
Controleren en bijvullen
expansiereservoir. Roep de hulp van vak-
men sen in
›
›
› .
– Als nog een restant koelvloeistof aanwezig
is
in het
expansiereservoir, vul dan bij tot
de max. markering.
– Vul koelvloeistof bij totdat het niveau sta-
biel b
lijft.
– Draai de vuldop goed vast.
Koelvloeis
tofverlies moet in de eerste plaats
in lekkage worden gezocht. Wend u direct tot
een gespecialiseerde werkplaats om het
koelsysteem te laten controleren. Bij een
dicht koelsysteem kunnen verliezen alleen
voorkomen, als de koelvloeistof door over-
verhitting kookt en daardoor uit het koelsys-
teem wordt geperst. ATTENTIE
● Het k oel
systeem staat onder druk! De vul-
dop van het koelvloeistofexpansiereservoir
niet openen zolang de motor warm is - gevaar
voor brandwonden!
● Antivries en koelvloeistof zijn schadelijk
voor de gez
ondheid. De antivries daarom al-
leen in de originele verpakking en buiten het
bereik van kinderen bewaren. Anders bestaat
gevaar voor vergiftiging.
● Als u werkzaamheden uitvoert in het mo-
torc
ompartiment, houd er dan rekening mee
dat de radiateurventilator ook bij uitgescha-
keld contact plotseling in werking kan treden
- gevaar voor verwondingen! ATTENTIE
Als er zich onvoldoende koelvloeistof in het
koel sy
steem bevindt, dan kunnen er zich fou-
ten in de motor voordoen en kunnen er bijge-
volg ernstige verwondingen worden opgelo-
pen.
● Er moet worden nagegaan of het additie-
fpercent
age juist is, rekening houdend met
de laagst voorziene omgevingstemperatuur
op de plaats waar de wagen gebruikt zal wor-
den.
● Als er een extreem lage buitentemperatuur
is, kan de k
oelvloeistof bevriezen en kan de
wagen niet meer bewegen. Omdat in dat ge-
val ook de verwarming niet werkt, kunnen in-
zittenden die niet warm genoeg zijn gekleed
doodvriezen. VOORZICHTIG
Vul geen koelvloeistof bij als geen vloeistof
meer aanw ez
ig is in het expansiereservoir! Er
kan zo lucht in het koelsysteem terechtko-
men. In dat geval, niet verder rijden. Roep de
hulp van vakmensen in. Gevaar voor motor-
schade! VOORZICHTIG
De originele additieven mogen niet worden
gemen gd met
koelvloeistoffen die niet zijn
goedgekeurd door SEAT. Deze mengsels kun-
nen ernstige schade veroorzaken aan de mo-
tor en het koelsysteem. ●
Als
de vloeistof in het expansiereservoir
niet lila is maar bijvoorbeeld bruin, dan is het
additief G13 waarschijnlijk gemengd met een
niet-geschikte koelvloeistof. In dat geval
moet de koelvloeistof direct worden ververst.
Anders kan de werking van de wagen ernstig
verstoord worden en kan de motor defect ra-
ken! Milieu-aanwijzing
De koelvloeistof en de toevoegingen kunnen
het milieu
vervuilen. Indien een bedrijfsvloei-
stof vrijkomt, moet die op een daartoe ge-
schikte wijze worden opgevangen en op mili-
euvriendelijke wijze worden afgevoerd. Remvloeistof
R em
vloei
stofpeil controleren Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 58
De plaats van het remvloeistofreservoir is te
zien in de betreffende afbeelding van de mo-
torruimte ››› pag. 280. Het is herkenbaar aan
de zwart-gele vuldop.
Het remvloeistofpeil zakt tijdens het rijden,
omdat de remblokken slijten en automatisch
gesteld worden. »
285
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Aanwijzingen
elektrische apparatuur uitschakelen. De min-
kabel
van de accu losmaken. Bij het vervan-
gen van lampjes is het voldoende om de ver-
lichting uit te schakelen.
● Voordat u de kabels van de accu losmaakt,
door ontgrendelin
g van de wagen het alarm-
systeem uitschakelen! Anders wordt het
alarmsysteem geactiveerd.
● Bij het loskoppelen van de accu van de
elektris
che installatie eerst de minkabel en
daarna de pluskabel losmaken.
