
Controleren en bijvullen
●
Laat h ar
dnekkige vlekken in een gespecia-
liseerde werkplaats verwijderen om bescha-
digingen te voorkomen.
● Voor het schoonmaken in geen geval bor-
stel
s, harde sponzen, enz., gebruiken. Veiligheidsgordels schoonmaken
Een vervuilde veiligheidsgordel kan de werk-
ing
v
an de veiligheidsgordel negatief beïn-
vloeden. Houd veiligheidsgordels schoon en
controleer regelmatig de toestand van alle
gordels.
Veiligheidsgordels schoonmaken
– De vervuilde veiligheidsgordel volledig uit-
trekk en en de g
ordelband uitgerold laten.
– Vuile veiligheidsgordels met mild zeepsop
s
choonmaken.
– Het behandelde gordelweefsel laten dro-
gen.
– Vei
ligheidsgordel pas oprollen, wanneer
deze droog i
s.
Als er grote vlekken in de gordel komen, zal
de oprolautomaat niet meer correct werken. ATTENTIE
● De v
eiligheidsgordels mogen niet chemisch
worden gereinigd, omdat zulke reinigings- middelen de sterkte van het weefsel kunnen
aanta
s
ten. De veiligheidsgordels mogen ook
niet met etsende vloeistoffen in aanraking
komen.
● Regelmatig de toestand van alle veilig-
heidsgor
dels controleren. Als beschadigin-
gen van het weefsel, de gordelverbindingen,
de gordelautomaat of het slotgedeelte wor-
den vastgesteld, moet de betreffende veilig-
heidsgordel door een gespecialiseerde werk-
plaats worden vervangen.
● Nooit proberen om de veiligheidsgordels
zelf t
e repareren. De veiligheidsgordels mo-
gen nooit op een of andere wijze worden ver-
anderd of door u worden uitgebouwd. VOORZICHTIG
Schoongemaakte veiligheidsgordels moeten
vóór het opr o
llen volledig droog zijn, omdat
vocht de gordeloprolautomaat kan beschadi-
gen. Controleren en bijvullen
T ank
en
T
anken Lees aandachtig de aanvullende informatie
›› ›
pag. 55
Zodra het volgens de voorschriften bediende
vulpistool voor de eerste keer afslaat, is de
brandstoftank "vol". Er dient niet verder te
worden getankt, omdat anders de expansie-
ruimte in de tank ook gevuld wordt. Bij ver-
hitting zou er brandstof uit kunnen lopen.
De juiste brandstofsoort voor de wagen staat
op een sticker aan de binnenzijde van de
tankklep. ATTENTIE
● Brand s
tof is gemakkelijk ontvlambaar en
kan tot zware verbrandingen en andere ver-
wondingen leiden.
–Bij het vullen van de tank of van een jer-
rycan met brandstof mag niet worden ge-
rookt en mag er geen contact zijn met
vonken. Brandgevaar!
– De wettelijke voorschriften over het ge-
bruik van jerrycans in acht nemen.
– Wij adviseren u om veiligheidsredenen
geen jerrycan met brandstof mee te ne-
men. In geval van een aanrijding kan de » 275
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Aanwijzingen
jerrycan beschadigd worden en kan er
brand
s
tof uit lekken.
● Wanneer u in uitzonderlijke gevallen brand-
stof
in een jerrycan moet vervoeren, let dan
op het volgende:
–Nooit de jerrycan met brandstof vullen,
wanneer deze in of op de wagen staat.
Tijdens het vullen ontstaan er elektrosta-
tische ladingen die de brandstofdampen
kunnen laten ontvlammen. Ontploffings-
gevaar! De jerrycan altijd op de grond
zetten wanneer u deze vult.
– Het vulpistool zo ver mogelijk in de vul-
mond van de jerrycan steken.
– Bij jerrycans van metaal moet het vulpis-
tool contact met de jerrycan hebben, ter-
wijl u de jerrycans met brandstof vult.
Hierdoor wordt statische oplading verme-
den.
– Nooit brandstof in de wagen of in de ba-
gageruimte morsen. Brandstofdampen
kunnen ontploffen. Er bestaat levensge-
vaar. VOORZICHTIG
● We g
gelekte brandstof direct van de wagen-
lak verwijderen.
