
Type 2
BELANGRIJK
53)Iedere verstelling van het stuurwiel mag
alleen worden uitgevoerd als het voertuig
stiltaat en de motor is uitgeschakeld.
54)Probeer het stuurwiel niet te verstellen
tijdens het rijden.
55)Het is strikt verboden aftermarket-
werkzaamheden uit te voeren waarbij
wijzigingen worden aangebracht aan de
stuurinrichting of stuurkolom (bijv. de
installatie van een diefstalbeveiliging).
Dergelijke handelingen kunnen de
prestaties en veiligheid van het systeem
beïnvloeden, de garantie ongeldig maken
en bovendien leiden tot het niet meer
voldoen van het voertuig aan de
typegoedkeuring.
BELANGRIJK
17)Verwijder de contactsleutel als het
voertuig wordt verlaten. In sommige landen
is het verboden om sleutels op
geparkeerde voertuigen achter te laten.
18)Als de motor tijdens het rijden afslaat,
open dan geen portieren en druk niet op de
vergrendelknop op de sleutel tot het
voertuig op een veilige plaats tot stilstand is
gekomen. Hierdoor zou het stuurwiel op
slot kunnen gaan, waardoor het onmogelijk
is het voertuig te besturen.
19)Neem de sleutel mee als u het voertuig
verlaat. Als uw voertuig gesleept moet
worden, voer dan de volgende handeling
uit om het stuurwiel te ontgrendelen: zet de
bedieningsmodus van voertuigen met een
handgeschakelde versnellingsbak op
"ACC" of "ON", en zet de bedieningsmodus
van voertuigen met een automatische
versnellingsbak op "ON".
ACHTERUITKIJK-
SPIEGELS
ACHTERUITKIJKSPIEGEL
56) 57) 58) 59)
Stel de achteruitkijkspiegel alleen af als
u de stoel hebt versteld, zodat u
duidelijk zicht naar achteren hebt.
Stel de achteruitkijkspiegel dusdanig af
dat hij u maximaal zicht door de
achterruit biedt.
61AHA107590
62AJA107381
45

De verticale stand van de spiegel
afstellen
De spiegel kan omhoog en omlaag
worden bewogen om de positie af te
stellen.
De stand van de spiegel afstellen
De spiegel kan omhoog/omlaag en
naar links/rechts worden bewogen om
de positie af te stellen.Verblinding verminderen
Type 1:De hendel (A) onderaan de
spiegel kan worden gebruikt om de
spiegel dusdanig af te stellen dat u zo
min mogelijk last hebt van verblinding
door de koplampen van voertuigen die
in het donker achter u rijden.
1. Normaal 2. Anti-verblinding
Type 2:Wanneer de koplampen van de
voertuigen achter u heel fel zijn, wordt
de reflectiefactor van de
achteruitkijkspiegel automatisch
veranderd om de verblinding te
beperken.Als de contactschakelaar of de
bedieningsmodus op "ON" wordt gezet,
wordt de reflectiefactor van de spiegel
automatische gewijzigd.
Opmerking Hang geen voorwerpen
aan, of spuit geen glasreiniger op de
sensor (1), want hierdoor kan de
gevoeligheid ervan worden beperkt.
BUITENSPIEGELS
De stand van de spiegel afstellen
56) 57) 58)
Handbediende buitenspiegels
Stel het spiegeloppervlak met de hand
af zoals aangegeven door de pijlen.
63AA0022369
64AA0108151
65AA0001425
66AA0094830
46
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG

Elektrische, afstandsbediende
buitenspiegels (waar aanwezig)
De elektrische, afstandsbediende
buitenspiegels kunnen worden bediend
als de contactschakelaar of de
bedieningsmodus in de stand "ON" of
"ACC" staat.
1. Zet de hendel (A) naar dezelfde kant
als de spiegel die moet worden
versteld.2. Druk de knop (B) naar links, rechts,
omhoog of omlaag om de stand van de
spiegel te verstellen.
3. Zet de hendel (A) weer in de
middelste stand.
De buitenspiegels in- en uitklappen
De buitenspiegel kan naar binnen
worden geklapt om schade tijdens het
parkeren op smalle plaatsen te
voorkomen.
20)
Voor voertuigen zonder
spiegelschakelaar
Klap de spiegel in door hem met de
hand naar de achterkant van het
voertuig te duwen. Klap de spiegel uit
door hem naar buiten, richting de
voorkant van het voertuig, te trekken tot
hij op zijn plaats vastklikt.
20)
Voor voertuigen met
spiegelschakelaar
Druk met de contactschakelaar of de
bedieningsmodus op "ON" of "ACC",
op de spiegelschakelaar om de
spiegels in te klappen.
Druk nogmaals op de spiegelschakelaar
om de spiegels weer in de
oorspronkelijke stand te zetten.
Als de contactschakelaar naar de stand
"LOCK" is gedraaid en de
bedieningsmodus op "OFF" is gezet, is
het gedurende ongeveer 30 seconden
onmogelijk de spiegels met de
spiegelschakelaar in of uit te klappen.
Opmerking Zorg ervoor dat uw handen
niet bekneld raken als de spiegel
beweegt.
67AHA105280
68AH3100434
69AHA104935
70AA0022398
47

