
Bedienen
ATTENTIE
● Nieuw e b
anden moeten worden ingereden,
want zij hebben in het begin nog niet de opti-
male grip. Gevaar voor ongelukken. Daarom
tijdens de eerste 500 km (300 mijl) bijzonder
voorzichtig rijden.
● Nieuwe remblokken moeten zich eerst "zet-
ten" en hebben tijden
s de eerste 200 km
(125 mijl) nog niet de optimale wrijvings-
kracht. Het iets mindere remvermogen kan
echter opgevangen worden door het rempe-
daal met meer kracht in te trappen. Milieu-aspecten
Bij de constructie, materiaalkeuze en fabrica-
g
e
v
an uw nieuwe SEAT speelt milieubescher-
ming een beslissende rol.
Constructieve maatregelen ten behoeve van
recycling
● Demontage-vriendelijk ontwerp van verbin-
dingen.
● V
ereenvoudigde demontage door modulai-
re con
structiewijze.
● Verbeterde herkenbaarheid van de grond-
stoff
en.
● Aanduiding van kunststof delen en elasto-
meren v
olgens ISO 1043, ISO 11469 en ISO
1629. Materiaalkeuze
●
Gebruik van recyclebare grondstoffen.
● Gebruik van compatibele kunststoffen bin-
nen een samens
tel, als de componenten die
hier deel van uitmaken niet op een eenvoudi-
ge manier gescheiden kunnen worden.
● Gebruik van hernieuwbare en/of recycleba-
re mat
erialen.
● Vermindering van het aantal vluchtige com-
ponenten, inclu
sief de geur, van kunststof-
fen.
● Gebruik van CFK-vrije koelmedia.
Nalev
ing, op de voorgeschreven uitzonderin-
gen na (Bijlage II van de Richtlijn
2000/53/EG betreffende autowrakken) van
het verbod op gebruik van zware meta-
len: cadmium, lood, kwik, zeswaardig
chroom.
Fabricage
● Vermindering van de hoeveelheid oplos-
middel in g
atendekkende beschermwas.
● Gebruik van kunststof deklaag ter bescher-
ming tijdens
het wagenvervoer.
● Gebruik van oplosmiddelvrije kit.
● Gebruik van CFK-vrije koelmedia en koel-
syst
emen.
● Afvalverwerking en terugwinning van ener-
gie uit af v
al (RDF).
● Verbeterde kwaliteit van het afvalwater. ●
Gebruik
van warmtewisselaars (warmtere-
generatoren, enthalpisch wiel enz.).
● Gebruik van lak op waterbasis.
Zuinig en milieubewust rijden Het brandstofverbruik, de milieuverontreini-
ging en de s
lijt
age van de motor, remmen en
banden hangen in grote mate van uw rijg-
edrag af. Als u een anticiperend en zuinig
rijgedrag aanneemt, kan het brandstofver-
bruik met 10-15% worden gereduceerd. Hier-
na geven wij u enkele tips met de bedoeling
u te helpen de vervuiling te verminderen en
tegelijkertijd geld te besparen.
Anticiperend rijden
Bij het accelereren verbruikt een wagen de
meeste brandstof. Door anticiperend te rijden
hoeft u minder te remmen en dus ook minder
te accelereren. Laat de wagen, indien moge-
lijk, met ingeschakelde versnelling uitrijden
als u ziet dat u bijvoorbeeld een rood stop-
licht nadert. Het remeffect dat op deze wijze
verkregen wordt, beschermt remmen en ban-
den tegen slijtage; de emissies en het brand-
stofverbruik worden tot nul verlaagd (uit-
schakeling door inertie).
Energiebesparend schakelen
Een effectieve manier om brandstof te bespa-
ren is om vroeg op te schakelen. Wie zo lang
198

Rijden
mogelijk in dezelfde versnelling rijdt, ge-
bruikt onnodig
v
eel brandstof.