● Nooit de brandstoftank helemaal leegrij-
den! De onre
gelmatige brandstofvoorziening
kan tot overslaan van de ontsteking leiden.
Daardoor komt er onverbrande brandstof in
de uitlaat - gevaar voor beschadiging van de
katalysator! ●
Als
bij een wagen met dieselmotor de
brandstoftank volledig is leeggereden, moet
na het tanken gedurende ten minste 30 se-
conden het contact worden ingeschakeld zon-
der de motor te starten. Als u daarna start,
kan het langer duren dan normaal - tot maxi-
maal een minuut -, voordat de motor aan-
slaat. Dat komt doordat het brandstofsys-
teem tijdens het starten eerst moet worden
ontlucht. Milieu-aanwijzing
De brandstoftank nooit de vol tanken, omdat
b ij v
erhitting er brandstof kan gaan lekken. Let op
Bevat geen enkel noodmechanisme om de
tankk l
ep te ontgrendelen. Roep indien nodig
de hulp in van gespecialiseerd personeel. Brandstof
B en z
inesoorten Welke benzinesoort voor uw wagen geschikt
i
s, s
t
aat aan de binnenzijde van de tankklep.
De wagen is met een katalysator uitgerust en
mag alleen op loodvrije benzine rijden. De
benzine moet voldoen aan de Europese norm
EN 228 resp. de Duitse norm DIN 51626-1 en
moet loodvrij zijn. U mag brandstoffen tan- ken die maximaal 10% ethanol (E10) bevat-
ten. De div
erse typen benzine verschillen qua
octaangetal (RON) .
De volgende benamingen komen overeen
met die op de sticker op de tankklep:
Loodvrij super met octaangetal 95 of loodvrij
normaal met octaangetal van min. 91
Geadviseerd wordt om loodvrij super met oc-
taangetal 95 te tanken. Indien niet beschik-
baar: tank dan loodvrij normaal met een oc-
taangetal van 91, maar houd dan wel reke-
ning met een lichte reductie in vermogen.
Loodvrij super met octaangetal van min. 95
U moet loodvrij super met een octaangetal
van min. 95 gebruiken.
Als er geen loodvrije super beschikbaar is,
kunt u ook in geval van nood loodvrij nor-
maal met octaangetal 91 tanken. In dat geval
mag u echter alleen met gemiddelde toeren-
tallen en geringe motorbelasting rijden. Tank
loodvrij super bij de eerst komende gelegen-
heid die zich voordoet.
Loodvrij super met octaangetal 98 of loodvrij
super met octaangetal van min. 95
Geadviseerd wordt om loodvrij super met oc-
taangetal 98 te tanken. Indien niet beschik-
baar: tank dan super met een octaangetal
van 95, maar houd wel rekening met een
licht verlies van vermogen.
276

Aanwijzingen
VOORZICHTIG
● De w ag
en is niet geconstrueerd voor het
gebruik van FAME-brandstof (biodiesel). Het
brandstofsysteem wordt beschadigd, indien
op deze brandstof wordt gereden.
● Brandstoftoevoegingen, zogenaamde
"vloeiverbeter
aars", benzine of dergelijke
middelen mogen niet aan de dieselolie wor-
den toegevoegd.
● Bij slechte kwaliteit van de diesel kan het
nodig zijn het
brandstoffilter te ontwateren
tussen de in het Serviceplan vermelde inter-
vallen door. Geadviseerd wordt om dit in een
gespecialiseerde werkplaats te laten uitvoe-
ren. Een ophoping van water in het filter kan
tot motorstoringen leiden. Werkzaamheden in de motor-
ruimt
e
V ei
ligheidsaanwijzingen voor werk-
zaamheden in de motorruimte Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 17
Voor alle werkzaamheden aan de motor of in
de motorruimte:
1. Motor uitschakelen en de sleutel uit het contacts
lot trekken.
2. Handrem aantrekken. 3. Versnellingshendel in neutraal resp. de
keuzehendel
in stand P zetten.
4. Motor laten afkoelen.
5. Kinderen ver van de wagen houden.
6. Motorkap openen ›››
pag. 279.
