
Verzorging en onderhoud
gewreven kunnen worden. Stoomreinigers
mog en niet
w
orden gebruikt, omdat door de
stoom de verontreiniging dieper in het textiel
dringt en wordt vastgezet.
Normaal schoonmaken
In het algemeen raden wij aan voor het
schoonmaken een zachte spons of een uni-
versele niet-pluizende microvezeldoek te ge-
bruiken. Alleen vloerbedekking en vloermat-
ten mogen met borstels worden gereinigd
aangezien andere textiele oppervlakken door
de borstel kunnen worden beschadigd.
Bij oppervlakkige algemene verontreinigin-
gen kan met een universeel schuimschoon-
maakmiddel worden schoongemaakt. Het
schuim wordt met een zachte spons op het
oppervlak van textiel verdeeld en licht inge-
wreven. Het doornat maken van het textiel
moet echter worden voorkomen. Aansluitend
wordt het schuim met absorberende, droge
doeken (bijv. microvezeldoeken) afgedept en
nadat het schuim volledig is gedroogd, weg-
gezogen.
Vlekken verwijderen
Vlekken van dranken (koffie, vruchtensap
enz.) kunnen met een fijnwasmiddel-oplos-
sing worden behandeld. Deze oplossing
wordt aangebracht met een spons. Bij hard-
nekkige vlekken kan een waspasta direct op
de plaats van de vlek worden aangebracht en
ingewreven. Daarna is een nabehandeling met schoon water noodzakelijk om de was-
middelre
sten te verwijderen. Daartoe wordt
water met een vochtige doek of een spons
aangebracht en met absorberende droge
doeken afgedept.
Vlekken van chocolade of make-up worden
met een waspasta (bijv. ossengalzeep) inge-
wreven. Daarna wordt de zeep met water
(vochtige spons) verwijderd.
Voor de behandeling van vet, olie, lippenstift
of balpeninkt kan spiritus worden gebruikt.
Opgeloste vet- of kleurstofdeeltjes moeten
met absorberend materiaal worden afgedept.
Eventueel kan een nabehandeling met een
waspasta en water noodzakelijk zijn.
Bij sterke vervuiling van de bekleding advise-
ren wij u een gespecialiseerd bedrijf in te
schakelen om de bekleding en delen van tex-
tiel te laten reinigen met shampoo en be-
sproeiing. Let op
Open klittenbandsluitingen aan uw kleding
ku nnen de s
toelbekleding beschadigen. Zorg
ervoor dat ze gesloten zijn. Echt leer
Algemeen
W
ij b
ieden
veel verschillende leersoorten
aan. Hierbij gaat het in eerste instantie om verschillende nappa-uitvoeringen (leer met
een glad op
pervlak en met verschillende
kleurnuances).
Het uiterlijk en de hoedanigheid van het leer
worden bepaald door de intensiteit van het
verfgebruik. Als het oppervlak nog een ty-
pisch natuurlijke uitstraling heeft, hebben we
te maken met ongeprepareerd nappaleer, dat
een uitgesproken goed zitcomfort biedt. Fijne
adertjes, aaneengesloten poriën, putjes van
insectenbeten, plooien en een licht wolkach-
tige nuance in de kleuren blijven zichtbaar en
vormen het bewijs van echtheid van dit na-
tuurlijke materiaal.
Ongeprepareerd nappaleer heeft geen dek-
kende verflaag. Daarom is het gevoeliger dan
andere soorten leer. en kunnen er door kin-
deren, dieren of andere invloeden eventueel
slijtageplekken ontstaan.
Leersoorten met een min of meer dekkende
verflaag zijn daarentegen sterker. Hierdoor
slijt het leer in het dagelijks gebruik minder
snel. De typisch natuurlijke eigenschappen
zijn dan nauwelijks of niet meer herkenbaar,
wat echter geen invloed op de leerkwaliteit
zelf heeft.
Onderhoud en verzorging
Vanwege de exclusiviteit van de gebruikte
leersoorten en de karakteristieke eigen-
schappen (zoals gevoeligheid voor olie, vet
en vervuiling) moet het leer voorzichtig »
305
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Aanwijzingen
worden behandeld, zowel bij het dagelijks
g e
bruik
als bij het uitvoeren van onder-
houdswerkzaamheden. Donkere kleding, in
het bijzonder als deze vochtig is of met niet
zo goede verf is behandeld, kan bijvoorbeeld
afgeven op de leren stoelen. Stof en vuildeel-
tjes in poriën, plooien en naden kunnen
schuren en het oppervlak beschadigen. Het
leer moet daarom regelmatig en afhankelijk
van het gebruik worden verzorgd. Nadat u ze
langer hebt gebruikt, krijgen uw leren stoelen
een heel eigen, uniek uiterlijk. Dat is kenmer-
kend voor het natuurproduct dat leer is en is
tevens het bewijs van echte kwaliteit.