● Voordat de accu weer wordt aangesloten,
all
e elektrische apparatuur uitschakelen.
Eerst de pluskabel en daarna de minkabel
aansluiten. De aansluitkabels mogen in geen
enkel geval worden verwisseld – gevaar voor
kabelbrand!
● Nooit een bevroren of ontdooide accu opla-
den - gevaar
voor explosie en etsende werk-
ing! Een accu vervangen als deze eenmaal be-
vroren is geweest. Een lege accu kan al bij
temperaturen rond 0°C (+32°F) bevriezen.
● Let erop dat de ontgassingsslangen altijd
op de accu's
zijn aangesloten.
● Geen accu's gebruiken die beschadigd zijn.
Ontploffing
sgevaar! Beschadigde accu's di-
rect vervangen. VOORZICHTIG
● De k abel
s van de accu nooit bij ingescha-
keld contact losmaken omdat anders de elek-
trische installatie resp. elektronische onder-
delen worden beschadigd. ●
De ac c
u nooit langdurig aan direct daglicht
blootstellen, zodat de accubehuizing tegen
UV-stralen wordt beschermd.
● De accu bij langdurige stilstand van de wa-
gen te
gen vorst beschermen, zodat hij niet
"bevriest" en daardoor wordt beschadigd. Waarschuwingslampje
Gaat branden
Storing in dynamo.
Het controlelampje
gaat
br
anden wanneer
u het contact inschakelt. Het lampje moet na
het aanslaan van de motor uitgaan.
Gaat het controlelampje tijdens het rijden
branden, dan wordt de wagenaccu niet meer
door de dynamo geladen. U moet direct de
dichtstbijzijnde gespecialiseerde werkplaats
opzoeken.
Omdat de accu zich geleidelijk ontlaadt, alle
niet noodzakelijke elektrische apparatuur uit-
schakelen.
Zuurpeil van de accu controleren De zuurtegraad van de accu moet bij veel ge-
r
eden k
i
lometers, in landen met een warm
klimaat en bij oudere accu's regelmatig wor-
den gecontroleerd. –
Motorkap openen en de
voorzijde van de
accu-afdekking omhoogklappen ››› in
V ei
ligheid
saanwijzingen voor werkzaam-
heden in de motorruimte op pag. 278 ››› in Gebruikte symbolen en waarschuwingen
met
betr
ekk
ing tot werkzaamheden aan de
accu van de wagen op pag. 287. In wagens
met accu onder het reservewiel achterklep
openen en tapijt van de bodem oplichten.
Daar bevindt zich, naast het reservewiel, de
accu.
– Kleurweergave in het ronde kijkglas aan de
boven
zijde van de accu controleren.
– Als er luchtbelletjes in het kijkglas zitten,
deze v
erwijderen door voorzichtig op het
kijkglas te tikken.
De plaats van de accu is in de betreffende af-
beelding van de motorruimte in ››› pag. 280
weergegeven.
Het "kijkglas" dat aan de bovenkant van de
accu zit, verandert van kleur afhankelijk van
de ladingstoestand of de zuurtegraad van de
accu.
Twee kleuren worden onderscheiden:
● Zwart: correcte ladingstoestand.
● Transparant/lichtgeel: de accu moet ver-
vang
en worden. Raadpleeg een gespeciali-
seerde werkplaats.
288

Wielen
Accu laden of vervangen De accu is onderhoudsvrij en wordt in het ka-
der v
an ser
vicewerkzaamheden regelmatig
gecontroleerd. Alle werkzaamheden aan de
accu vereisen speciale deskundigheid en ge-
reedschap.
Wanneer veelvuldig korte afstanden worden
gereden en bij langdurige stilstand moet u
de accu vaker dan in het kader van de norma-
le service-intervallen door een gespeciali-
seerde werkplaats laten controleren.
Bij startproblemen vanwege te weinig accula-
ding kan dit op een defecte accu wijzen. In
dit geval adviseren wij u om de accu bij een
Erkende Seat Werkplaats te laten controleren
en respectievelijk op te laden of te vervan-
gen.
Opladen van de accu
Het laden van de accu dient door een specia-
list te gebeuren aangezien accu's met een
speciale technologie worden toegepast waar-
voor laden met spanningsbegrenzing vereist
is.