Werkzaamheden in de motorruimte alleen
zelf uitvoeren, wanneer u met de noodzakelij-
ke handelingen vertrouwd bent en over ge-
schikt gereedschap beschikt! Anders de
werkzaamheden bij een gespecialiseerde
werkplaats uit laten voeren.
Alle vloeistoffen en bedrijfsmiddelen, zoals
koelvloeistof en motorolie, maar ook bougies
en accu's worden voortdurend verder ontwik-
keld. De Erkende Seat Werkplaatsen worden
door SEAT constant op de hoogte gehouden
over wijzigingen. Wij adviseren u daarom be-
drijfsvloeistoffen en bedrijfsmiddelen door
een Erkende Seat Werkplaats te laten vervan-
gen. Let ook op de aanwijzingen ››› pag. 265.
De motorruimte van de wagen is een gevaar-
lijke ruimte ››› .
ATTENTIE
Bij alle handelingen aan de motor of in de
motorruimt e - b
ijv. bij controleren en bijvullen
van vloeistoffen - kunnen verwondingen,
brandwonden en ander gevaar voor een onge-
val of brand ontstaan!
● Nooit de motorkap openen als u ziet dat er
stoom of
koelvloeistof uitkomt. Gevaar voor brandwonden! Wachten tot er geen damp of
koelvloei
s
tof meer naar buiten komt. De mo-
tor vóór het openen van de motorkap laten af-
koelen.
● Motor uitschakelen en de contactsleutel uit
het cont
actslot trekken.
● Trek de handrem aan en zet de versnel-
lingshendel
in de stand neutraal of de keuze-
hendel in de stand P.
● Kinderen ver van de wagen houden.
● Geen hete motordelen aanraken. Gevaar
voor brandw
onden!
● Geen vloeistof op de motor of op het uit-
laatsy
steem knoeien als deze nog heet zijn.
Brandgevaar!
● Kortsluiting voorkomen in de elektrische
inst
allatie, vooral op de starthulpaansluitin-
gen ›››
pag. 69. De accu kan exploderen!
● Nooit het koelsysteem aanraken. Deze
wordt
afhankelijk van de temperatuur gere-
geld en kan automatisch worden ingescha-
keld – ook bij uitgeschakeld contact of uit het
contact getrokken contactsleutel!
● Bedek de motor nooit met extra isolatiema-
teria
len zoals een deken. Brandgevaar!
● Nooit de vuldop van het koelvloeistofreser-
voir openen z
olang de motor warm is. Door de
hete koelvloeistof staat het koelsysteem on-
der druk!
● Vuldop bij het openen met een grote, dikke
lap afdekk
en om gezicht, handen en armen
tegen hete damp of hete koelvloeistof te be-
schermen. 278

Controleren en bijvullen
●
Geen v oor
werpen, zoals poetslappen of ge-
reedschap, in de motorruimte achterlaten.
● Als u zich genoodzaakt ziet om onder de
wagen w
erkzaamheden uit te voeren, zet hem
dan met stroppen en bokken vast zodat hij
niet kan bewegen. De hydraulische krik al-
leen is niet voldoende om de wagen vast te
zetten en u loopt kans zich te verwonden.
● Als er werkzaamheden aan de motor moe-
ten wor
den uitgevoerd, terwijl er wordt ge-
start of terwijl de motor draait, bestaat er le-
vensbedreigend gevaar door draaiende delen
(zoals de geribde riem, de dynamo en de
koelluchtventilator) en door de hoogspan-
ningsontsteking. Let ook op het volgende:
–Raak nooit de elektrische kabels van het
ontstekingssysteem aan.
– Beslist voorkomen dat u bijv. met siera-
den, loshangende kledingstukken of lan-
ge haren in draaiende delen van de motor
komt. Er bestaat levensgevaar. Daarom
eerst sieraden afdoen, uw haar opsteken
en kleding dragen, die goed aansluit.
– Nooit bij een ingeschakelde versnelling
achteloos gas geven. De wagen zou zich
zelfs met aangetrokken handrem nog
kunnen verplaatsen. Er bestaat levensge-
vaar.