Let op de volgende aanwijzingen voor het be-
houd van waarde van natuurlijk materiaal ge-
durende de gehele gebruiksperiode: VOORZICHTIG
● Voork om d
at het leer te lang aan de volle
zon wordt blootgesteld om ervoor te zorgen
dat het leer niet verbleekt. Wanneer de wa-
gen langere tijd buiten staat, moet u het leer
afdekken om het zó tegen direct zonlicht te
beschermen.
● Scherpe voorwerpen aan kledingstukken,
zoa
ls ritssluitingen, (druk)knopen en ceintu-
ren met scherpe randen kunnen blijvende
krassen of andere sporen in het oppervlak
achterlaten. Let op
● Re g
elmatig en na elke reiniging een onder-
houdscrème gebruiken, die bescherming te-
gen licht biedt en het leer impregneert. De
crème bevat voedende stoffen voor het leer,
zorgt ervoor dat het leer kan ademen, maakt
het leer soepel en voorkomt uitdroging. Tege-
lijkertijd vormt zich een dunne beschermlaag.
● Leer elke 2 à 3 maanden schoonmaken, ver-
ontreiniging
en direct verwijderen.
● Vlekken zoals inkt van een balpen, gewone
inkt, lippens
tift, schoensmeer, enz., indien
mogelijk direct verwijderen.
● Ook de leerkleur onderhouden. Plekken die
in kleur af
wijken, met een speciale crème
voor gekleurd leer opfrissen. Lederen bekleding schoonmaken en
v
er
z
orgen Echt leer heeft bijzonder veel aandacht en
onderhoud nodig.
Norm
aa
l
schoonmaken
– Vuil leer met een enigszins vochtige katoe-
nen of wo
llen lap schoonmaken.
Sterkere vervuiling – Sterker vervuilde delen met een lap, ge-
drenkt in een mi
lde zeepoplossing (2 eetle- pels neutrale zeep op 1 liter water) schoon-
maken.
– L
et erop dat het leer nergens te nat wordt
en dat er g
een water in de naden sijpelt.
– Vervolgens met een zachte, droge lap
droogwrij
ven.
Verwijderen van vlekken – Vlekken op waterb
asis (bijv. koffie, thee,
vruchtensap en bloed) direct met een ab-
sorberende doek of met keukenpapier ver-
wijderen en bij al ingedroogde vlekken het
reinigingsmiddel uit het onderhoudsset ge-
bruiken.
– Vlekken op vetb
asis (bijv. boter, mayonaise
en chocolade) direct met een absorberende
doek of met keukenpapier verwijderen of
met het onderhoudsmiddel uit de onder-
houdsset verwijderen, als een wat oudere
vlek nog oppervlakkig is.
– Bij ingedroogde vetvlekken een v
etoplos-
sende spray gebruiken.
– Speciale vlekken (bijv
. inkt van een balpen
of een viltstift, nagellak, latexverf of
schoensmeer) met een voor leer geschikte
speciale vlekkenverwijderaar behandelen.
Onderhoud van het leer – Behandel het leer elke zes maanden met
een ges
chikt leeronderhoudsmiddel.
306

Wielen
een akoestische waarschuwing. Bij een sto-
ring in het
sy
steem hoort u een akoestisch
signaal.
● Bij langdurig rijden over onverharde wegen
of bij s
portief rijden, is het mogelijk dat het
TPMS tijdelijk wordt gedeactiveerd. Het con-
trolelampje meldt dan een storing maar ver-
dwijnt automatisch zodra de wegcondities of
de rijstijl verandert. Bandenspanningscontrole
Afb. 245
Instrumentenpaneel: waarschuwing
b anden
s
panningverlies. De bandenspanningsindicator vergelijkt met
de ABS-
sen
sor
en de omwentelingen en dus
het loopoppervlak van iedere band. Als de af- rolomtrek van een of meerdere banden ver-
andert, geef
t de bandenspanningsindicatie
dit in het instrumentenpaneel aan met een
controlelampje en een waarschuwing aan de
bestuurder ››› afb. 245. Zolang het een enke-
le band betreft, wordt de stand hiervan op de
wagen aangegeven.