Accu vervangen
De accu is overeenkomstig de inbouwplaats
ontwikkeld en met veiligheidssystemen uit-
gerust. Originele SEAT-accu's voldoen aan alle on-
derhouds-,
v
ermogens- en veiligheidseisen
van de wagen. ATTENTIE
● Wij a dv
iseren u alleen onderhoudsvrije
resp. cyclusbestendige, lekvrije accu's vol-
gens de normen T 825 06 en VW 7 50 73 te
gebruiken. Deze norm moet van augus-
tus 2001 of recentere datum zijn.
● Vóór alle handelingen aan de accu's de
waars
chuwingen lezen en opvolgen ››› in
Gebruikt e symbo
len en waarschuwingen met
betrekking tot werkzaamheden aan de accu
van de wagen op pag. 287. Milieu-aanwijzing
Accu's bevatten giftige stoffen zoals zwavel-
zuur en lood. Z
ij moeten daarom volgens de
voorschriften worden opgeslagen en afge-
voerd en horen in geen geval bij het huisvuil. Wielen
W iel
en en b
anden
Algemene aanwijzingen Beschadigingen voorkomen
– Alleen langzaam en indien mogelijk in een
rec ht
e hoek tegen stoepranden en dergelij-
ke oprijden.
– De banden niet met olie, vet en brandstof
in aanrakin
g laten komen.
– De banden regelmatig op beschadigingen
contr o
leren (gaten, sneden, scheuren en
bulten). Scherpe voorwerpen uit het ban-
denprofiel verwijderen.
Banden opslaan
– Verwijderde banden markeren. Ze moeten
namelijk dez
elfde looprichting hebben als
ze weer worden gemonteerd.
– Verwijderde banden resp. wielen koel,
droog en z
o donker mogelijk bewaren.
– Banden in verticale stand opslaan, wan-
neer ze niet
op een velg zijn gemonteerd.
Nieuwe banden
Nieuwe banden moet u inrijden ›››
pag. 197.
Op basis van constructiekenmerken en pro-
fielvormen kan de profieldiepte van nieuwe »
289
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Wielen
Let op
● in een Ser v
icecentrum van SEAT moet geke-
ken worden of velgen en banden met een an-
dere afmeting dan de oorspronkelijke plaat-
sing bij SEAT gemonteerd kunnen worden, en
welke combinaties zijn toegestaan tussen de
vooras (as 1) en achteras (as 2).
● Om technische redenen kunt u normaal ge-
sprok
en de velgen van andere wagens niet
gebruiken. Dit geldt soms zelfs voor velgen
van hetzelfde model wagen. Als u banden of
velgen gebruikt die niet door SEAT voor uw
model zijn goedgekeurd, dan kan de toela-
ting van uw wagen voor de openbare weg on-
geldig worden.
● Als de uitvoering van het reservewiel af-
wijkt
van de banden waarmee wordt gereden
- zoals bij winterbanden - mag het reserve-
wiel alleen in geval van pech korte tijd en met
overeenkomstig voorzichtige rijstijl worden
gereden. Het moet zo snel mogelijk weer door
een normaal wiel worden vervangen. Wielbouten
De constructie van velgen en wielbouten is
op elk
aar af
g
estemd. Bij elke aanpassing
aan andere velgen de erbij behorende wiel-
bouten met de juiste lengte en vorm gebrui-
ken. De bevestiging van de wielen en de
werking van het remsysteem hangt daarvan
af. Soms mag u geen wielbouten van wagens
van dezelf
de productieserie gebruiken
››› pag. 265. ATTENTIE
Bij verkeerde behandeling van de wielbouten
kan het w
iel tijdens het rijden losraken - ge-
vaar voor ongevallen!
● Wielbouten moeten schoon zijn en gemak-
kelijk dr
aaien. Zij mogen echter nooit met vet
of olie worden behandeld.
● Alleen die wielbouten gebruiken, die bij de
betreffende
velg horen.
