
83
ISOFIX-bevestigingen
Als uw auto is uitgerust met ISOFIX-
bevestigingspunten worden deze met labels
aangegeven.
Elke zitplaats is voorzien van drie bevestigingsogen:Met de ISOFIX-bevestigingen kan een kinderzitje
veilig, degelijk en snel in uw auto worden
gemonteerd.
De ISOFIX-kinderzitjes beschikken over twee sloten
die eenvoudig aan de twee bevestigingsogen voor
kunnen worden verankerd.
Sommige kinderzitjes zijn bovendien voorzien van
een bovenste bevestigingsriem die kan worden
vastgemaakt aan het bevestigingsoog achter.
Om de bovenste bevestigingsriem vast te
maken moet u
eerst de hoofdsteun ver wijderen
en opbergen alvorens het kinderzitje op de
desbetreffende zitplaats aan te brengen (monteer
de hoofdsteun weer zodra het kinderzitje is
ver wijderd). Bevestig ver volgens de haak aan het
bevestigingsoog achter en trek de riem aan.
Uw auto voldoet aan de nieuwste ISOFIX-normen.
-
t
wee bevestigingsogen vóór, die zich tussen
de rugleuning en de zitting van de zitplaats
bevinden, aangegeven door een sticker, - é
én bevestigingsoog achter, voor de bevestiging
van de bovenste riem, de TOP TETHER-
bevestiging, aangegeven door een ander label. Onjuiste bevestiging van een kinderzitje brengt
de veiligheid van het kind in gevaar in geval
van een botsing.
Raadpleeg het overzicht voor de bevestiging
van ISOFIX-kinderzitjes in uw auto, waarin
staat vermeld welke ISOFIX-kinderzitjes in uw
auto kunnen worden geplaatst.
5
5
Veiligheid

84
I UF:Zitplaats geschikt voor het bevestigen van
een universeel gehomologeerd ISOFIX-
kinderzitje met het gezicht in de rijrichting
en een riem aan de bovenzijde, waarmee
het zitje wordt bevestigd aan het bovenste
bevestigingsoog van de zitplaatsen van de
auto met ISOFIX-bevestigingen. X:
Zitplaats niet geschikt voor het bevestigen
van een ISOFIX-kinderzitje voor de
aangegeven gewichtsklasse. Ver wijder de hoofdsteun en berg deze op
alvorens een kinderzitje met rugleuning te
bevestigen op een zitplaats.
Plaats de hoofdsteun terug zodra het
kinderzitje is verwijderd.
Tot 10
kg
(groep 0)
Tot ± 6 maanden
Tot 10 kg
(groep 0) < 13 kg
(groep 0+)
Tot ± 1 jaar
9 -18
kg
(g ro e p 1)
Van ca. 1 tot 3 jaar
Type ISOFIX-kinderzitje ReiswiegRug in de rijrichting Gezicht in de rijrichting
ISOFIX-lengtecategorie FG CD EC DAB1
Buitenste zitplaatsen achter 2e zitrij met individuele stoelen op 1e zitrij
IUFIUF IUF
Buitenste zitplaatsen achter 2e zitrij met 2-zitsbank op 1e zitrij
IUFXIUF X IUF
Overzicht van zitplaatsen geschikt voor ISOFIX-kinderzitjes
Overeenkomstig de Europese wetgeving geeft dit overzicht de mogelijkheden aan voor het bevestigen van een ISOFIX-kinderzitje op een plaats in de
auto voorzien van ISOFIX-bevestigingen.
Bij universele en semi-universele ISOFIX-kinderzitjes wordt de ISOFIX-lengtecategorie op het kinderzitje naast het ISOFIX-logo aangegeven met een
letter (A t /m G ).
Veiligheid

