Page 65 of 161
Rijden
Veiligheidsvoorschriften . . . . . . . 64
Controlelijst . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66
Starten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66
Inrijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68
Motorfiets neerzetten . . . . . . . . . . 69
Tanken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71
Bandenspanningscontrole
RDC
SU
........................ 72
Remsysteem algemeen . . . . . . . . 73
Remsysteem met BMW
Motorrad Integral ABS . . . . . . . . . 73
563zRijden
Page 66 of 161

Veiligheidsvoorschrif-
tenMotorfietsaccessoiresGeen rit zonder de juiste kle-
ding! Draag altijdHelm
Beschermende kleding
Handschoenen
Laarzen
Dit geldt ook voor korte tra-
jecten en in welk jaargetijde
dan ook. Uw BMW Motor-
rad dealer kan u adviseren en
heeft voor elk gebruiksdoel de
correcte kleding.SnelheidBij het rijden met hoge snel-
heden kunnen verschillende
omstandigheden het rijgedrag
van de motorfiets negatief be-
ïnvloeden: Instelling van het veer- en
dempersysteem
Ongelijkmatig verdeelde ba-
gage
Losse kleding
Te lage bandenspanning
Slecht bandenprofiel
Etc.
Correct beladen
Overbelading en onge-
lijkmatige belading kan
de rijstabiliteit van de motor-
fiets beïnvloeden.
Het maximaal toelaatbaar to-
taalgewicht niet overschrijden
en de aanwijzingen voor het
beladen in acht nemen.
Alcohol en drugs
Reeds kleine hoeveel-
heden alcohol of drugs
kunnen uw waarnemings-,
beoordelings- en beslissings-
vermogen evenals uw reflexen
aanzienlijk beïnvloeden. Het gebruik van medicijnen kan
deze invloeden nog verder
versterken.
Niet rijden als u alcohol,
drugs en/of medicijnen hebt
gebruikt.
Kans op vergiftigingUitlaatgassen bevatten het
kleur- en geurloze maar gifti-
ge koolmonoxide.
Het inademen van uit-
laatgassen is schadelijk
voor de gezondheid en kan
tot bewusteloosheid of zelfs
de dood leiden.
Uitlaatgassen niet inademen.
De motor niet in een afgeslo-
ten ruimte laten draaien.Hoogspanning
Het aanraken van onder
spanning staande delen
van het ontstekingssysteem
564zRijden
Page 67 of 161

bij draaiende motor kan tot
elektrische schokken leiden.
Bij draaiende motor geen on-
derdelen van het ontstekings-
systeem aanraken.KatalysatorAls door het overslaan van de
motor onverbrande benzine in
de katalysator terechtkomt, is
er kans op oververhitting en
beschadiging.
Neem daarom de volgende
punten in acht:Benzinetank niet leegrijden
De motor nooit met een los-
getrokken bougiestekker
laten draaien
Als de motor afslaat, direct
het contact uitschakelen
Alleen loodvrije benzine tan-
ken
Altijd de voorgeschreven
onderhoudsbeurten aan-
houden Onverbrande benzine
beschadigt de katalysa-
tor onherstelbaar.
De aangegeven punten ter
bescherming van de katalysa-
tor in acht nemen.
BrandgevaarDe uitlaat kan zeer heet wor-
den.
Als licht ontvlambare
materialen (bijv. hooi,
bladeren, gras, kleding, ba-
gage enz.) met de hete uitlaat
in aanraking komen, dan kun-
nen deze vlam vatten.
Erop letten dat geen licht
ontvlambare materialen met
de hete uitlaat in contact
komen.
Als de motor langere tijd
stationair draait zonder
dat wordt gereden, is de koe-
ling ontoereikend en kan de
motor oververhit raken. In ex- treme gevallen kan de motor-
fiets in brand vliegen.
De motor niet onnodig sta-
tionair laten draaien. Na het
starten direct wegrijden.
Manipulatie van de
motorelektronica-
regeleenheid
Manipulatie van de
motorelektronica-
regeleenheid kan schade aan
de motorfiets en daarmee
ongevallen tot gevolg hebben.
De motorelektronica-rege-
leenheid niet manipuleren.
Manipulatie van de
motorelektronica-
regeleenheid kan
mechanische belastingen
tot gevolg hebben waarop
de onderdelen van de
motorfiets niet berekend
zijn. Bij schades die hierdoor
565zRijden
Page 68 of 161