● Wanneer de wielbouten met een te laag
aanhaalmoment
zijn aangetrokken, kunnen
de wielen tijdens het rijden losraken - gevaar
voor ongevallen! Door een te groot aanhaal-
moment kan de wielbout resp. de schroef-
draad worden beschadigd. VOORZICHTIG
Het voorgeschreven aantrekmoment van de
wiel bout
en bij stalen en lichtmetalen velgen
bedraagt 120 Nm. Bandenspanningscontrole*
Afb. 241
Middenconsole: toets van de ban-
den s
p
anningscontrole. Het bandenspanningscontrolesysteem verge-
lijkt
de om
w
entelingen en dus de loopcirkel-
diameter van elk wiel met behulp van de ESC.
Een wijziging in de loopcirkeldiameter van
een wiel wordt aangegeven door het contro-
lelampje van de banden . De loopcirkeldia-
meter van een band varieert als:
● De bandenspanning onvoldoende is.
● De bandenstructuur beschadigd is.
● De wagen onevenwichtig geladen is.
● De wielen van een as dragen meer last (bij-
voorbeeld b
ij het rijden met een aanhangwa-
gen of bij het op- en afrijden van steile hellin-
gen).
● De wagen met sneeuwkettingen rijdt.
● Het reservewiel gemonteerd is. »
293
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Technische gegevens
van de wagen waardoor mogelijk ongevallen,
lich
amelijk
letsel en wagenschade veroor-
zaakt kunnen worden. Rijden met een aanhangwagen
Aanhan g
wagengewichtenDe door ons vrijgegeven aanhangwagenge-
wic
ht
en en kogeldrukken zijn in het kader
van intensieve tests bepaald volgens exact
vastgelegde criteria. De goedgekeurde ge-
wichten van aanhangwagens gelden voor wa-
gens in de EU en altijd tot een maximale
snelheid van 80 km/u (50 mph) (in uitzon-
derlijke gevallen tot 100 km/u (62 mph)). Bij
wagens voor andere landen kunnen deze
waarden afwijken. U moet altijd uitgaan van
de gegevens op het kentekenbewijs ››› .
K og
el
druk
De maximaal toelaatbare kogeldruk mag niet
hoger zijn dan 75 kg.
In het belang van de rijveiligheid adviseren
wij tijdens het rijden de maximaal toelaatba-
re kogeldruk te benutten. Een te geringe ko-
geldruk heeft een negatieve invloed op het
rijgedrag van de wagen met aanhangwagen.
Als de maximaal toelaatbare kogeldruk niet
kan worden gehaald (bijv. bij kleine, lege en
lichte eenassige aanhangwagens resp. tan- demaanhangwagens met een asafstand klei-
ner dan 1,0 m), is
ten minste 4% van het
daadwerkelijke aanhangwagengewicht als
kogeldruk wettelijk voorgeschreven. ATTENTIE
● Uit v
eiligheidsoverwegingen mag u met
een aanhangwagen niet harder rijden dan 80
km/u (50 mph). Dat geldt ook voor landen
waarin een hogere maximumsnelheid geldt.
● Overschrijd nooit het toelaatbare aanhang-
wagen
gewicht en de toelaatbare kogeldruk.
Wanneer de toelaatbare gewichten overschre-
den worden, veranderen de rij-eigenschappen
van de wagen waardoor mogelijk ongevallen,
lichamelijk letsel en wagenschade veroor-
zaakt worden. Wielen
B anden
s
panning en wielbouten Bandenspanning
D
e s
tic
ker met de bandenspanningswaarden
vindt u aan de achterzijde op de portierstijl
linksvoor. De daar aangegeven waarden voor
de bandenspanning gelden voor koude ban-
den. De verhoogde bandenspanning bij war-
me banden niet verlagen ››› .
D e s
p
anning van de winterbanden is zoals
die van de zomerbanden plus 0,2 bar
(2,9 psi / 20 kPa). Wielbouten
Na het v
erwisselen van een wiel het aanhaal-
moment van de wielbouten zo snel mogelijk
met een momentsleutel controleren ››› . Het
aanh aalmoment
b
ij stalen en lichtmetalen
velgen bedraagt 120 Nm. ATTENTIE
● Ten min s
te eenmaal per maand de banden-
spanning controleren. De juiste waarden voor
de bandenspanning zijn van groot belang. Als
de bandenspanning te laag of te hoog is, be-
staat vooral bij hoge snelheden het gevaar
voor ongevallen!