Schakelbak: schakel zo snel mogelijk van de
eerste naar de tweede versnelling. Aanbevo-
len wordt om, indien mogelijk, bij een toe-
rental van 2.000 naar een hogere versnelling
te schakelen. Schakel de op het instrumen-
tenpaneel aangegeven "aanbevolen versnel-
ling" in ››› pag. 196.
Volgas vermijden
Aangeraden wordt niet met de toegestane
maximumsnelheid van uw wagen te rijden.
Brandstofverbruik, emissie van schadelijke
stoffen en rijgeluiden nemen bij hoge snelhe-
den meer dan evenredig toe. Met een lagere
snelheid rijden bespaart brandstof.
De motor zo min mogelijk stationair laten
draaien
In de file, bij gesloten spoorwegovergangen
en bij verkeerslichten die vrij lang op rood
staan, de motor afzetten. Als de motor 30-40
seconden niet draait, is de besparing aan
brandstof al groter dan de extra hoeveelheid
brandstof die nodig is om de motor opnieuw
te starten.
Tijdens het stationair draaien duurt het heel
lang voordat de motor op bedrijfstempera-
tuur is. Tijdens het warmdraaien zijn echter
de slijtage en de uitstoot van schadelijke
stoffen bijzonder hoog. Daarom na het star- ten direct wegrijden. Hoge toerentallen ver-
mijden.
Reg
elmatig onderhoud
Regelmatige onderhoudswerkzaamheden,
met name voordat u op reis gaat, garanderen
u dat u niet meer dan de noodzakelijke
brandstof zult verbruiken. Regelmatig onder-
houd van uw wagen heeft niet alleen een po-
sitieve invloed op de verkeersveiligheid en
de waardevastheid van uw wagen, maar ook
op het brandstofverbruik.
Een slecht afgestelde motor kan tot een
brandstofverbruik leiden dat tot 10 % hoger
is dan normaal!
Korte ritten mijden
Om het verbruik en de emissie van verontrei-
nigende gassen te verminderen moeten de
motor en het uitlaatgasreinigingssysteem de
optimale bedrijfstemperatuur bereikt heb-
ben.
Bij koude motor is het brandstofverbruik rela-
tief gezien veel hoger. De motor komt pas op
bedrijfstemperatuur en het verbruik normali-
seert zich pas wanneer ca. vier kilometer ge-
reden zijn. Korte afstanden daarom zo moge-
lijk vermijden.
Bandenspanning controleren
Zorg er altijd voor dat de banden de juiste
spanning hebben om brandstof te besparen. Een enkele bar (14,5 psi / 100 kPa) onvol-
doende spannin
g kan het brandstofverbruik
met 5% doen toenemen. Te lage banden-
spanning leidt bovendien door de verhoogde
rolweerstand tot een sterkere slijtage van de
banden en heeft een negatieve invloed op
het rijgedrag.
Bandenspanning altijd bij koude banden
controleren.
Niet het hele jaar met winterbanden rijden,
want dat kost tot 10% meer brandstof.
Onnodig gewicht vermijden
Omdat elke kilogram meer gewicht het
brandstofverbruik verhoogt, is het lonend om
de bagageruimte te controleren op onnodige
ballast.
Vaak blijft voor het gemak ook een dakdra-
gersysteem gemonteerd, hoewel dit niet
meer gebruikt wordt. Door de hogere lucht-
weerstand verbruikt uw wagen met onbela-
den dakdragersysteem bij een snelheid tus-
sen 100 km/u (62 mph) en 120 km/u (75
mph) ongeveer 12% meer brandstof dan nor-
maal.