Spanningverlies: Contr. ban-
denspanning linksvoor!
Wijziging in bandomtrek
Het loopoppervlak van een band kan varië-
ren:
● Als de bandenspanning handmatig wordt
gewijz
igd.
● Als de bandenspanning onvoldoende is.
● Als de bandenstructuur beschadigd is.
● Als de wagen onevenwichtig geladen is.
● Als de banden van een as meer last dragen
(bijv
oorbeeld bij rijden met extra belading).
● Als de wagen met sneeuwkettingen rijdt.
● Als het reservewiel gemonteerd is.
● Als het wiel van een as werd vervangen.
De banden
spanningscontrole kan onder
bepaalde omstandigheden vertraagd reage-
ren of niets aanduiden (bijvoorbeeld bij spor- tief rijden, besneeuwde wegen, onverharde
weg
en of bij rijden met sneeuwkettingen).
Bandenspanningsindicatie aanpassen Nadat u de bandenspanning heeft gewijzigd
of één of
meer
dere wielen heeft vervangen,
moet de bandenspanningsindicatie worden
aangepast. Doe dit bijvoorbeeld ook wanneer
u de voor- en achterwielen omwisselt.
● Contact inschakelen.
● Sla de nieuwe bandenspanning op in het
Ea sy
Connect-systeem 1)
met de toets en
de f u
nctiet
oets SETUP
› ›
›
pag. 34.
● Bij wagens zonder radio : houd de toets
ing
edrukt, bij ingeschakeld contact, tot
een akoestisch signaal klinkt.
Het systeem kalibreert zichzelf verder terwijl
de wagen rijdt, op basis van de bandenspan-
ning ingevoerd door de bestuurder en de ge-
monteerde banden. Na een lange rit op ver-
schillende snelheden worden de gegevens
verzameld en bekeken aan de hand van de
geprogrammeerde gegevens.
Onder zware last op de wielen, bijv. bij flinke
belading, moet voor kalibratie de banden-
spanning worden verhoogd tot de »1)
In wagens zonder Easy Connect-systeem bevindt
de sc h
akelaar voor bandencontrole zich in de mid-
denconsole naast de noodknipperlichten. 329
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Aanwijzingen
geadviseerde waarde voor rijden met bela-
din g
›
›
› pag. 335. Let op
● De b anden
spanningsindicatie werkt niet
als een storing is opgetreden in de ESC of het
ABS ››› pag. 200.
● Wanneer u sneeuwkettingen gebruikt, kan
er een foute aan
wijzing worden weergegeven
omdat door de kettingen de wielomtrek toe-
neemt. Noodreservewiel
A l
g
emeen Afb. 246
Noodreservewiel: opgeklapte laad-
vloer . Het noodreservewiel is bedoeld om geduren-
de s
l
ec
hts korte tijd te worden gebruikt. Ga
zo snel mogelijk naar een officiële SEAT-dea-
ler of een gespecialiseerde werkplaats om
het defecte wiel te laten nakijken of vervan-
gen.
Voor het gebruik van het noodreservewiel
zijn er enkele beperkingen. Het noodreserve-
wiel is speciaal voor uw model wagen ontwik-
keld. Daarom mag het niet met het noodre-
servewiel van een ander model wagen wor-
den verwisseld.
Noodreservewiel verwijderen
– Til de laadvloer op en houd deze in die
stand om het
noodreservewiel uit de wa-
gen te kunnen nemen.
– Draai het kartelwiel tegen de klok in ›››
afb.
246.
– Neem het reservewiel uit de wagen.
Ketting
en
Het gebruik van sneeuwkettingen op het
noodreservewiel is om technische redenen
niet toegestaan.
Als u toch met sneeuwkettingen moet rijden
en bandenpech bij een voorwiel hebt, het
noodreservewiel op de plaats van een achter-
wiel plaatsen. Bevestig de sneeuwkettingen
op het achterwiel en verwissel dit met het
lekke voorwiel. ATTENTIE
● Na montag e
van het noodreservewiel moet
u de bandenspanning zo snel mogelijk con-
troleren - gevaar voor ongelukken! U vindt de
bandenspanning achteraan op de portierstijl
linksvoor ››› afb. 242.