veroorzaakt zijn, vervalt de
garantie.
De motorelektronica-
regeleenheid niet
manipuleren.ControlelijstGebruik de navolgende con-
trolelijst om voor elke rit be-
langrijke functies, instellingen
en slijtagegrenzen te contro-
leren.Remwerking
Remvloeistofpeil, voor en
achter
Werking van de koppeling
Koppelingsvloeistofpeil
Demperinstelling en veer-
voorspanning
Bandenspanning en profiel-
diepte
Veilige bevestiging van de
koffer en bagage
Met regelmatige tussenpozen: Motoroliepeil (bij iedere
tankstop)
Slijtage remblokken (bij elke
derde tankstop)
StartenZijstandaardBij een uitgeklapte zijstan-
daard en een ingeschakelde
versnelling kan de motor niet
worden gestart. Als de mo-
tor in de neutraalstand wordt
gestart en als vervolgens bij
uitgeklapte zijstandaard een
versnelling wordt ingescha-
keld, slaat de motor af.VersnellingsbakDe motor kan in de neutraal-
stand of met ingeschakelde
versnelling met bediende kop-
peling worden gestart. De
koppeling pas bedienen na
het inschakelen van het con-
tact, anders kan de motor niet
worden gestart. In de neu-traalstand brandt de contro-
lelamp voor de neutraalstand
groen en geeft de versnel-
lingsindicatie op het multi-
functioneel display N aan.
Motor startenNoodstopschakelaar
1in
bedrijfsstand A.
Contact inschakelen
Pre-Ride-Check wordt uit-
gevoerd. ( 67)
ABS-zelfdiagnose wordt uit-
gevoerd ( 67)
566zRijden
Page 69 of 161

Startknop1bedienen.
Bij zeer lage buitentem-
peraturen kan het nodig
zijn om de gashendel bij het
starten te bedienen. Bij tem-
peraturen lager dan 0 °C na
het inschakelen van het con-
tact de koppeling bedienen.
Bij onvoldoende accu-
spanning wordt de start-
procedure automatisch afge-
broken. Voor verdere start-
pogingen de accu opladen of
starthulp laten geven.
De motor slaat aan. Als de motor niet aanslaat,
kan de storingstabel uit-
komst bieden. ( 130)
Pre-Ride-CheckNa het inschakelen van het
contact voert het instrumen-
tenpaneel een test uit van
de algemene waarschu-
wingslamp. Hierbij brandt
de waarschuwingslamp
ter controle eerst rood en
vervolgens geel. Deze test,
genaamd "Pre-Ride-Check",
wordt weergegeven door
de melding
CHECK!
op het
display. Als de motor tijdens
de controle wordt gestart,
wordt de controle afgebroken.
Fase 1:
Waarschuwingslamp al-
gemeen brandt rood.
Melding
CHECK!
wordt
weergegeven. Fase 2:
Waarschuwingslamp al-
gemeen brandt geel.
Melding
CHECK!
wordt
weergegeven.
Als de algemene waarschu-
wingslamp niet gaat branden:
Als het algemene waar-
schuwingslampje niet
gaat branden, kunnen enkele
functiestoringen niet worden
weergegeven.
Letten op het algemene waar-
schuwingslampje in rood en
geel.
Storingen zo snel mogelijk
door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad dealer.
ABS-zelfdiagnoseDe juiste werking van het
BMW Motorrad Integral ABS
wordt door de zelfdiagnose
gecontroleerd. De zelfdiagno-
567zRijden
Page 70 of 161

se vindt automatisch plaats
na het inschakelen van het
contact. Voor het controleren
van de wielsensoren moet de
motorfiets sneller rijden dan
5 km/h.
Fase 1:Controle van de systeem-
componenten bij stilstand. Waarschuwingslamp
ABS knippert
Mogelijke landvarianten
van de waarschuwings-
lamp ABS.
Fase 2:
Controle van de wielsenso-
ren bij het wegrijden. Waarschuwingslamp
ABS knippert
Mogelijke landvarianten
van de waarschuwings-
lamp ABS. ABS-zelfdiagnose
afgesloten.
De ABS-waarschuwingslamp
dooft.
Indien na het afsluiten van de
ABS-zelfdiagnose een ABS-
storing wordt weergegeven:
Verder rijden mogelijk.
Houd er rekening mee dat
geen ABS-of Integralfunctie
ter beschikking staat.
Storingen zo snel mogelijk
door een specialist laten
verhelpen, bij voorkeur een
BMW Motorrad dealer.
InrijdenDe eerste 1000 kmTijdens de inrijperiode veel-
vuldig met wisselende be-
lasting en toerentallen rij-
den.
Kies indien mogelijk bochti-
ge en licht geaccidenteerde wegen, bij voorkeur geen
autosnelwegen.
Het overschrijden van de
inrijtoerentallen verhoogt
de motorslijtage.
De voorgeschreven inrijtoe-
rentallen aanhouden.
Inrijtoerentallen niet over-
schrijden.
Inrijtoerentallen
<7000 min
-1
Niet voluit accelereren.
Bij volle belasting lage toe-
rentallen vermijden.
Na 500 - 1200 km de eerste
inspectie laten uitvoeren.RemblokkenNieuwe remblokken moe-
ten "inlopen" en leveren dan
ook tijdens de eerste 500 km
nog niet de optimale remver-
traging. De iets geringere
568zRijden
Page 71 of 161