Stroom besparen
De motor drijft de dynamo aan en hierdoor
wordt stroom opgewekt; daarom heeft de be-
nodigde stroom ook een hoger brandstofver-
bruik tot gevolg. U dient daarom de elektri-
sche apparatuur uit te schakelen als u deze »
199
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Bedienen
niet meer nodig heeft. Apparaten met een
hoog v
erbruik
zijn bijvoorbeeld de aanjager
op hoge snelheid, de achterruitverwarming
of de stoelverwarming*. Let op
● Wanneer u w w
agen is voorzien van een
start-stopsysteem, is het raadzaam dit sys-
teem niet uit te schakelen.
● Wanneer u harder rijdt dan 60 km/u
(37 mph), is het
raadzaam de ruiten te slui-
ten.
● Laat tijdens het rijden uw voet niet op het
koppelin
gspedaal rusten. Zelfs door een lich-
te druk op het koppelingspedaal kan de kop-
pelingsplaat al gaan slippen. Daardoor stijgt
niet alleen het brandstofverbruik, maar kan
ook de voering van de koppelingsplaat ver-
branden wat kan leiden tot ernstige schade.
● Houd op een helling uw wagen niet stil
door de koppelin
g te laten slippen, maar ge-
bruik in plaats daarvan het rempedaal of
eventueel de handrem met de knop op het
uiteinde ingedrukt. Wanneer u de koppeling
laat slippen, stijgt het brandstofverbruik en
kan de koppelingsplaat beschadigd raken.
● Schakel in een afdaling tijdig terug om af te
remmen op de motor
. Het brandstofverbruik
wordt gereduceerd tot "nul" en de remmen
worden gespaard. Motorregeling en uitlaatgasrei-
nigin
g
s
systeem
Inleiding tot thema ATTENTIE
● Van w
ege de hoge temperaturen die in het
uitlaatgasreinigingssysteem (katalysator of
roetfilter voor dieselmotoren) kunnen voorko-
men, mag u de wagen niet boven licht ont-
vlambaar materiaal parkeren (bijv. wei of bos-
rand). - brandgevaar!
● Geen conserveringsmiddelen gebruiken
voor de bodem v
an de wagen in de zone bij
de uitlaat - brandgevaar! Let op
Zolang de controlelampjes , , of
b lij
ven branden, kunnen er storingen in de
motor zijn; daardoor kan het brandstofver-
bruik toenemen en de motor vermogen verlie-
zen. Katalysator
Voor een lange levensduur van de katalysa-
t
or
– Ge bruik
voor een benzinemotor uitsluitend
loodvrije benz
ine. Gelode benzine tast de
katalysator aan.
– De brandstoftank niet leeg rijden. –
Bij het v
ervangen of toevoegen van motor-
olie, de benodigde hoeveelheid niet over-
schrijden ››› pag. 283, Motorolie bijvullen.
– De wagen niet aanslepen, maar startkabels
gebruik
en ›››
pag. 69.
Indien u tijdens het lopen van de motor sto-
ringen in de verbranding, vermogensverlies
of onregelmatig draaien van de motor con-
stateert, de snelheid onmiddellijk verlagen
en de wagen door een gespecialiseerde
werkplaats laten controleren. In het alge-
meen gaat het uitlaatgascontrolelampje
branden wanneer zich een van de genoemde
symptomen voordoet ››› pag. 119. Onver-
brande brandstof zou zo in het uitlaatsys-
teem en dus in de atmosfeer kunnen komen.
Bovendien kan de katalysator door overver-
hitting worden beschadigd. VOORZICHTIG
De brandstoftank nooit helemaal leeg rijden,
omdat een onr
egelmatige brandstoftoevoer
storingen in de ontsteking kan veroorzaken.