85
Instructies
De onjuiste bevestiging van een kinderzitje brengt
de veiligheid van het kind in gevaar in geval van
een botsing.
Controleer of er geen veiligheidsgordel of gesp
van de veiligheidsgordel onder het kinderzitje zit;
dat zou de stabiliteit van het zitje in gevaar kunnen
brengen.
Zorg er voor dat de veiligheidsgordels of het tuigje
van het kinderzitje, zelfs bij korte ritten, worden
vastgemaakt waarbij de speling ten opzichte van
het lichaam van het kind zoveel mogelijk moet
worden beperkt.
Zorg er bij het bevestigen van het kinderzitje met
de veiligheidsgordel voor dat de veiligheidsgordel
correct tegen het kinderzitje is gespannen en
dat de gordel het kinderzitje stevig op zijn plaats
houdt. Schuif de passagiersstoel, wanneer deze
versteld kan worden, indien nodig naar voren.
Laat bij de achterzitplaatsen altijd voldoende
ruimte tussen de voorstoel en:
-
h
et kinderzitje "met de rug in de rijrichting",
-
d
e voeten van het kind in het kinderzitje "met
het gezicht in de rijrichting".
Schuif daartoe de voorstoel naar voren en zet de
rugleuning ervan, indien nodig, rechter op.
Voor een optimale bevestiging van het
kinderzitje met "het gezicht in de rijrichting" is het
noodzakelijk dat de afstand tussen de rugleuning
van het kinderzitje en de rugleuning van de stoel
van de auto zo klein mogelijk is. Verwijder de hoofdsteun alvorens een
kinderzitje met een rugleuning te plaatsen op
een passagiersstoel.
Berg de hoofdsteun zorgvuldig op om te
voorkomen dat de hoofdsteun door de auto vliegt
bij krachtig afremmen. Plaats de hoofdsteun terug
zodra het kinderzitje is verwijderd.
Veiligheidsgordels vóór
De regelgeving met betrekking tot het ver voer van
kinderen op de passagiersstoel vóór is per land
verschillend. Raadpleeg de in uw land geldende
regelgeving.
Schakel de airbag vóór aan passagierszijde uit
zodra een kinderzitje met de rug in de rijrichting op
de voorpassagiersstoel wordt geplaatst.
Het kind kan anders bij het afgaan van de airbag
levensgevaarlijk gewond raken.
Plaatsen van een stoelverhoger
Het bovenste gedeelte van de veiligheidsgordel
moet over de schouder van het kind liggen zonder
de hals te raken.
Controleer of de heupgordel goed over de
bovenbenen van het kind ligt.
Er wordt aanbevolen een stoelverhoger met
rugleuning te gebruiken voorzien van een
gordelgeleider ter hoogte van de schouder.
Laat uit veiligheidsoverwegingen:
- g
een kinderen zonder toezicht achter in een
auto,
-
n
ooit een kind of een dier in een auto achter
wanneer alle ruiten gesloten zijn en de auto in
de zon staat,
-
d
e sleutels nooit binnen bereik van de
kinderen achter in de auto.
Gebruik de kindersloten om te voorkomen dat de
portieren en de portierruiten achter per ongeluk
geopend worden.
Zorg er voor dat de portierruiten achter niet verder
dan voor 1/3
deel geopend worden.
Plaats zonneschermen om uw jonge kinderen
tegen de zon te beschermen.
5
5
Veiligheid

172
Veiligheidsgordels
Vast maken
F Trek de gordel met een gelijkmatige beweging voor u langs en verzeker u er van dat deze niet
gedraaid is.
F
S
teek de gesp in de gordelsluiting.
F
T
rek kort en snel aan de gordel om de
automatische blokkering van de gesp te
controleren.
Losmaken
F Druk op de rode knop van de gordelsluiting. De veiligheidsgordel rolt automatisch op maar het
wordt aanbevolen de veiligheidsgordel met de
hand te geleiden ter wijl deze zich oprolt.
Gebruik de veiligheidsgordel slechts voor
1
persoon per zitplaats.
Kinderzitjes
Plaats geen kinderzitjes, zitverhogers of
reiswiegen op de achterste zitplaatsen van de
cabine.
De achterste zitplaatsen zijn alle voorzien van een
driepuntsgordel met een oprolautomaat.
Chassis cabine/Plateau
cabine
De chassis en plancher cabine-
uitvoeringen zijn voorzien van
een cabine, een vast plateau en
specifieke achterlichten.
Zie de desbetreffende rubrieken voor meer
informatie over deze voorzieningen.
Een lamp vervangen
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over de typen lampen .
Deze uitvoeringen zijn ook leverbaar met:
-
e
en dubbele cabine,
-
e
en kiepbak.
Specifieke kenmerken

