Page 57 of 161
Buddyseat via de vergren-
deling krachtig omlaag
drukken.
De buddyseat vergrendelt
hoorbaar.
HelmhaakHelmhaak onder de
buddyseatOnder de buddyseat bevin-
den zich de helmhaken1
en 2.
Aan de helmhaken 1kan een
motorhelm met de kinband
worden bevestigd. Als er
koffers zijn gemonteerd of
wanneer de kinband te kort
is, dan kan een motorhelm
m.b.v. een staalkabel aan
de helmhaak 2worden
bevestigd.
Helmhaak gebruikenDe motorfiets neerzetten en
erop letten dat de onder-
grond vlak en stevig is.
Buddyseat verwijderen.
( 53)
De kinbandsluiting kan
de bekleding beschadi-
gen.
Bij het inhangen op de positie
van het helmslot letten.
De helm met behulp van de
als accessoire verkrijgbare
stalen kabel aan helmhaak 2
hangen.
455zBediening
Page 58 of 161
Aan de rechterzijde van
de motorfiets kan de
helm worden beschadigd
door de hitte van de uitlaat-
demper.
De helm alleen aan de lin-
kerzijde van de motorfiets
bevestigen.
Staalkabel door de helm
trekken en aan de haak 2
hangen.
Een geschikte staalka-
bel is verkrijgbaar bij uw
BMW Motorrad dealer
BagagelussenBagagelussen onder de
buddyseatAan de onderzijde van de
buddyseat bevinden zich de
lussen 1ter bevestiging van
bagagebanden. In combi-
natie met de ogen 2aan de
handgrepen kan bagage op
de duo-buddyseat worden
vastgezet.Bagagelussen gebruikenDe motorfiets neerzetten en
erop letten dat de onder-
grond vlak en stevig is. Buddyseat verwijderen.
( 53)
Buddyseat omdraaien.
Lussen
1uit de bevesti-
ging 3trekken
In de lussen kunnen baga-
gebanden worden beves-
tigd.
456zBediening
Page 59 of 161

SpiegelsSpiegel verstellenSpiegel door licht drukken
op de betreffende hoek in
de gewenste stand bren-
gen.VeervoorspanningVeervoorspanning en
gewichtDe veervoorspanning moet
aan de belading van de mo-
torfiets worden aangepast.
Een verhoging van de bela-
ding vereist een verhogingvan de veervoorspanning,
minder gewicht een overeen-
komstig lagere veervoorspan-
ning.
Veervoorspanning
achterwiel instellen
Niet optimale instellingen
van de veervoorspanning
en demping verslechteren het
rijgedrag van uw motorfiets.
Demping van de veervoor-
spanning aanpassen.
Het instellen van de
veervoorspanning tijdens
het rijden kan tot ongevallen
leiden.
De veervoorspanning alleen
instellen als de motorfiets
stilstaat.
De motorfiets neerzetten en
erop letten dat de onder-
grond vlak en stevig is. Om de veervoorspanning
te verhogen, handwiel
1in
de richting van de pijl HIGH
draaien.
Om de veervoorspanning
te verlagen, handwiel 1in
de richting van de pijl LOW
draaien.
Één klik komt overeen
met een halve omwente-
ling van de draaiknop. Het
instelbereik omvat 15 hele
omwentelingen.
457zBediening
Page 60 of 161