Hierbij komt onverbrande benzine in het uit-
laatsysteem - dat kan tot oververhitting en
beschadiging van de katalysator leiden. Milieu-aanwijzing
Ook bij een goed werkend uitlaatgasreini-
ging s
systeem kan bij bepaalde bedrijfsfunc-
ties van de motor een zwavelachtige uitlaat-
gaslucht ontstaan. Dit hangt van het 200

Rijden
zwavelgehalte van de brandstof af. Vaak is
het k
iez
en van een ander brandstofmerk ge-
noeg. Roetfilter
3 Geldt voor wagens met dieselmotor
Het r
oetfilter voor dieselmotoren filtert vrijwel
alle roetdeeltjes uit de uitlaatgassen. Tijdens
normaal rijden wordt het filter vanzelf gerei-
nigd. Het roetfilter bij dieselmotoren regene-
reert automatisch; er is geen controlelampje
dat dit aangeeft. Het is mogelijk dat u
een verhoging van het motortoerental bij sta-
tionair draaien opmerkt en een bepaalde
geur ruikt.
Als de automatische reiniging van het filter
niet wordt uitgevoerd (bijv. omdat u steeds
korte afstanden rijdt met de wagen), hopen
zich roetdeeltjes op in het filter en gaat het
controlelampje van het roetfilter bij die-
selmotoren branden.
Om dan de automatische reiniging van het
filter mogelijk te maken, gaat u als volgt te
werk: rijd gedurende ca. 15 minuten met een
snelheid van minimaal 60 km/u (37 mph) in
de 4e of 5e versnelling (automatische trans-
missie: keuzehendelstand S). Houd het mo-
tortoerental op ca. 2000 tpm. Door de tempe-
ratuurverhoging wordt het roet in het filter
verbrand. Zodra de reiniging is afgerond,
gaat het controlelampje uit. Mocht het con- trolelampje niet uitgaan, ga dan naar de
werkp
l
aats van een officiële SEAT dealer en
laat het defect herstellen.
Motorregeling* Het controlelampje dient ter controle van de
motorr
e
geling bij benzinemotoren.
Het controlelampje (Electronic Power Con-
trol) gaat ter controle branden als u het con-
tact inschakelt. Het lampje moet na het aan-
slaan van de motor uitgaan.
Treedt tijdens het rijden een storing op in de
elektronische motorregeling, dan gaat het
controlelampje branden. Zo snel mogelijk
een gespecialiseerde werkplaats opzoeken
en de motor laten controleren.
Uitlaatgascontrolesysteem* Controlelampje knip
per
t:
Door een s
lecht draaiende motor kan de ka-
talysator worden beschadigd. Snelheid min-
deren en voorzichtig naar de dichtstbijzijnde
gespecialiseerde werkplaats rijden en de mo-
tor laten controleren.
Het controlelampje gaat branden:
Als zich tijdens het rijden een storing voor-
doet die de kwaliteit van de uitlaatgassen doet afnemen (bijv. lambdasonde defect).
Snelheid minderen en v
oorzichtig naar de
dichtstbijzijnde gespecialiseerde werkplaats
rijden en de motor laten controleren.
Voorgloeisysteem / motorstoring* Dit controlelampje brandt tijdens het voorver-
warmen
v
an de dieselmotor.
Het controlelampje gaat branden
Wanneer het contact wordt ingeschakeld en
het controlelampje brandt, wordt er voor-
gegloeid. Wanneer het controlelampje uit
gaat, kunt u de motor direct weer starten.
Controlelampje knippert
Treedt tijdens het rijden een storing op in de
motorregeling, dan wordt dit aangegeven
door het knipperen van het controlelampje
van het voorgloeisysteem . Zo snel moge-
lijk een gespecialiseerde werkplaats opzoe-
ken en de motor laten controleren.
Aanwijzingen voor het rijden Rijden in het b uit
enland Voor reizen naar het buitenland dient u ook
met
het
onder
staande rekening te houden: »
201
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
Systemen ter ondersteuning
v an de be
s
tuurder
Start/stop-systeem* Gerelateerde video Afb. 181
Comfort Beschrijving en werking
Het start-stopsysteem kan u helpen brand-
s
t
of
te besparen en de CO 2-emissie te beper-
ken.