● Wanneer werkzaamheden aan het brand-
stof
systeem of aan de elektrische installatie
noodzakelijk zijn, ook op de hierboven ver-
melde waarschuwingen letten:
–Startaccu altijd losmaken van de elektri-
sche installatie. Daarbij moet de wagen ontgrendeld zijn, omdat anders het
al
armsy
steem wordt geactiveerd.
– Niet roken.
– Nooit in de buurt van open vuur werken.
– Altijd een brandblusser gereedhouden. ATTENTIE
Als de motorkap niet goed gesloten is, zou hij
onder het rijden plot
s open kunnen gaan en
de bestuurder het zicht kunnen ontnemen.
Dit kan ernstige ongevallen tot gevolg heb-
ben.
● Controleer na het sluiten van de motorkap
of de v
ergrendeling goed in de slotplaat vast-
geklikt is. De gesloten motorkap moet vlak
met de carrosseriedelen eromheen liggen.
● Als u onder het rijden vaststelt dat de mo-
torkap niet
goed gesloten is, moet u onmid-
dellijk stoppen en de motorkap goed sluiten.
● Open en sluit de motorkap alleen als nie-
mand z
ich binnen de actieradius ervan be-
vindt. VOORZICHTIG
Let er bij het bijvullen van vloeistoffen op dat
de vloei s
toffen in geen geval worden verwis-
seld. Anders zijn ernstige storingen en motor-
schade het gevolg! Milieu-aanwijzing
Vloeistoffen die uit de wagen komen, zijn
sc h
adelijk voor het milieu. Controleer daarom
regelmatig de grond onder de wagen. Als
daar vlekken van olie of andere vloeistoffen
zichtbaar zijn, dan dient u de wagen door een
gespecialiseerde werkplaats te laten contro-
leren. De motorkap openen
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 17
De motorkap wordt vanuit het interieur ont-
grendeld.
Alvorens de motorkap te openen, erop letten
of de ruitenwissers wel in de ruststand staan. ATTENTIE
Hete koelvloeistof kan brandwonden veroor-
zak en!
● Nooit
de motorkap openen als u ziet dat er
damp, r
ook of koelvloeistof uit de motorruim-
te komt.
● Zo lang wachten tot er geen damp, rook of
koelvloeis
tof meer naar buiten komt, voordat
u de motorkap voorzichtig opent.
● Let vóór alle werkzaamheden in het motor-
compar
timent op de waarschuwingen ››› pag.
278. 279
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Controleren en bijvullen
Wagenaccu
R uit
en
sproeiervloeistofreservoir
Het controleren en bijvullen van de vloeistof-
fen wordt bij de eerder genoemde onderde-
len uitgevoerd. Deze handelingen worden be-
schreven op ››› pag. 278.
Overzicht in tabelvorm
Nadere verklaringen, aanwijzingen en beper-
kingen op de technische gegevens vindt u
vanaf ››› pag. 296. Let op
De plaats van de onderdelen kan afhankelijk
van de mot or
verschillen.Motorolie
A l
g
emene aanwijzingen De motor wordt af fabriek voorzien van een
s
pec
i
ale multigrade-olie geschikt voor elk
jaargetijde.
Omdat het gebruik van een hoogwaardige
olie een voorwaarde is voor het correct functi-
oneren en de duurzaamheid van de motor,
dient uitsluitend olie volgens de VW-normen
gebruikt te worden als u olie bijvult of ver-
verst. 5 6 De specificaties die op de volgende bladzijde
s
t
aan (VW
-normen) moeten op de verpakking
vermeld staan; indien op de verpakking van
de olie zowel de normen voor zowel benzine-
als voor dieselmotoren vermeld staan, mag
de olie zonder onderscheid voor beide soor-
ten motoren gebruikt worden.
Geadviseerd wordt het verversen van de olie
uit te laten voeren door een Erkende Seat
Werkplaats of een gespecialiseerde werk-
plaats, volgens het Onderhoudsprogramma.
De voor de motor in uw wagen geldende olie-
specificaties staan in ›››
pag. 57.