remvertraging kan door het
krachtiger bedienen van rem-
hendel en -pedaal worden ge-
compenseerd.Nieuwe remblokken kun-
nen de remweg aanzien-
lijk verlengen.
Vroeg remmen.BandenNieuwe banden hebben een
glad oppervlak. Zij moeten
dan ook met een beheerste
rijstijl door het inrijden met
wisselende overhellingshoe-
ken worden ingereden. Pas
na het inrijden is de volledige
grip van het loopvlak bereikt.
Nieuwe banden hebben
nog niet de volle grip,
bij extreme scheefstanden
bestaat ongevalsgevaar.
Extreme scheefstanden
vermijden.
Motorfiets neerzettenOp de zijstandaard
plaatsen
Op een losse onder-
grond staat de motorfiets
niet veilig.
De standaard moet altijd op
een vlakke en vaste onder-
grond rusten.
Motor uitschakelen.
Remhendel bedienen.
De motorfiets recht zetten
en in balans brengen.
De zijstandaard met de lin-
kervoet tot de aanslag opzij
klappen. De zijstandaard is alleen
voor het gewicht van de
motorfiets geconstrueerd.
Bij een uitgeklapte zijstan-
daard niet op de motorfiets
plaatsnemen.
De motorfiets langzaam op
de standaard laten zakken, daarbij de motorfiets ontlas-
ten en aan de linkerzijde van
de motorfiets afstappen.
Als de motorfiets op de
zijstandaard staat, is het
van de ondergrond afhankelijk
of het stuur naar links of naar
rechts wordt gedraaid. Op
een horizontale ondergrond
staat de motorfiets echter sta-
bieler als het stuur tegen de
linker aanslag staat in plaats
van tegen de rechter aanslag.
Op een horizontale onder-
grond het stuur altijd tegen de
linker aanslag draaien om het
stuurslot te vergrendelen.
Stuur tot de aanslag geheel
naar links of rechts draaien.
Controleren of de motorfiets
stevig staat. De motorfiets op hellin-
gen in de richting "berg-
opwaarts" neerzetten en de
1e versnelling inschakelen.
569zRijden
Page 72 of 161

Stuurslot vergrendelen.Van de zijstandaard
afhalenStuurslot ontgrendelen.
Van links het stuur met bei-
de handen vastpakken.
Remhendel bedienen.
Het rechterbeen over de
motorfiets zwaaien, daar-
bij de motorfiets rechtop
zetten.
De motorfiets recht zetten
en in balans brengen.Een uitgeklapte zijstan-
daard kan bij een rijden-
de motorfiets aan de onder-
grond blijven haken en u ten
val brengen.
Zijstandaard inklappen,
voordat de motorfiets wordt
verplaatst.
Gaan zitten en de zijstan-
daard met de linkervoet te-
rugklappen.
Op de middenstandaard
zetten
OAOp een losse onder-
grond staat de motorfiets
niet veilig.
De standaard moet altijd op
een vlakke en vaste onder-
grond rusten.
Motor uitschakelen.
Afstappen en daarbij met de
linkerhand het linker hand-
vat vasthouden.
Met de rechterhand de
handgreep voor de pas-
sagier of het achterframe
vastpakken.
De rechtervoet op de uitzet-
ter van de middenstandaard
plaatsen en de middenstan-
daard zo ver naar beneden
drukken, dat de afrolsleden
de grond raken.
Met uw volle gewicht op
de middenstandaard gaan
staan en tegelijkertijd de motorfiets naar achteren
trekken.
De middenstandaard kan
door te sterke bewegin-
gen inklappen, waardoor de
motorfiets kan omvallen.
Niet op de motorfiets plaats-
nemen als de middenstan-
daard uitgeklapt is.
Controleren of de motorfiets
stevig staat.
Stuurslot vergrendelen.
Van de middenstandaard
duwen
OA
Stuurslot ontgrendelen.
Met de linkerhand het linker
handvat vasthouden.
Met de rechterhand de
handgreep voor de pas-
sagier of het achterframe
vastpakken.
De motorfiets naar voren
van de middenstandaard
afduwen.
570zRijden