
86
301_nl_Chap05_conduite_ed01-2016
F Draai de knop 1 in de stand "LIMIT":
de snelheidsbegrenzer is geselecteerd,
maar nog niet ingeschakeld (PA
uSe).er kan e
en snelheid worden ingesteld
zonder de begrenzer in te schakelen.
Programmeren Uitschakelen van de
snelheidsbegrenzer
F Draai de knop 1 in de stand "0": de
selectie van de snelheidsbegrenzer wordt
ongedaan gemaakt.
op het d
isplay wordt
weer de kilometerteller weergegeven.
Bij een steile afdaling of bij het krachtig
intrappen van het gaspedaal kan de
snelheidsbegrenzer niet voorkomen dat de
ingestelde snelheid wordt overschreden.
om te vo
orkomen dat de pedalen
blijven hangen:
-
con
troleer of de mat goed is
bevestigd,
-
geb
ruik nooit meer dan één mat per
plaats.
In het geval van een storing in de
snelheidsbegrenzer wordt de ingestelde snelheid
gewist en knipperen de streepjes op het display.
Laat het systeem controleren door het P
eug
eot
-
net
werk of een gekwalificeerde werkplaats.
Storing
F Stel de snelheid in door op de toets 2 of 3 te d rukken (bijv.:
90 km/h ).
u ku
nt de ingestelde snelheid vervolgens wijzigen met de toetsen 2
en 3:
- +/- 1 km = k
ort indrukken,
-
+/- 5 km = l
ang indrukken,
-
+/- i
n stappen van 5
km = i
ngedrukt houden.
Overschrijden van de ingestelde snelheidAls het gaspedaal geleidelijk wordt ingetrapt, wordt de snelheid
niet verhoogd. Als het gaspedaal met kracht wordt ingetrapt, tot
voorbij het zware punt , wordt de begrenzer tijdelijk uitgeschakeld,
gaat de ingestelde snelheid op het display knipperen en klinkt een
geluidssignaal.
Het knipperen van de ingestelde snelheid en de weergave van
het geluidssignaal stoppen automatisch als het gaspedaal wordt
losgelaten. F
Wee
r inschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk nogmaals op
de toets 4 .
F
Ins
chakelen van de snelheidsbegrenzer: druk op de toets 4
.
F
uits
chakelen van de snelheidsbegrenzer: druk nogmaals op de
toets 4 : het uitschakelen wordt bevestigd op het display (PA
uSe).
Rijden

87
301_nl_Chap05_conduite_ed01-2016
Snelheidsregelaar
Met behulp van de snelheidsregelaar kan
de bestuurder met een constante ingestelde
snelheid rijden zonder gas te hoeven geven.
Het inschakelen van de snelheidsregelaar geschiedt
handmatig waarbij de ingestelde snelheid minimaal 40 km /h
dient te bedragen en:
- de vierde versnelling moet zijn ingeschakeld bij een
hand geschakelde versnellingsbak,
- de tweede versnelling moet zijn ingeschakeld bij rijden
in de handmatige stand bij een elektronisch gestuurde
versnellingsbak of automatische transmissie,
- bij een elektronisch gestuurde versnellingsbak moet
st and A zijn geselecteerd en bij een automatische
transmissie moet stand D zijn geselecteerd.
Het uitschakelen van de snelheidsregelaar
geschiedt handmatig met de hendel, door het
rem- of koppelingspedaal in te trappen of, uit
veiligheidsoverwegingen, door activering van de
dynamische stabiliteitsregeling.
Door het gaspedaal in te trappen, kan de ingestelde
snelheid tijdelijk worden overschreden.
Na het afzetten van het contact worden alle ingestelde
snelheden gewist.
om wee
r terug te keren naar de
ingestelde snelheid is het voldoende het gaspedaal los
te laten.
Bij het gebruik van de snelheidsregelaar moet de
bestuurder te allen tijde de snelheidslimiet in acht
nemen en zijn aandacht op het verkeer blijven vestigen.
De bediening van de snelheidsregelaar is
ondergebracht in de hendel A .
1.
Knop voor het selecteren van de snelheidsregelaar2. toets voor het verlagen van de ingestelde
sn elheid
3.
toets voor het verhogen van de ingestelde snelheid4. toets voor het in-/uitschakelen van de
sne lheidsregelaar
Stuurkolomschakelaars
Bij het gebruik van de snelheidsregelaar moet
de bestuurder te allen tijde de snelheidslimiet in
acht nemen, zijn aandacht op het verkeer blijven
vestigen en zijn verantwoordelijkheid nemen.
De informatie van de snelheidsregelaar
wordt weergegeven op het display van het
instrumentenpaneel.
5.
Snelh
eidsregelaar AAN/
uIt6. Snelh
eidsregelaar geselecteerd
7.
Inge
stelde snelheid
Weergave op het display
5
Rijden