Onderhoudsintervallen
De onderhoudsintervallen kunnen flexibel
(service-interval met lange duur) of vast (af-
hankelijk van de tijd of het gereden aantal ki-
lometers).
Als op de binnenkant van de omslag van het
boekje Onderhoudsprogramma de aandui-
ding PR QI6 voorkomt, betekent dit dat voor
de wagen een service-interval met lange duur
van toepassing is, terwijl de aanduidingen
QI1, QI2, QI3, QI4 of QI7 staan voor een on-
derhoudsinterval op basis van tijd of kilome-
ters.
Variabele onderhoudsintervallen (service-in-
tervallen met lange duur*)
Er zijn speciale oliën en controles ontwikkeld
die, afhankelijk van de rijomstandigheden en rijstijl van de bestuurder, de verversingsinter-
vall
en kunnen verlengen (service-intervallen
met lange duur).
Het gebruik van deze oliën is een voorwaarde
voor het verlengen van deze onderhoudsin-
tervallen, neem daarbij altijd het volgende in
acht:
● Vermeng de olie niet met de voor vaste on-
derhoudsint
ervallen voorgeschreven olie.
● Alleen bij uitzondering, als het motorolie-
peil t
e laag is ››› pag. 282 en LongLife-olie
niet beschikbaar is, mag met oliesoorten
voor vaste onderhoudsintervallen
››› pag. 57 maximaal 0,5 liter eenmalig
worden bijgevuld.
Vaste service-intervallen*
Als er voor de wagen geen "Service-interval
met lange duur" van toepassing is of dit in-
terval op verzoek niet wordt toegepast, ge-
bruik dan olie voor vaste onderhoudsinter-
vallen die wordt vermeld in ›››
pag. 57. In
dit geval geldt voor uw wagen een vast on-
derhoudsinterval van 1 jaar of 15.000 km
(wat het eerst wordt bereikt) ››› brochure On-
derhoudsprogramma.
● Alleen bij uitzondering, als het motorolie-
peil t
e laag is ››› pag. 282 en de voor uw wa-
gen voorgeschreven olie niet beschikbaar is,
mag met oliesoorten volgens specificatie
ACEA A2 of ACEA A3 (benzinemotoren) resp.
ACEA B3 of ACEA B4 (dieselmotoren) »
281
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Aanwijzingen
hoogstens 0,5 liter eenmalig worden bijge-
v u
l
d.
Wagens met roetfilter voor dieselmotoren*
In het Onderhoudsprogramma staat of uw
wagen met een roetfilter voor dieselmotoren
is uitgerust.
Bij wagens die zijn uitgerust met een roetfil-
ter voor dieselmotoren mag uitsluitend mo-
torolie volgens specificatie VW 507 00 wor-
den bijgevuld. Dat is een low SAPS-motor-
olie. Het gebruik van andere typen motorolie
kan ertoe leiden dat het roetfilter eerder ver-
stopt raakt, waardoor de levensduur ervan
wordt verminderd. Daarom:
● Niet vermengen met andere oliesoorten.
● Alleen bij uitzondering, als het motorolie-
peil t
e laag is ››› pag. 282 en de voor uw wa-
gen voorgeschreven olie niet beschikbaar is,
mag met oliesoorten volgens specificatie
VW 506 00 resp. VW 506 01 of VW 505 00
resp. VW 505 01 of ACEA B3 resp. ACEA B4
hoogstens 0,5 liter eenmalig worden bijge-
vuld. Let op
Alvorens een lange reis te gaan maken, advi-
seren w ij u
voor vertrek motorolie met de
overeenkomstige VW specificatie te kopen en
in uw wagen mee te nemen. Zo beschikt u al-
tijd over de juiste motorolie om bij te vullen
indien dit nodig mocht zijn. Waarschuwingslampje
Als het controlelampje
rood gaat
bran-
den, betekent dit dat de motoroliedruk te
laag is.
Als het symbool knippert en er klinken tege-
lijkertijd drie waarschuwingssignalen, de
motor afzetten en het oliepeil controleren. Zo
nodig olie bijvullen ››› pag. 283.
Als het lampje knippert hoewel het oliepeil in
orde is, niet verder rijden. De motor mag ook
niet stationair draaien. Roep de hulp in van
een vakman.