In de start/stop-stand wordt de motor auto-
matisch afgezet zodra de wagen stil komt te
staan of uitrolt, bijv. voor een verkeerslicht.
Het contact blijft ingeschakeld tijdens de pe-
riode van stilstand. Zodra verder gereden kan
worden, wordt de motor weer automatisch
gestart. In deze situatie blijft het licht van de
knop START ENGINE STOP vast branden
1)
. Zodra het contact wordt ingeschakeld, wordt
aut
om
ati
sch het start/stop-systeem geacti-
veerd.
In het Easy Connect-systeem kunt u nadere
informatie raadplegen over het start-stopsys-
teem: door te drukken op de toets in het
menu Wagenstatus .
B a
s
isvoorwaarden voor start-stopstand
● Het bestuurdersportier moet gesloten zijn.
● De bestuurder draagt de veiligheidsgordel.
● De motorkap is gesloten.
● De motor heeft een minimale bedrijfstem-
peratuur ber
eikt.
● De achteruitversnelling is niet ingescha-
keld.
● D
e auto staat niet op een steile helling. ATTENTIE
● Nooit de mot or afz
etten voordat de wagen
volledig tot stilstand is gekomen. De werking
van de rembekrachtiging en de stuurbekrach-
tiging zijn dan niet meer volledig gegaran-
deerd. U moet dan meer kracht leveren om
het stuurwiel te verdraaien of om te remmen.
Omdat de wagen dus niet zo remt en stuurt
als u gewend bent, kan dit tot ongevallen en
ernstige verwondingen leiden. ●
Trek
nooit de sleutel uit het contactslot zo-
lang de wagen in beweging is. Het stuurslot
zou het stuurwiel kunnen blokkeren en u bent
dan niet meer in staat de wagen te besturen.
● Om verwondingen te voorkomen, moet u al-
tijd ervoor
zorgen dat het start/stop-systeem
is uitgeschakeld zodra u in het motorcompar-
timent werkt ››› pag. 205. VOORZICHTIG
Het start-stopsysteem moet altijd uitgescha-
k el d
zijn als u met de wagen door water
waadt ››› pag. 205. Motor afzetten/starten
Wagens met versnellingsbak
– Voordat u de wagen tot stilstand brengt of
wanneer de w
ag
en stilstaat, zet u de ver-
snelling in de vrijstand en laat u het koppe-
lingspedaal los. De motor gaat uit. Op het
display in het instrumentenpaneel ver-
schijnt het controlelampje . De motor kan
uitschakelen voordat de wagen tot stil-
stand komt tijdens de vertragingsfase (bij 7
km/u).
– Zodra u het koppelingspedaal weer intrapt,
star
t de motor weer. Het controlelampje
gaat uit. »1)
Alleen wagens met Keyless Access.
203
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
● Het r
emped
aal is diverse keren achter elk-
aar ingetrapt.
● De accu is erg leeg.
● Hoog stroomverbruik. Let op
Als bij wagens met automatische transmissie
de keuz ehendel
in de stand D, N of S wordt
gezet nadat de achteruit is gekozen, moet
eerst weer harder dan 10 km/u (6 mph) met
de auto zijn gereden voordat het systeem de
motor weer stopt indien nodig. Handmatig in-/uitschakelen met het
s
t
ar
t-stopsysteem Afb. 182
Middenconsole: toets van het start-
s top
systeem. Als u het systeem niet wilt gebruikt, kunt u
dit
h
andm
atig uitschakelen. –
Om het st
art-stopsysteem handmatig uit of
in te schakelen, drukt u op de toets . Als
het sy
s
teem is uitgeschakeld, blijft het
toetssymbool geel branden. Let op
Het systeem schakelt automatisch weer in
telk en
s nadat u de motor zelf heeft uitge-
schakeld tijdens stilstand. De motor start au-
tomatisch. Aanwijzingen voor de bestuurder op
het
di
s
play van het instrumentenpa-
neel Start-stopsysteem uitgeschakeld.