● Wanneer de wielbouten met een te klein
aanhaalmoment
zijn gemonteerd, kunnen de
wielen tijdens het rijden losraken - gevaar
voor ongevallen! Door een te groot aanhaal-
moment kan de wielbout resp. de schroef-
draad worden beschadigd. Let op
Wij adviseren u om u in de werkplaats van
een officiël e de
aler te laten informeren over
de afmetingen van de velgen, banden en
sneeuwkettingen. 298

Technische gegevens›››
afb. 244 CROSSOVER
AUitstekende delen vooraan (mm)803
BUitstekende delen achteraan (mm)769
CWielbasis (mm)2.566
DLengte (mm)4.138
ESpoorbreedte a)
voor (mm)1.503
FSpoorbreedte a)
achter (mm)1.486
GBreedte (mm)1.780
HHoogte bij leeggewicht (mm)1.552 b)
IAfstand tot de grond tussen assen (mm)190
JOverhanghoek voor, beperkt door de bumpermaximaal 20.1°
KOverhanghoek achter, beperkt door de bumpermaximaal 29,5°
Draaicirkel (m)11,0
a)
Dit gegeven varieert naargelang het velgtype.
b) Afmeting tot de dakreling.
302

Trefwoordenlijst
Climatronic . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 170
h andbediende air
c
onditioning . . . . . . . . . . . . . 51
Alarmlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31, 146
Alarmsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15, 136 aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 262
buiten werking stellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 137
Alcantara: schoonmaken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 274
Anti-diefstal alarmsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . 136 buiten werking stellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 137
interieurbewaking en afsleepalarm . . . . . . . . 138
Antiblokkeersysteem . . . . . . . . . . . . . 182, 184, 186 controlelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 187
Antivriesmiddel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 57
Aquaplaning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 292
Asbak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 156
ASR . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 183 controlelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 184
Automatische afstandsregeling . . . . . . . . . . . . . 217 aanwijzingen op het scherm . . . . . . . . . . . . . . 219
bedienen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 221
bijzondere rijsituaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 225
functie om rechts inhalen te vermijden . . . . . 224
functiestoring . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 219
radarsensor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 220
tijdelijk uitschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 224
waarschuwings- en controlelampjes . . . . . . . . 219
Automatische rijlichtregeling . . . . . . . . . . . . . . . 142
Automatische versnellingsbak . . . . . . . . . . . . . . 189 aanwijzingen voor het rijden . . . . . . . . . . . . . . 192
bergafdaalhulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 195
keuzehendelstanden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 189
keuzehendelvergrendeling . . . . . . . . . . . . . . . 191
kick-downsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 193
launch-control programma . . . . . . . . . . . . . . . 194
noodontgrendeling van de keuzehendel . . . . . 48
noodprogramma . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 196 stuurwiel met peddels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 192
tiptronic . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
189, 192
Automatische wasinstallaties . . . . . . . . . . . . . . . 267
AUX-IN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 126
B Bagage . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 157
Bagage opbergen Bevestigingsogen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 159
dakdragersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . 161, 162
Bagageruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16, 157 bagageruimteverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . 147
hoedenplank opbergen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 158
noodontgrendeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
verstelbare bodem van de bagageruimte . . . . 160
zie ook Bagageruimte beladen . . . . . . . . . . . . 157
Bagageruimte beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 157
Balans van de wielen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 291
Banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 289 draairichtinggebonden . . . . . . . . . . . . . . 66, 290
druk . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 290, 291
levensduur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 291
nieuwe banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 292
slijtagemerktekens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 291
spanning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 293
wijzigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62
Bandenafdichtset . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 61, 96 componenten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 97
controle na 10 minuten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 97
de band afdichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 97
De band oppompen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 97
Bandenprofiel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 291
Bandenreparatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96
Bandenreparatieset zie Bandenafdichtset . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96
Bandenspanning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 291, 298
Batterij . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128 Batterij opladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 69
Bediening
selementen aan het stuurwiel . . . . . . 122
Bediening van het systeem Audio . . . . . . . . . . 123
bediening van systeem Audio en Telefoon . . . 124
Beeldscherm . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 115, 116
Bekerhouder voorin . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 156
Bekleding: schoonmaken alcantara . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 274
textiel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 273
Benzine additieven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 276
tanken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 276
Bergafdaalhulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 195
Bergafondersteuning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 195
Besparingstips (efficiencyprogramma) . . . . . . . . . 40
Besturing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74, 173 controlelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 172
elektromechanisch . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 173
stuurbekrachtiging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 173
stuurslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 173
tegenstuurhulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 173
Bestuurder zie Juiste zithouding . . . . . . . . . . . . . . . 73, 74, 75
Bestuurdersgedeelte overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
Bestuurdersinformatiesysteem assistenten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