88
301_nl_Chap05_conduite_ed01-2016
F Draai de knop 1 in de stand "CRUISE":
de snelheidsregelaar is geselecteerd,
maar nog niet ingeschakeld (PA
uSe).
Programmeren
u kunt de ingestelde snelheid vervolgens wijzigen met de toetsen 2 en 3:
- +/- 1 k m = kort indrukken,
-
+/- 5 k
m = lang indrukken,
-
+/- i
n stappen van 5 km = ingedrukt houden. Let tijdens het gebruik van de
snelheidsregelaar op wanneer u de
snelheid met de toetsen instelt; dit kan
een plotselinge verandering van de
wagensnelheid veroorzaken.
gebr
uik de snelheidsregelaar niet op
gladde wegen of bij zeer druk verkeer.
Bij een steile afdaling kan de
snelheidsregelaar niet voorkomen
dat de ingestelde snelheid wordt
overschreden.
om te vo
orkomen dat de werking van
de pedalen wordt geblokkeerd:
-
con
troleer of de mat goed is
bevestigd,
-
geb
ruik nooit meer dan één mat per
plaats.
In het geval van een storing in de snelheidsregelaar wordt
de ingestelde snelheid gewist en knipperen de streepjes
op het display. Laat het systeem controleren door het
P
euge
ot
-ne
twerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Storing
Uitschakelen van de snelheidsregelaar
F Draai de knop 1 in de stand "0": de selectie van de snelheidsregelaar wordt
ongedaan gemaakt. op he t display wordt weer de kilometerteller weergegeven.
Overschrijden van de ingestelde snelheid
Als de ingestelde snelheid wordt overschreden, gaat de ingestelde
snelheid op het display knipperen.
Het knipperen van de ingestelde snelheid stopt automatisch als de
snelheid weer is gedaald tot de ingestelde snelheid. F
Ste
l de snelheid in door de
wagensnelheid op het gewenste niveau
te brengen en vervolgens op de toets 2
of 3 te drukken (bijv.: 110 km/h).
F
uits
chakelen van de snelheidsregelaar: druk op de toets 4
: het
uitschakelen wordt bevestigd op het display (PA
uSe).
F
Wee
r inschakelen van de snelheidsregelaar: druk nogmaals op de
toets 4 .
Rijden