Motor handmatig starten
Dez e aan
wijzing voor de bestuurder ver-
schijnt wanneer niet aan bepaalde voorwaar-
den is voldaan tijdens stilstand en het start-
stopsysteem de motor niet opnieuw kan star-
ten. U moet de motor dan handmatig starten.
Start-stopsysteem: Storing! Func-
tie niet beschikbaar
Er is een storing opgetreden in het
start/stop-systeem. Rijd naar een gespeciali-
seerde werkplaats om de storing te laten re-
pareren. Snelheidsregelsysteem (SRS)*
Werk in
g Afb. 183
Display van het instrumentenpaneel:
s t
at
usaanduidingen van SRS. Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 43
Het snelheidsregelsysteem (SRS) zorgt er-
voor dat tijdens het vooruit rijden met snel-
heden vanaf ongeveer 20 km/u (15 mph) de
geprogrammeerde snelheid constant wordt
aangehouden.
De SRS vermindert de snelheid van de wagen
enkel door niet meer te accelereren, niet door
actieve tussenkomst van de remmen ››› .
»
205
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Bedienen
Controlelampje Gaat branden
Het snelheidsregelsysteem (SRS) is ingeschakeld en ac-
tief.
OF: de automatische afstandsregeling (ACC) is ingescha-
keld en actief.
OF: de snelheidsbegrenzer is ingeschakeld en actief. Wanneer het contact wordt ingeschakeld,
gaan sommig
e c
ontrole- en waarschuwings-
lampjes enkele seconden aan terwijl ze een
werkingscontrole uitvoeren. Na enkele secon-
den gaan de lampjes uit.
Weergave op het display van de SRS
Status afb. 183:
SRS tijdelijk uitgeschakeld. De gepro-
grammeerde snelheid wordt in kleine of
donkere cijfers weergegeven.
Systeemfout. Raadpleeg een gespeciali-
seerde werkplaats.
SRS ingeschakeld. Het snelheidsgeheu-
gen is leeg.
De SRS is actief. De geprogrammeerde
snelheid wordt in grote cijfers weergege-
ven.
A B
C
D ATTENTIE
Als u met een constante snelheid niet op een
vei lig
e afstand van andere weggebruikers
kunt rijden, kan het gebruik van het snel-
heidsregelsysteem tot ongevallen en ernstig
letsel leiden.
● Gebruik het snelheidsregelsysteem nooit in
druk v
erkeer, als de veiligheidsafstand onvol-
doende is, op steile wegen, op bochtige of
gladde wegen (sneeuw, ijs, regen of stenen),
en op overstroomde wegen.
● Gebruik het SRS ook nooit buiten de ver-
harde w
egen of op onverharde wegen.
● Pas de snelheid aan en houd een veilige af-
stand aan t
ot uw voorliggers afhankelijk van
het zicht, het klimaat, het wegdek en het ver-
keer.
● Schakel het snelheidsregelsysteem altijd
na ge
bruik uit om te voorkomen dat de snel-
heid onverwacht geregeld wordt.
● Het is gevaarlijk weer terug te gaan naar de
opge
slagen snelheid wanneer die snelheid te
hoog is voor de omstandigheden van dat mo-
ment (wegdek, verkeer, weersgesteldheid).
● Bij het bergafwaarts rijden kan het snel-
heidsre
gelsysteem de snelheid niet constant
houden. Door het eigen gewicht van de wa-
gen kan de snelheid toenemen. Schakel terug
of rem de wagen met de voetrem af. ATTENTIE
Veiligheidsaanwijzingen ›››
in Waarschu-
win g
ssymbolen op pag. 120 in acht nemen. Bediening van het snelheidsregelsys-
t
eem* Lees aandachtig de aanvullende informatie
›› ›
pag. 43
De waarde in de tabel tussen haakjes (in
mph, mijlen per uur) heeft uitsluitend betrek-
king op instrumentenpaneel met indicatie in
mijl.