Oliepeil controleren
Als het controlelampje geel gaat branden,
moet het motoroliepeil zo snel mogelijk wor-
den gecontroleerd. Bij de eerstvolgende gele-
genheid olie bijvullen ›››
pag. 283.
Oliepeilsensor defect*
Als het controlelampje geel knippert, moet
u een gespecialiseerde werkplaats opzoeken
en de oliepeilsensor laten controleren. Veilig-
heidshalve het oliepeil elke keer bij het tan-
ken controleren. Motoroliepeil controleren
Afb. 237
Oliepeilstok. Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 56
Oliepeil controleren
– De wagen in horizontale stand parkeren.
– De motor kort stationair laten draaien en
uitzetten w
anneer de bedrijfstemperatuur
bereikt is.
– Ca. twee minuten wachten.
– Oliepeilstok uit de geleidingspijp trekken.
Oliepeil
stok met een schone doek afvegen
en tot de aanslag weer in de geleidingspijp
duwen.
– Vervolgens de oliepeilstok er weer uittrek-
ken en het o
liepeil controleren. Indien no-
dig motorolie bijvullen.
282

Controleren en bijvullen
Afhankelijk van de rijstijl en het gebruik van
de w ag
en k
an het olieverbruik tot 0,5 l/1.000
km bedragen. Bij de eerste 5.000 kilometer
kan het verbruik hoger liggen. Het motorolie-
peil moet daarom regelmatig worden gecon-
troleerd - bij voorkeur elke keer bij het tanken
en vóór langere ritten. ATTENTIE
Werkzaamheden aan de motor of in de motor-
ruimte dienen met de nodig
e voorzichtigheid
uitgevoerd te worden.
● Let vóór alle werkzaamheden in het motor-
compar
timent op de waarschuwingen ››› pag.
278. VOORZICHTIG
Als het oliepeil zich boven het gebied A be-
vindt, de mot or niet
starten. Dit kan schade
aan de motor en de katalysator tot gevolg
hebben. Een Erkende Seat Werkplaats raad-
plegen. Motorolie bijvullen
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 56
Voordat u de motorkap opent, eerst de waar-
schuwingen lezen en deze opvolgen ››› in
V ei
ligheid
saanwijzingen voor werkzaamhe-
den in de motorruimte op pag. 278. De plaats van de oliepeilstok is in de betref-
fende afbeeldin
g van de motorruimte weer-
gegeven ››› pag. 280.
Motoroliespecificatie ›››
pag. 57
. ATTENTIE
Olie kan gemakkelijk branden! Wanneer u
olie b ij
vult, mag er geen olie op hete motor-
delen komen. VOORZICHTIG
Als het oliepeil zich boven het gebied A be-
vindt, de mot or niet
starten. Dit kan schade
aan de motor en de katalysator tot gevolg
hebben. Ga dan naar een gespecialiseerde
werkplaats. Milieu-aanwijzing
Het oliepeil mag in geen geval boven gebied A liggen. Anders kan olie via de carteront-
luchtin g w
orden aangezogen en door de uit-
laat in de atmosfeer komen. Motorolie verversen
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 56
De motorolie wordt bij onderhoudswerk-
zaamheden ververst. Wij adviseren u daarom om de motorolie bij
een Erkende Se
at Werkplaats te laten verver-
sen.
In het Onderhoudsprogramma staat vermeld
wanneer de motorolie moet worden ververst. ATTENTIE
Motorolie alleen zelf verversen, wanneer u
ov er de noodz
akelijke vakkennis beschikt!
● Voordat u de motorkap opent, eerst de
waars
chuwingen lezen en deze opvolgen
››› pag. 278, Veiligheidsaanwijzingen voor
werkzaamheden in de motorruimte.
● Motor eerst laten afkoelen. Hete olie kan
brandwonden
veroorzaken.
● Een beschermende bril dragen - gevaar
door etsende werk
ing van oliespetters.
● Uw arm horizontaal houden, als u de olie-
aftap
plug met de hand losdraait, zodat de er-
uit lopende olie niet langs uw arm naar bene-
den kan lopen.