90
301_nl_Chap05_conduite_ed01-2016
Controleer bij slecht weer of in winterse
omstandigheden of de sensoren
soms bedekt zijn met modder, ijs
of sneeuw. Bij het inschakelen van
de achteruitversnelling geeft een
geluidssignaal (lange pieptoon) aan dat
de sensoren vuil kunnen zijn.
De parkeerhulp kan geluidssignalen
geven als reactie op bepaalde
omgevingsgeluiden (motoren,
vrachtwagens, drilboren, enz.).Als er een storing optreedt,
gaat bij het inschakelen van
de achteruitversnelling dit
verklikkerlampje op het instrumentenpaneel
branden en/of wordt er een bericht op het
display weergegeven, in combinatie met een
geluidssignaal (korte pieptoon).
Raadpleeg het P
eug
eot
-ne
twerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Storing
De functie wordt automatisch
uitgeschakeld zodra een aanhanger
wordt aangekoppeld of een
fietsendrager wordt gemonteerd (auto's
voorzien van een door P
eug
eot
aa
nbevolen trekhaak of fietsendrager).
Uitschakelen/activeren
parkeerhulp achter
De parkeerhulp kan worden geactiveerd
of uitgeschakeld via het configuratiemenu
van de auto.
De status van de functie wordt opgeslagen
bij het afzetten van het contact.
Raadpleeg voor meer informatie over de
toegang tot het menu van de parkeerhulp
het gedeelte "Persoonlijke instellingen -
Configuratie" van het display in het hoofdstuk
"Controles tijdens het rijden".
Rijden

103
301_nl_Chap07_securite_ed01-2016
Het resetten van het systeem moet gebeuren bij afgezet contact en stilstaande auto:
- via h et configuratiemenu van de auto bij auto's met display,
-
met d
e knop in het dashboardkastje bij auto's zonder display.
Monochroom display C
F Druk op de toets " 7" of " 8" o m de
categorie " Rijhulpsysteem ", te selecteren
en bevestig uw keuze door op de middelste
toets te drukken.
F
Dru
k op de toets " 7" of " 8" om
" Bandenspanning " en vervolgens "Reset"
te selecteren en bevestig uw keuzes door
op de middelste toets te drukken.
Het
resetten wordt bevestigd door een
melding.
F Dru
k op de toets MENU
om het algemene
menu te openen.
F
Dru
k op de toets " 7" of " 8" om het
menu " Persoonlijke instellingen -
configuratie ", te selecteren en bevestig
uw keuze door op de middelste toets te
drukken.
F
Dru
k op de toets " 7" of " 8" om het
menu " Configuratie auto instellen ", te
selecteren en bevestig uw keuze door op
de middelste toets te drukken.
7
Veiligheid

104
301_nl_Chap07_securite_ed01-2016
Auto's zonder display
F open het dashboardkastje.
F Hou d deze knop enige tijd ingedrukt.
een g
eluidssignaal met een lage toon geeft aan
dat het systeem is gereset.
een ge
luidssignaal met een hoge toon geeft
aan dat het systeem niet is gereset.
De nieuw opgeslagen waarden van de
bandenspanning worden door het systeem
beschouwd als referentiewaarden.
Storing
Het bandenspanningscontrolesysteem
werkt alleen betrouwbaar als bij het
resetten van het systeem de vier
banden de correcte spanning hebben.
Sneeuwkettingen
Het systeem hoeft niet gereset
te worden na het aanbrengen of
verwijderen van sneeuwkettingen.
Controleer na werkzaamheden aan
het systeem altijd de spanning van
de vier banden en reset het systeem
vervolgens.
Als het waarschuwingslampje te lage
bandenspanning gaat knipperen en vervolgens
blijft branden in combinatie met het lampje
Service, wijst dit op een storing in het systeem.
In dat geval werkt de bandenspanningscontrole
mogelijk niet goed.
Laat het systeem controleren door het Peug
eot-
net
werk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Veiligheid

