de airbag opnieuw in te
schakelen en zo de veiligheid vanuw passagier te garanderen. Controle uitschakeling Het goed functioneren van het sys- teem wordt aangegeven door eenpictogram op het instrumentenpa-neel in combinatie met een melding
op het multifunctionele display.
Als bij aangezet contact(2e
stand), dit pictogram op
het instrumentenpaneelverschijnt in combinatie
met een melding op het multifunc-
tionele display, betekent dit dat deairbag aan passagierszijde is uit-geschakeld (stand "OFF"). ZIJ-AIRBAGS* Deze zijn aan de zijde van de por- tieren in de rugleuningen van devoor-stoelen aangebracht. Ze worden onafhankelijk van elkaar geactiveerd bij aanrijdingen vanopzij waarbij een kans bestaat opernstig letsel aan buik, borst ofhoofd.
Controle van werking
Het goed functioneren van het sys-teem wordt aangegeven door eenverklikkerlampje in het instrumenten-paneel. Het lampje gaat bij het aanzetten van het contact gedurende 6 secon-den branden. Als het verklikkerlampje:
Ð niet brandt na het aanzetten van het contact of,
Ð niet uitgaat na 6 seconden of,
Ð gedurende 5 minuten knippert en dan permanent brandt.
Dient u uw PEUGEOT-servicepunt te raadplegen.
* Volgens land van bestemming.
08-12-2003
Page 98 of 132

UW 206 CC IN DETAIL
98
Houd u aan de volgende veiligheidsvoorschriften voor een maximale effectiviteit van de airbags:
¥ Draag altijd een correct afgestelde veiligheidsgordel.
¥ Maak er een gewoonte van om normaal rechtop in de voorstoelen te zitten.
¥ Zorg dat er zich niets bevindt tussen de airbag en de inzittenden (kinderen, huisdieren, objecten...). Dit kan de goede werking van de airbag belemmeren en/of de inzittende bij het opblazen van de airbag verwonden.
¥ Het is beslist niet toegestaan om werkzaamheden uit te voeren aan airbagsystemen, alleen een PEUGEOT-servicepunt heeft hiervoor gekwalificeerd personeel.
¥ Laat na een aanrijding of diefstal van uw auto de airbagsystemen controleren. Airbags voor
¥ Houd het stuurwiel niet aan de spaken vast en laat uw handen niet op het stuurwielkussen rusten.
¥ Laat aan passagierszijde uw voeten niet op het dashboard rusten.
¥ Tracht roken in de auto zoveel mogelijk te vermijden. Als de airbag wordt opgeblazen, kunnen brandende sigaretten of een pijp brandwonden of ander letsel veroorzaken.
¥ Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen gaten in de stuurwielbekleding en sla er niet op. Zij-airbags*
¥ Bedek de voorstoelen alleen met goedgekeurde stoelhoezen. Raadpleeg uw PEUGEOT-servicepunt.
¥ Bevestig nooit iets aan de rugleuning van de voorstoelen, dit zou bij het afgaan van de airbags kunnen leiden tot ver- wondingen aan armen of middel.
¥ Ga niet onnodig dicht tegen het portierpaneel zitten.
* Volgens land van bestemming.
08-12-2003
Page 99 of 132
PRAKTISCHE INFORMATIE99
1.
Reservoir stuurbekrachtiging.
2. Reservoir ruiten- en koplampsproeiers*.
3. Reservoir koelvloeistof. 4.
Reservoir remvloeistof.
5. Accu.
6. Luchtfilter. 7.
Motoroliepeilstok.
8. Reservoir motorolie.
* Volgens land van bestemming.
1,6 LITER 16V BENZINEMOTOR (110 pk)
08-12-2003
Page 100 of 132
PRAKTISCHE INFORMATIE
100
08-12-2003
1.
Reservoir stuurbekrachtiging.
2. Reservoir ruiten- en koplampsproeiers*.
3. Reservoir koelvloeistof. 4.
Remvloeistofreservoir.
5. Accu.
6. Luchtfilter. 7.
Motoroliepeilstok.
8. Motorolie (bij) vullen.
* Volgens land van bestemming.
2 LITER 16V BENZINEMOTOR (138 pk)
Page 101 of 132