Veervoorspanning -
basisinstelling
De draaiknop tot de aan-
slag in de richting van pijl
LOW en vervolgens 15
klikken in de richting van
pijl HIGH draaien (volle
tank, met berijder 85 kg)
SchokdemperDemping en
veervoorspanningDe demping moet aan de
veervoorspanning worden
aangepast. Een verhoging
van de veervoorspanning ver-
eist een stuggere demping,
een verlaging van de veer-
voorspanning een zachtere
demping.
Schokdemper van het
achterwiel instellen
Niet optimale instellingen
van de veervoorspanning
en demping verslechteren het
rijgedrag van uw motorfiets.
Demping van de veervoor-
spanning aanpassen.
De motorfiets neerzetten en
erop letten dat de onder-
grond vlak en stevig is.
Schokdemper achter instel-
len door de stelschroef 1
met een schroevendraaier
te verdraaien. Voor een stuggere dem-
ping, stelschroef
1in de
richting van pijl H draaien
Voor een soepele demping,
stelschroef 1in de richting
van pijl S draaien.
Het instelbereik omvat
drieëneenhalve omwen-
telingen van de stelschroef.
458zBediening
Page 61 of 161
Achterwieldemping -
basisafstelling
De stelschroef tot de aan-
slag in de richting van pijl
H en vervolgens ander-
halve omwenteling in de
richting van pijl S draai-
en (Sologebruik met een
persoon 85 kg)
Elektronische
demperinstelling
ESA
SU
InstellingenMet behulp van de elektro-
nische demperinstelling ESA
kunt u uw motorfiets op com-
fortabele wijze aanpassen aan
de verschillende rijomstandig-
heden. Drie veervoorspan-
ningen kunnen met drie dem-
perinstellingen worden ge-
combineerd, om de motorfiets
optimaal aan de belading en
de ondergrond aan te passen.
De demperinstelling wordt op het multifunctioneel display
bij
1aangegeven, de veer-
voorspanning bij 2.
Gedurende de ESA-weergave
wordt de weergave van de
kilometerteller gedoofd.
Instelling oproepenContact inschakelen
Toets 1bedienen.
De actuele instelling wordt
weergegeven.
De melding verdwijnt na en-
kele seconden automatisch.
459zBediening
Page 62 of 161
Demping instellenContact inschakelenDe demping kan tijdens
het rijden worden
ingesteld.
Toets 1bedienen.
Actuele instelling wordt
weergegeven.
Toets 1steeds eenmaal kort
bedienen.
Uitgaande van de actuele
stand worden achtereenvol-
gens aangegeven:COMF
comfortabele dem-
ping
NORM
normale demping
SPORT
sportieve demping
Wordt de toets 1langere
tijd niet meer bediend, dan
wordt de demping zoals
aangegeven ingesteld. Tij-
dens het instellen knippert
de weergave.
Veervoorspanning
instellenMotor starten.
De veervoorspanning
kan niet tijdens het rijden
worden ingesteld. Toets
1bedienen.
Actuele instelling wordt
weergegeven.
Toets 1ingedrukt houden,
tot de aanduiding verandert.
Uitgaande van de actuele
stand worden achtereenvol-
gens aangegeven: Solo
Solo met bagage
Met passagier (en baga-
ge)
460zBediening
Page 63 of 161

Wordt de toets1langere
tijd niet meer bediend, dan
wordt de veervoorspanning
zoals aangegeven ingesteld.
Tijdens het instellen knip-
pert de weergave.BandenBandenspanning
controleren
Een onjuiste banden-
spanning verslechtert de
rij-eigenschappen van de mo-
torfiets en kan ongevallen tot
gevolg hebben.
Zorg voor een correcte
bandenspanning.
Een ventiel heeft de nei-
ging om bij hoge snel-
heden door de centrifugaal-
kracht vanzelf open te gaan.
Om plotseling verlies van de
bandenspanning te voorko-
men, op het achterwiel een
metalen dopje met rubberaf- dichtring gebruiken en goed
vastdraaien.
Verkeerde bandenspan-
ning vermindert de le-
vensduur van de banden.
Zorg voor een correcte
bandenspanning.
De correcte bandenspan-
ning aan de hand van de
volgende gegevens contro-
leren.
Bandenspanning, voor
2,5 bar (Rijden zonder
passagier, bij koude ban-
den)
2,5 bar (Rijden met duo-
passagier en/of bagage,
bij koude banden) Bandenspanning, ach-
ter
2,9 bar (Rijden zonder
passagier, bij koude ban-
den)
2,9 bar (Rijden met duo-
passagier en/of bagage,
bij koude banden)
Als de bandenspanning te
laag is: Bandenspanning corrigeren.
461zBediening
Page 64 of 161