177
Veiligheidsgordels
Vast maken
F Trek de gordel met een gelijkmatige beweging voor u langs en verzeker u er van dat deze niet
gedraaid is.
F
S
teek de gesp in de gordelsluiting.
F
T
rek kort en snel aan de gordel om de
automatische blokkering van de gesp te
controleren.
Losmaken
F Druk op de rode knop van de gordelsluiting. De veiligheidsgordel rolt automatisch op maar het
wordt aanbevolen de veiligheidsgordel met de
hand te geleiden ter wijl deze zich oprolt. Gebruik de veiligheidsgordel slechts voor
1
persoon per zitplaats.
Kinderzitjes
Plaats geen kinderzitjes, zitverhogers of
reiswiegen op de achterste zitplaatsen van de
cabine.
De achterste zitplaatsen zijn alle voorzien van een
driepuntsgordel met een oprolautomaat.
10
Specifieke kenmerken

186
Niveaus ..........................................................12 6 -128
Niveaus controleren ....................................... 12
6 -128
Noodremassistentie (BAS)
................................68-69
Menu
................................................
22, 4, 6, 9, 12, 14
Menustructuren display
.........................
4, 6, 9, 12, 14
Menu's (audio)
........................................................
4, 6
Middenconsole
........................................................... 4
M
istachterlicht
..........................................................
61
Mistlampen vóór
.......................................................
61
Motoren ............................................................ 157-15 8
Motorkap
.................................................................
125
Motorolie
.........................................................
126 -128
Motorolieniveaumeter
.........................................
18 -19
Motorruimte
............................................................
126Oliefilter (vervangen)
.............................................
12 9
Onderhoudscontroles
.........................................
18 -19
Onderhoudsindicator
..........................................
18 -19
Onderhoudsindicator resetten
...........................
18 -19
Opbergvak boven de voorruit ......................
52-54, 56
Opbergvakken
.................................................... 5
2-55
Openen motorkap
..................................................
125
Overzicht motoren
................................................. 15
8
Parkeerlichten
..........................................................
61
Parkeerrem
.................................... 1
1, 91-92, 129 -131
Plafonnier achter
......................................................
58
Plafonniers
...............................................................
58
Plafonnier voor
............................................. 5
2-54, 56
Radio
................................................................
4, 7, 2-3
Radiozender
........................................................
4, 2-3
Regelmatige controles
...................................
129, 131
Regeneratie roetfilter
.....................................
12 9 -13 0
Remblokken
.................................................... 1
2 9 -131
Remmen .................................................................
131
Remschijven ....................................................
12 9 -131
Remvloeistof ................................................... 12
6 -128
Reservewiel
.....................................................137-142
Richtingaanwijzers
............................................. 15
, 61
Rijadviezen
......................................................... 8
7- 8 9
Roetfilter
......................................................... 1
2 9 -13 0
Kinderzitjes
...................................................
74, 77, 85
Kleurendisplay
............................................................ 4
K
limaatregeling
..................................................
4
6 - 47
Koelvloeistof
...................................................
126 -128
Koelvloeistoftemperatuur
........................................
20
Koelvloeistoftemperatuurmeter ...............................20
Koelvloeistofniveau
.................................................. 20L
ampen (vervangen)
......................................
143 -14 4
Lane Departure Warning System (LDWS)
....
10 6 -107
Lendensteun ............................................................. 37
Lichtschakelaar
..................................................
15, 61
Lichtsignaal
..............................................................
61
Luchtfilter (vervangen)
...........................................
12 9
Jack-aansluiting
.....................................................
7, 4
Jack-kabel
.............................................................. 7,
4
Inhoud brandstoftank
.......................................
20, 116
Instellen van de uitrustingen
.............................
22, 27
Instrumentenpanelen
.................................................
7
Intelligente tractiecontrole
.......................................
71
Interieurfilter (vervangen)
......................................
12 9N
M
O
P
R
K
L
J
I
Trefwoordenregister