PRAKTISCHE INFORMATIE101
NIVEAUS CONTROLEREN Motorolieniveau
Regelmatig controleren en tus- sen twee verversingen eventueelolie bijvullen. (Maximum oliever-
bruik: 0,5 liter per 1 000 km).
De controle dient bij koude motor enhorizontaal geplaatste wagen tegeschieden, met behulp van de olie-niveaumeter in het instrumentenpa-neel of de oliepeilstok.
Oliepeilstok 2 merktekens op de peilstok: A=maxi.
Het oliepeil mag nooit boven dit merktekenuitkomen. B = mini.
Voor het behoud van de bedrijfszekerheid van de motoren en deemissieregelsystemenmogen in geen gevaladditieven aan de
motorolie worden toe-gevoegd.
Olie verversen
Volgens de aanwijzingen in de "PEUGEOT ONDERHOUDSCON-TROLES" .
Opmerking: Vermijd langdurig huid-
contact met afgewerkte olie. Keuze van de viscositeitgraad De olie dient in ieder geval aan de voorgeschreven kwaliteitsnormen tevoldoen. Niveau remvloeistof:
Ð Het niveau dient steeds tussen de
merktekens DANGER en MAXI van het reservoir te staan.
Ð Raadpleeg bij een sterke daling van het vloeistofniveau onmiddel-
lijk uw PEUGEOT-servicepunt.
Vervangen:
Ð De vloeistof dient volgens de voorgeschreven intervallen te worden ververst.
Ð Gebruik remvloeistof die door de constructeur wordt aanbevolen enaan de DOT4-normen voldoet.
Opmerking: Remvloeistof is een
erg bijtend middel. Vermijd elk con-tact met de huid. Koelvloeistofniveau Gebruik uitsluitend door de con- structeur aanbevolen koelvloeistof. Als de motor warm is, wordt de temperatuur van de koelvloeistof
geregeld door de koelventilator.
Wacht voor werkzaamheden aanhet koelsysteem ten minste 1 uurnadat de motor gedraaid heeft,omdat de koelventilator nog kan(gaan) werken als de sleutel uit hetcontactslot is verwijderd en hetkoelsysteem onder druk staat. Draai de dop eerst 2 omwentelingenlos om de druk te laten dalen en tevoorkomen dat de hete koelvloeistof
uit het koelsysteem spuit. Trek, alsde druk eenmaal gedaald is, de doplos en vul het systeem bij. Opmerking:
De koelvloeistof
behoeft niet te worden ververst. Afgewerkte producten Gooi geen afgewerkte olie, rem- vloeistof of koelvloeistof in het riool,in het water of op de grond. Vloeistofniveau stuurbekrachtiging Open het reservoir bij koude motor (omgevingstemperatuur),het vloeistofniveau dient bovenhet MINI en dichtbij het MAXImerkteken te staan.
Vloeistofniveau ruiten- en koplampsproeiers* Gebruik voor een optimale reiniging en voor uw eigen veiligheid uitslui-
tend door PEUGEOT aanbevolenproducten.
* Volgens land van bestemming.
08-12-2003
Page 102 of 132