bedienen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35
besparingstips . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40
buitentemperatuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40
extra verbruikers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40
indicatie van de versnellingen . . . . . . . . . . . . . . 40
menu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 36
motorkap, achterklep en portieren geopend . . 39
motorolietemperatuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40
onderhoudsintervallen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
ritgegevens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37
304

Trefwoordenlijst
snelheidssignaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
w aar
s
chuwings- en informatieberichten . . . . . . 39
Bevestigingsogen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 159
Bewakingssysteem Front Assist aanwijzingen op het scherm . . . . . . . . . . . . . . 212
bedienen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 213
beperkingen van het systeem . . . . . . . . . . . . . 214
City noodremfunctie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 215
functiestoring . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 212
radarsensor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 212
tijdelijk uitschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
Bijrijder zie Juiste zithouding . . . . . . . . . . . . . . . 73, 74, 75
Bijzonderheden aanslepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 99
Binnenaanzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
Binnenspiegel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 149 zelfdimmend . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 149
Binnenverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32
Biodiesel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 277
Bodem van de bagageruimte . . . . . . . . . . . . . . . 160
Bodem van de wagen bescherming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 271
Brandblusser . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95
Brandstof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 55, 276 besparing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 198
brandstofmeter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119
diesel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 277
ethanol . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 276
tanken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 276
verbruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 297
Brandstof besparen inertiestand . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 195
Brandstoftankklep openen en sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 55
Brandstofverbruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 198 waarom neemt het verbruik toe? . . . . . . . . . . . 200 BSD
zie Dodehoekhu lp (BSD) . . . . . . . . . . . . . . . . . 228
Buitenaanzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7, 8
Buitenantenne . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 266
Buitenspiegels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 149 elektrisch naar binnen klappen . . . . . . . . . . . . 150
knop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 150
verstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
verwarmbaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 150
Buitentemperatuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40
C Capaciteiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 55
Centrale vergrendeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 129 alarmsysteem uitgeschakeld . . . . . . . . . . . . . . 136
automatische ontgrendeling . . . . . . . . . . . . . . 131
automatisch vergrendelen door onbedoeld openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 131
automatisch vergrendelen door snelheid . . . . 131
drukknop voor centrale vergrendeling . . . . . . 132
Keyless Access . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 133
noodvergrendeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
ruitbediening . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 140
Safe-beveiliging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 129
sleutel met afstandsbediening . . . . . . . . . . . . 127
veiligheidsontgrendelen . . . . . . . . . . . . . . . . . 131
Centrale wieldop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62, 63
Cetaangetal (diesel) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 277
Chroomdelen schoonmaken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 271
Circulatiefunctie airconditioning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 165
City noodremfunctie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 215
Claxon . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
Climatronic . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49 aanjagerregeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 171
algemene aanwijzingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 163 Automatische regeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 171
bedieningsel
ementen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 170
temperatuur instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 171
voorruitverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 171
Coming Home . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 144
Connectivity Box . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 126
Contactsleutel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 173
Contactslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30, 173 zie Startknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 177
Controlelampjes dodehoekhulp (BSD) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 228
snelheidsbegrenzer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 207
uitparkeerhulp (RCTA) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 228
Cruise control . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 205
D
Dagteller terugzetten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 118
Dakbelasting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 162 technische gegevens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 162
Dakdrager . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 161
Dakdragersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 161 dwarsdragers bevestigen . . . . . . . . . . . . . . . . . 162
Dashboard . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45
Dashboardkastje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 155
De auto beladen bagageruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
Bevestigingsogen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 159
dakdragersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 162
De auto starten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
De batterij vervangen van de autosleutel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128
Defecte lampen een lampje vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104
De motor voorverwarmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 178
De voorairbag uitschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 89
De wagen slepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 67, 98
305