● Rij met het noodreservewiel niet harder
dan 80 km/u (50 mph): gev
aar op ongeluk-
ken!
● Rijd nooit meer dan 200 km indien een re-
servew
iel is gemonteerd.
● Acceleraties, stevig remmen en snel door
bochten rijden
vermijden - gevaar op onge-
lukken!
● Nooit met meer dan één noodreservewiel
rijden - gevaar
voor ongelukken!
● Om de velg van het noodreservewiel mag
geen norma
le of winterband worden gelegd.
● Bij het rijden met noodreservewiel wordt
het AC
C-systeem mogelijk automatisch uitge-
schakeld tijdens de rit. Schakel het systeem
uit wanneer u begint te rijden. 330

Trefwoordenlijst
Trefwoordenlijst A
Aanbev o
l
en versnelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
Aandrijfslipregeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 200
Aanhaalmomenten van de wielbouten . . . . . . . . 335
Aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 288 aanhangwagengewichten . . . . . . . . . . . . . . . . 294
aansluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 292
achterlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 290, 293
alarmsysteem uitgeschakeld . . . . . . . . . . . . . . 293
beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 294
bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 255
Buitenspiegels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 290
de koplampen verstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . 295
dodehoekhulp (BSD) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 255
functiestoring . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 294
kogeldruk . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 288, 294
kogelkop elektrisch ontgrendelen . . . . . . . . . . 291
led-achterlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . 290, 293
naderhand monteren van een trekhaak . . . . . 297
parkeerhulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 275, 279
rijden met een aanhangwagen . . . . . . . . . . . . 295
sleepkabel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 290, 293
stabilisatie van het samenstel wagen-aanhan-ger . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 296
stopcontact . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 293
technische voorwaarden . . . . . . . . . . . . . . . . . 289
vasthaken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 292
Aanhangwagengewichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . 335 aanhangwagen beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . 294
Aantal zitplaatsen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81
ABS zie Antiblokkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . 200
ACC . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 233 radarsensor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 236 Accessoires . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 171, 299
Acht
erbank . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 168
rugleuning neer- en terugklappen . . . . . . . . . . 168
Achterklep . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16, 17 zie ook Bagageruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 145
Achterlichten een lampje vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 110
Achterlichten in achterklep fitting uitbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114
Achterlichten in zijpaneel achterlicht uitbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114
Achterruitverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53, 55
Achteruitkijkspiegel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 164 zelfdimmend binnen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 164
zie ook Achteruitkijkspiegels . . . . . . . . . . . . . . 164
Achteruitkijkspiegels buitenspiegels verstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . 164
Achteruitrijsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 285 bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 286
display . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 285
gebruiksaanwijzing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 285
parkeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 286
Achteruitversnelling (automatische versnellings- bak) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 204
AdBlue beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 311
informatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 311
minimale vulhoeveelheid . . . . . . . . . . . . . . . . 311
specificatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 311
Tankinhoud . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 311
Afdekkingen van de airbags . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
Afmetingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 344
Afsleepalarm . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 144
Afstandsbediening zie Sleutels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 133
Afstandsbediening (interieurvoorverwarming) . 188 de batterij vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 189 Afstandsregeling
zie Aut omatische afstandsregeling . . . . . . . . . 233
Afvoer Gordelspanner . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86
Airbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 87 beschrijving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88
Airbagsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21, 87 activering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88
beschrijving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88
Controlelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 92
de frontairbag uitschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . 91
frontairbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21, 89
hoofdairbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24
knie-airbag . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
Werking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88
zijairbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
Airconditioning Climatronic . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 52, 181
gebruiksaanwijzing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 183
handbediende airconditioning . . . . . . . . . . . . . 54
interieurvoorverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . 187
verwarming en frisse lucht . . . . . . . . . . . . . . . . . 56
voorruitverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 186
Alarmlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32, 158
Alarmsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 142 zie ook Anti-diefstal alarmsysteem . . . . . . . . . 132
Alcantara: schoonmaken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 307
Algemeen schema Bestuurdersruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119
Controlelampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
knipperlicht- en grootlichthendel . . . . . . . . . . 154
motorruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 313
Waarschuwingslampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
Anti-diefstal alarmsysteem . . . . . . . . . . . . 132, 142 aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 293
interieurbewaking en afsleepalarm . . . . . . . . 144
Antiblokkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 200
347