● Als uw huid met motorolie in contact is ge-
komen, dan dient
u uw huid vervolgens gron-
dig te wassen.
● Olie is giftig! Motorolie buiten het bereik
van kinder
en bewaren. VOORZICHTIG
Geen extra smeermiddel aan de motorolie
toev oe
gen. De motor kan hiervan schade on-
dervinden. Schade die door zulke middelen
ontstaat, valt niet onder de garantie. » 283
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Aanwijzingen
Milieu-aanwijzing
● Omdat de o
lie correct moet worden afge-
voerd en vanwege de benodigde speciale ge-
reedschappen en vakkennis adviseren wij u
de motorolie en het oliefilter bij een Erkende
Seat Werkplaats te laten verversen.
● In geen geval mag olie in de riolering of in
de grond ter
echtkomen.
● Voor het opvangen van de afgewerkte olie
een hiervoor be
stemde bak gebruiken die de
gehele oliehoeveelheid van uw motor kan op-
vangen. Koelsysteem
C ontr
o
lelampje Er is een storing als:
●
Het controlelampje na enk
el
e seconden
niet uitgaat.
● Het controlelampje brandt of
knippert
tijdens het rijden en er tegelijkertijd drie
waarschuwingssignalen ››› klinken.
Het k
oelvloei
stofpeil kan te laag of de koel-
vloeistoftemperatuur te hoog zijn.
Koelvloeistoftemperatuur te hoog
Indien het controlelampje brandt, de wa-
gen stoppen, de motor uitschakelen en hem
laten afkoelen. Koelvloeistofpeil controleren Als het koelvloeistofpeil in orde is, kan de
storin
g door het uitvallen van de koellucht-
ventilator zijn veroorzaakt. De zekering voor
de koelluchtventilator controleren en deze zo
nodig laten vervangen ››› pag. 102.
Als na een korte rit het controlelampje op-
nieuw gaat branden, niet verder rijden en de
motor afzetten. Neem contact op met een Er-
kende Seat Werkplaats of een gespecialiseer-
de werkplaats.
Koelvloeistofpeil te laag
Indien het controlelampje brandt, de wa-
gen stoppen, de motor uitschakelen en hem
laten afkoelen. Eerst het koelvloeistofpeil
controleren. Wanneer het koelvloeistofpeil in
het reservoir onder de "MIN"-markering staat,
koelvloeistof bijvullen ››› .
ATTENTIE
● Als
de wagen om technische redenen stil-
gevallen is, hem op een veilige afstand van
het verkeer zetten. De motor afzetten, de
knipperlichten inschakelen en de gevaren-
driehoeken op de weg zetten.
● Nooit de motorkap openen, wanneer u
merkt dat
damp of koelvloeistof naar buiten
komt - gevaar voor verbrandingen! Wachten
tot er geen damp of koelvloeistof meer ont-
snapt.
● De motorruimte van elke wagen is een ge-
vaarlijke
zone. Voordat u werkzaamheden in
de motorruimte uitvoert, de motor afzetten en af laten koelen. Altijd de waarschuwingsaan-
wijz
in
gen op ››› pag. 278 in acht nemen. Antivries/water bijvullen
Lees aandachtig de aanvullende informatie
›› ›
pag. 57
Vul koelvloeistof bij zodra het peil daarvan
onder de markering MIN (minimum) komt.
Koelvloeistofpeil controleren
– De wagen in horizontale stand parkeren.
– Contact uitschakelen.
– Lees het koelvloeistofpeil op het koelvloei-
stof
expansiereservoir af. Bij warme motor
moet het koelvloeistofpeil tussen de mar-
keringen staan. Bij warme motor kan het
peil ook iets boven de MAX-markering lig-
gen.
Antivries/water bijvullen
– Laat de motor afkoelen.
– Bedek de vuldop van het koelvloeistofex-
pans
iereservoir met een doek en draai de-
ze voorzichtig naar links ››› .
– Vul alleen koelvloeistof bij indien in het ex-
pan
s
iereservoir nog koelvloeistof aanwezig
is; indien dit niet het geval is, kan de motor
beschadigd raken. Rijd niet verder als er
geen koelvloeistof meer aanwezig is in het
284