Opmerking Als u de spiegel met de
hand verstelt of als de spiegel is
bewogen doordat u een persoon of
voorwerp hebt geraakt, kan de spiegel
mogelijk niet met de spiegelschakelaar
in de oorspronkelijke stand worden
teruggezet. Druk in dit geval op de
spiegelschakelaar om de spiegel in te
klappen en druk nogmaals op de
schakelaar om de spiegel in de
oorspronkelijke stand terug te zetten.
Opmerking Als het heeft gevroren en
de spiegels niet naar behoren werken,
druk dan niet herhaaldelijk op de
spiegelschakelaar. Hierdoor kunnen de
elektrische circuits van de motor van de
spiegel doorbranden.
De spiegels in- en uitklappen
zonder de spiegelschakelaar (waar
aanwezig)
Behalve voor voertuigen met
Keyless Entry- of Keyless
Operation-sleutel
De spiegels klappen automatisch uit als
het voertuig een snelheid van 30 km/u
bereikt.
Voertuigen met Keyless
Entry-sleutel
De spiegels klappen automatisch in of
uit als de portieren worden vergrendeld
of ontgrendeld met de knoppen op de
sleutel van het Keyless Entry-systeem.
Raadpleeg "Keyless Entry-systeem".Voertuigen met Keyless
Operation-sleutel
De spiegels klappen automatisch in of
uit als de portieren worden vergrendeld
of ontgrendeld met de knoppen op de
sleutel of de Keyless Operation-functie
van het Keyless Operation-systeem.
Raadpleeg "Keyless Entry-systeem".
Raadpleeg "Keyless Operation-
systeem: de Keyless Operation-functie
gebruiken".
De functies kunnen zoals hieronder
aangegeven, worden gewijzigd. Wendt
u tot het Fiat Servicenetwerk:
Automatisch uitklappen als het
bestuurdersportier wordt gesloten en
de volgende handeling wordt verricht. 1
— Behalve voor voertuigen uitgerust
met het Keyless Operation-systeem:
draai de contactschakelaar naar de
stand "ON" of "ACC".2—Voertuigen
uitgerust met het Keyless
Operation-systeem: zet de
bedieningsmodus op "ON" of "ACC".
Automatisch inklappen als de
contactschakelaar naar de stand
"LOCK" is gedraaid of als de
bedieningsmodus op "OFF" is gezet en
het bestuurdersportier wordt geopend.
Automatisch uitklappen als de
voertuigsnelheid 30 km/u behaalt (voor
voertuigen uitgerust met Keyless Entry-
of Keyless Operation-sleutel).
De automatische uitklapfunctie
uitschakelen.
Spiegelverwarming (waar aanwezig)
Druk op de
achterruitverwarmingsschakelaar om de
buitenspiegels te ontwasemen of
ontdooien.
Het indicatielampje (A) brandt, zolang
de achterruitverwarming aanstaat.
De verwarming schakelt na ongeveer
20 minuten automatisch uit, afhankelijk
van de buitentemperatuur.
Type 1
71AHA101396
48
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG

Type 2
Opmerking De spiegelverwarming kan
automatisch worden ingeschakeld.
Wendt u voor nadere informatie tot het
Fiat Servicenetwerk.
BELANGRIJK
56)De buitenspiegel is bolvormig; hierdoor
wordt de afstandswaarneming ietwat
vertekend. Bovendien is het spiegelglas
van de onderste spiegel bolvormig,
waardoor het gezichtsveld wordt vergroot.
Hierdoor lijkt de omvang van de
weerspiegelde objecten kleiner en ontstaat
de indruk dat deze objecten zich op grotere
afstand bevinden dan werkelijk het geval is.
57)Probeer de achteruitkijkspiegels niet te
verstellen tijdens het rijden. Dit kan
gevaarlijk zijn. Verstel de spiegels altijd
voordat u gaat rijden.58)Uw voertuig is uitgerust met bolle
spiegels. Vergeet niet dat de objecten die u
in de spiegel ziet, kleiner en verder weg
lijken dan met een normale platte spiegel.
Gebruik deze spiegel niet om de afstand
tussen naderende voertuigen in te
schatten, als u van rijstrook verandert.
59)Bestuur het voertuig niet met
ingeklapte spiegels. Het gebrek aan zicht
naar achteren dat normaal gesproken door
de spiegels wordt geboden, kan leiden tot
ongevallen.
BELANGRIJK
20)De spiegels kunnen met de hand
worden in- of uitgeklapt. Als de spiegel
echter met de spiegelschakelaar is
ingeklapt, moet de spiegel ook weer met de
schakelaar worden uitgeklapt, en niet met
de hand. Als u de spiegel met de
schakelaar inklapt en vervolgens met de
hand weer uitklapt, klikt de spiegel niet naar
behoren op zijn plaats vast. Daardoor zou
de spiegel tijdens het rijden door wind of
trillingen kunnen bewegen en het zicht naar
achteren kunnen belemmeren.
BUITENVERLICHTING
COMBINATIESCHAKELAAR
KOPLAMPEN EN
DIMLICHT
Koplampen
Opmerking Laat de lampen niet
langdurig branden als de motor is
afgezet (niet draait). Hierdoor kan de
accu leeglopen.
Opmerking Als het regent of als het
voertuig is gewassen, raakt de
binnenkant van de lens soms beslagen;
dit duidt niet op een slechte werking.
Als de lamp wordt ingeschakeld,
verdwijnt de condensatie door de
warmte. Als zich echter water in de
lamp verzamelt, raden we u aan de
lamp te laten nakijken.
Type 1
Draai de schakelaar om de lampen aan
te zetten.
72AA0110220
73AA0061221
49

OFF— alle lampen zijn uit
— positielichten, achterlampen,
kentekenplaat- en
instrumentenpaneelverlichting zijn aan
— koplampen en andere lampen
gaan aan
Type 2
Draai de schakelaar om de lampen aan
te zetten.
OFF— alle lampen zijn uit
AUTO— als de contactschakelaar of
de bedieningsmodus op "ON" staat,
gaan koplampen, positielichten,
achterlampen, kentekenplaat- en
instrumentenpaneelverlichting
automatisch aan en uit, naargelang de
lichtomstandigheden buiten. Alle
lampen gaan automatisch uit als de
contactschakelaar of de
bedieningsmodus op "OFF" wordt
gezet.
— positielichten, achterlampen,
kentekenplaat- en
instrumentenpaneelverlichting zijn aan
— koplampen en andere lampen
gaan aan
Opmerking De gevoeligheid van de
automatische in-/uitschakeling kan
worden aangepast. Neem voor meer
informatie contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
Opmerking Als de mistkoplampen
(indien aanwezig) aangaan als dat nodig
is, omdat de schakelaar in de stand
"AUTO" staat, gaan de lampen ook
automatisch weer uit als de
contactschakelaar of de
bedieningsmodus op "OFF" wordt
gezet.
Opmerking Als de koplampen zijn
uitgeschakeld door de automatische
in-/uitschakeling met de
contactschakelaar of de
bedieningsmodus in de stand "ON",
gaan de mistkoplampen (indien
aanwezig) en de mistachterlichten
(indien aanwezig) ook uit. Als de
koplampen daarna weer worden
ingeschakeld door de automatische
in-/uitschakeling, worden de
mistkoplampen ook ingeschakeld maar
blijven de mistachterlichten
uitgeschakeld. Als u het mistachterlicht
weer wilt inschakelen, dient u de
schakelaar opnieuw te bedienen.Opmerking Dek de sensor (A) voor de
automatische in-/uitschakeling niet af
door een sticker of label op de voorruit
te plakken.
Opmerking Bedien de schakelaar
handmatig en laat uw voertuig nakijken,
als de schakelaar in de stand "AUTO"
staat, maar de lampen niet aan- of
uitgaan.
74AA0071497
75AJZ101023
50
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG

Opmerking Als u de lampen uitschakelt
terwijl de koplampen op grootlicht
staan, schakelen de koplampen
automatisch terug naar dimlicht, als de
lampschakelaar weer in de stand
wordt gezet.
NIVELLERINGS-
KOPLAMPEN
(indien aanwezig)
62)
De hoek van de koplampen varieert
afhankelijk van de belading van het
voertuig. De nivelleringsschakelaar van
de koplampen kan worden gebruikt om
de verlichtingsafstand van de
koplampen aan te passen (als het
dimlicht aan is), zodat de koplampen de
bestuurders van naderende voertuigen
niet afleiden. Zet de schakelaar (onder
verwijzing naar de volgende tabel) op
de juiste stand, afgestemd op het
aantal passagiers en de belading van
het voertuig.Opmerking Zet de draaischakelaar voor
de afstelling van de koplampen eerst op
"0" (de hoogste stand).
Toestand voertuig — enkele cabine
Schakelaarstand 0 — alleen bestuurder.
Schakelaarstand 2 — bestuurder en
volledige belading.
Toestand voertuig — anderhalve en
dubbele cabine
Schakelaarstand 0 — alleen bestuurder.
Schakelaarstand 3 — bestuurder en
volledige belading (behalve voor
voertuigen met HID-koplampen en
banden van 16 inch).
Schakelaarstand 4 — bestuurder en
volledige belading (voertuigen met
HID-koplampen en banden van
16 inch).
HENDEL
RICHTINGAANWIJZERS
De richtingaanwijzers gaan knipperen
als de hendel wordt bediend (met de
contactschakelaar of de
bedieningsmodus op ON). Tegelijkertijd
knippert het indicatielampje van de
richtingaanwijzers.A — Richtingaanwijzers: gebruik voor
een normale afslag stand (A). De hendel
gaat automatisch terug als de afslag is
genomen.
B — Signalering voor een verandering
van rijstrook: als de hendel (B) zachtjes
wordt bewogen om van rijstrook te
veranderen, knipperen de
richtingaanwijzers en het indicatielampje
op het instrumentenpaneel alleen
zolang de hendel wordt bediend.
Bovendien knipperen de
richtingaanwijzers en het indicatielampje
op het instrumentenpaneel drie keer als
de hendel (B) zachtjes wordt
aangeraakt en gelijk weer wordt
losgelaten.
Opmerking Als de lamp ongebruikelijk
snel knippert, is de lamp in de
richtingaanwijzers mogelijk
doorgebrand. We raden u aan het
voertuig na te laten kijken.
77AHA105525
78AA0061205
52
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG
SCHAKELAAR

De volgende functies kunnen worden
geactiveerd:
Knipperen van de richtingaanwijzers
als de hendel wordt bediend met de
contactschakelaar of de
bedieningsmodus op "ACC".
Het 3 keer knipperen van de
richtingaanwijzers voor het veranderen
van rijstrook kan worden uitgeschakeld.
De tijd die nodig is om de hendel te
bedienen en de richtingaanwijzers drie
keer te laten knipperen, kan worden
aangepast.
Het geluid van het knipperen van de
richtingaanwijzers kan worden
gewijzigd. Wendt u voor nadere
informatie tot het Fiat Servicenetwerk.
SCHAKELAAR
ALARMKNIPPERLICHTEN
Gebruik de schakelaar van de
alarmknipperlichten als het voertuig in
een noodgeval op de weg moet worden
stilgezet. De alarmknipperlichten
kunnen altijd worden gebruikt,
ongeacht de stand van de
contactschakelaar of de
bedieningsmodus.
Druk op de schakelaar om de
alarmknipperlichten aan te zetten en
alle richtingaanwijzers gaan constant
knipperen. Druk nogmaals op de
schakelaar om de alarmknipperlichten
uit te zetten.Opmerking Op voertuigen uitgerust
met het noodremsysteem werkt het
noodremsysteem niet, zolang de
alarmknipperlichten knipperen doordat
de schakelaar handmatig is ingedrukt.
Raadpleeg "Noodremsysteem".
SCHAKELAAR
MISTLAMPEN
(indien aanwezig)
Schakelaar mistkoplampen
De mistkoplampen kunnen worden
bediend terwijl de koplampen of
achterlampen aan zijn. Draai de knop
naar "ON" om de mistkoplampen in te
schakelen. Een indicatielampje op het
instrumentenpaneel gaat ook branden.
Draai de knop naar "OFF" om de
mistkoplampen uit te schakelen. Zodra
u de knop loslaat, keert hij automatisch
terug naar de oorspronkelijke stand.Opmerking De mistkoplampen worden
automatisch uitgeschakeld als de
koplampen of achterlampen worden
uitgeschakeld. Draai de knop naar "ON"
om de mistkoplampen weer in te
schakelen, als de koplampen of
achterlampen weer zijn ingeschakeld.
Opmerking Gebruik mistlampen alleen
als het mist; anders kunnen de felle
lampen het tegemoetkomende verkeer
tijdelijk verblinden.
Schakelaar mistachterlicht
Het mistachterlicht kan worden bediend
terwijl de koplampen of de
mistkoplampen (indien aanwezig) aan
zijn. Een indicatielampje op het
instrumentenpaneel gaat branden als
het mistachterlicht wordt ingeschakeld.
Voertuig zonder mistkoplampen:
Draai de knop een keer naar "ON" om
het mistachterlicht in te schakelen.
Draai de knop eenmaal naar "OFF" om
het mistachterlicht uit te schakelen.
79AHA101383
80AG0004596
53