PRAKTISCHE INFORMATIE
102
08-12-2003
CONTROLES Accu Laat uw accu voor de winter door
een PEUGEOT-servicepunt contro-leren. Luchtfilter en interieurfilter Laat de filters periodiek vervangen. Als de omgeving daartoe aanlei-ding geeft, moeten de filters tweekeer zo vaak worden vervangen. Remblokken De slijtage van de remblokken is sterk afhankelijk van de rijstijl,vooral bij stadsverkeer en veelkorte ritten. Hierdoor kan het noodzakelijk blij-
ken om de remblokken vaker, tus-
sen twee onderhoudscontroles door,te laten controleren. Handrem Als de handrem een te grote slag heeft of als het systeem mindergoed werkt, moet de handrem zelfstussen twee onderhoudscontrolesworden afgesteld. Laat het systeem controleren door
een PEUGEOT-servicepunt. Oliefilter
Vervang het oliefilterelement regelmatig, volgens het onder-houdsschema. Handgeschakelde versnellingsbak Niet verversen. Laat het niveau con- troleren volgens het onderhouds-
schema van de constructeur.Gebruik uitsluitend door PEUGEOT aanbevolenproducten
Om de werking van belangrijkeorganen als de stuurbekrachti-ging en het remsysteem te opti-maliseren, selecteert en biedtPEUGEOT specifieke productenaan.
Vermijd het schoonmaken van de motor om de elektrische syste-men niet te beschadigen.
Page 103 of 132

PRAKTISCHE INFORMATIE103
LEKKE BAND Deze auto heeft geen reservewiel, in plaats daarvan is in het ge•soleerdeopbergvak
1, dat met een riem aan
de rechterzijde van de bagageruim-te gemonteerd is, een reparatieset(2 spuitbussen) aangebracht voorhet tijdelijk repareren van de band. Gebruik van spuitbusbandenreparatie (Zie ook de instructies op de spuit- bussen).
Verwijder de oorzaak van de lekke band voor zover mogelijk en laatde band eventueel leeglopen.
Draai het wiel tot het ventielevenwijdig met de grond staat.
Schud de spuitbus goed voorgebruik (verwarm de spuitbusenkele minuten met uw handenals het erg koud is).
Bevestig de aansluiting van despuitbus recht op het ventiel.
Trek het ventiel tegen de randvan het ventielgat, houd gelijktij-dig de spuitbus verticaal en spuithem leeg.
Houd de spuitbus 1 minuut stevigop het ventiel gedrukt.
Maak de aansluiting los en maakonmiddellijk een rit van ten min-ste 5 km.
Controleer daarna indien moge-lijk de bandenspanning.
Rijd dan direct rustignaar de
dichtstbijzijnde garage.
De spuitbussen dienenslechts voor tijdelijkereparatie (maximumsnelheid 80 km/h).
Na gebruik van de spuitbussenmoet de band vervangen wor-den. De spuitbussen staan onderdruk, stel ze daarom niet blootaan temperaturen boven 50 ¡C. Bewaar de spuitbussen in het ge•soleerde opbergvak.
08-12-2003
Page 104 of 132

PRAKTISCHE INFORMATIE
104
08-12-2003
WIEL VERWISSELEN
Zet de auto op een horizontale, stabiele en stroeve ondergrond.
Trek de handrem aan, schakel de
eerste versnelling of de achteruitin (stand Pbij een automatische
transmissie) en zet het contact af.
Blokkeer het wiel kruislingstegenover het te verwisselen wielmet wielblok 2.
Gereedschap 1 - Wielsleutel bevestigd tegen het rechter binnenpaneel van debagageruimte.
2 - Wielblok in de hoes van de krik.
3 - Krik (in een hoes, die met tweeriemen aan het rechter zijpaneelin de bagageruimte is beves-tigd).
4 - Gereedschap om sierdoppen teverwijderen (in het rechter zijpa-neel van de bagageruimte). Wiel demonteren
Verwijder de wieldop door de wielsleutel 1in de opening voor het ventiel te
steken en de wieldop los te trekken.
Draai de wielbouten iets los (verwijder bij autoÕs met lichtmetalen velgen eerst de sierdoppen van de wielbouten; zie hiervoor "Lichtmetalen velgen" op devolgende bladzijde).
Plaats de krik 3in ŽŽn van de 4 daarvoor bestemde kriksteunen Abij het te
verwisselen wiel onder de auto. Controleer of het uiteinde van de krik over hetgehele oppervlak op de grond steunt.
Krik de auto op met 3.
Draai de wielbouten geheel los en verwijder het wiel.