Schakelen in SRS-stand
De SRS vertraagt direct zodra het koppelings-
pedaal wordt ingetrapt en grijpt na het scha-
kelen weer automatisch in.
Hellingen afdalen met de SRS
Als het SRS de snelheid van de wagen bij het
omlaag rijden van een helling niet constant
kan houden, rem de wagen dan met het rem-
pedaal af en schakel indien nodig terug.
Automatisch uitschakelen
Het snelheidsregelsysteem SRS wordt auto-
matisch uitgeschakeld of tijdelijk onderbro-
ken:
● Als het systeem een storing detecteert die
de werk in
g van het SRS beïnvloeden kan.
● Als gedurende bepaalde tijd het gaspedaal
ingetr
apt blijft, waarbij wordt gereden op een
snelheid hoger dan ingesteld.
206

Bedienen
ATTENTIE
De intelligente techniek van de Front Assist
kan de f y
sieke grenzen niet overwinnen. Het
is de verantwoordelijkheid van de bestuurder
op tijd te remmen. Als de Front Assist een
waarschuwing zendt dan moet u afhankelijk
van de verkeersomstandigheden onmiddellijk
het rempedaal intrappen of de hindernis ont-
wijken.
● De snelheid en de veiligheidsafstand altijd
aanpas
sen aan de voorligger afhankelijk van
het zicht, het weer, het wegdek en het ver-
keer.
● De Front Assist kan zelf geen ongevallen en
ernstig
e letsel voorkomen.
● In moeilijke rijsituaties kan de Front Assist
onnodig waars
chuwen en ingrijpen op de
remmen zonder dat dit wenselijk is, zoals bij-
voorbeeld in het geval van vluchtheuvels.
● Als de werking van de Front Assist ver-
stoor
d is, bijvoorbeeld door vuil of de ontre-
geling van de radarsensor, kan het systeem
onnodige waarschuwingen zenden en onge-
past ingrijpen op de remmen.
● Front Assist reageert tijdens het rijden niet
bij personen of
dieren, noch bij kruisende wa-
gens of bij een tegemoetkomende wagen op
dezelfde rijstrook.
● U moet als bestuurder altijd paraat zijn om
de contro
le van de wagen over te nemen. Let op
● Wanneer de Fr ont
Assist remt, is het rempe-
daal "zwaarder".
● Automatische ingrepen op de remmen van
de Front As
sist kunnen worden onderbroken
door het koppelingspedaal of het gaspedaal
in te trappen, of door te draaien aan het
stuurwiel.
● Als de Front Assist niet werkt zoals be-
schr
even in dit hoofdstuk (bv. indien het sys-
teem verschillende keren onnodig ingrijpt),
schakel het dan uit. Laat het systeem door
een gespecialiseerde werkplaats controleren.
SEAT raadt u aan om daarvoor een SEAT-dea-
ler te raadplegen. Waarschuwingslampjes en aanwijzing
op het
s
c
herm Afb. 187
In het display van het instrumenten-
p aneel: w
aar
schuwingsaanwijzingen. Veiligheidswaarschuwing
A
ls
de veiligheidsafstand tot de voorligger
niet wordt gerespecteerd, wordt op het dis-
play van het instrumentenpaneel een waar-
schuwing hieromtrent weergegeven . ATTENTIE
Veiligheidsaanwijzingen ›››
in Waarschu-
win g
ssymbolen op pag. 120 in acht nemen. Let op
Bij ingeschakelde Front Assist, kunnen de
aanw ijz
ingen van het display van het instru-
mentenpaneel van andere functies verborgen
zijn, bijvoorbeeld een binnenkomende op-
roep. Radarsensor
Afb. 188
In de voorbumper: radarsensor.212