105
301_nl_Chap07_securite_ed01-2016
uw auto is voorzien van drie systemen die u
he lpen om de auto in een noodsituatie veilig tot
stilstand te brengen:
-
het a
ntiblokkeersysteem (ABS),
-
de el
ektronische remdrukregelaar (
eBD)
,
-
Bra
ke Assist System (BAS).
Hulpsystemen bij het remmen
Antiblokkeersysteem
(ABS) en elektronische
remdrukregelaar
Deze systemen zorgen tijdens het remmen
voor een betere stabiliteit en bestuurbaarheid
van uw auto, vooral op een slecht of glad
wegdek.
Inschakelen
Het antiblokkeersysteem treedt automatisch
in werking zodra een van de wielen dreigt te
blokkeren.
Als het antiblokkeersysteem ingrijpt, is dat
merkbaar aan het trillen van het rempedaal; dit
is de normale werking.
Storing
Brake Assist System (BAS)
Dit systeem zorgt ervoor dat in noodgevallen
de optimale remdruk sneller wordt bereikt,
zodat de remafstand kleiner wordt.
trap h
et rempedaal bij een noodstop
zeer krachtig in en laat het pedaal
niet
los.
trap h
et rempedaal bij een noodstop
krachtig en volledig in en laat het
niet
los. Z
org er bij vervanging van de wielen
(banden en velgen) voor dat er wielen
worden gemonteerd die aan de
voorschriften van de constructeur voldoen. Als dit waarschuwingslampje gaat
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op
het display, duidt dit op een storing in het
antiblokkeersysteem. Door deze storing zou u
tijdens het remmen de controle over uw auto
kunnen verliezen.
Als dit waarschuwingslampje gaat
branden in combinatie met de
controlelampjes STOP en ABS, een
geluidssignaal en een melding op het display,
duidt dit op een storing in de elektronische
remdrukregelaar. Door deze storing zou u
tijdens het remmen de controle over uw auto
kunnen verliezen.
Stop op een veilige plaats.
Raadpleeg in beide gevallen het P
eug
eot
-
net
werk of een gekwalificeerde werkplaats.
Inschakelen
Het systeem wordt ingeschakeld als het
rempedaal sneller wordt ingetrapt dan een
bepaalde grenswaarde.
Het systeem zorgt er dan voor dat de benodigde
bedieningskracht minder wordt en dat de
effectiviteit van het remmen wordt vergroot.
Als de auto rijdt met stilstaande motor is
de rembekrachtiging uitgeschakeld.
7
Veiligheid

106
301_nl_Chap07_securite_ed01-2016
Antislipregeling
(ASR) en elektronisch
stabiliteitsprogramma (ESP)
De antislipregeling verbetert de tractie van de
wielen om doorslippen te voorkomen, door in
te grijpen op de remmen van de aangedreven
wielen en op het motorkoppel.
Het elektronisch stabiliteitsprogramma grijpt
in via de remmen van één of meer wielen en
via het motorkoppel om de auto (binnen de
grenzen van de natuurkundige wetmatigheden)
weer in de juiste koers te brengen.In dat geval gaat dit controlelampje
op het instrumentenpaneel
knipperen. Het ASR /
eSP ve
rhoogt de veiligheid
tijdens het rijden. De bestuurder mag
echter nooit risico's nemen of te hard
rijden.
Deze systemen kunnen alleen goed
werken als de voorschriften van de
constructeur op het gebied van wielen
(banden en velgen), onderdelen
van het remsysteem, elektronische
componenten en montageprocedures
worden opgevolgd en de
werkzaamheden door het P
eug
eot
.
Laa
t de systemen na een aanrijding
controleren door het P
eug
eot
-
net
werk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Storing
Als dit lampje gaat branden, in
combinatie met een geluidssignaal
en een melding op het display is
er sprake van een storing in deze
systemen.
Opnieuw inschakelen:
Deze systemen worden weer automatisch
ingeschakeld als het contact wordt afgezet of
vanaf 50
km
/h.
F
Dru
k nogmaals op de knop om de
systemen handmatig weer in te schakelen.
Het l
ampje van de knop gaat uit.
Als het symbool op het instrumentenpaneel
verdwijnt, betekent dit dat het ASR en het
eSP
we
er ingeschakeld is.
Uitschakelen
In uitzonderlijke omstandigheden (wanneer de
auto vastzit in modder, sneeuw, zand, .. .) kan
het nuttig zijn het ASR /
eSP ui
t te schakelen,
zodat de wielen kunnen spinnen en weer grip
kunnen krijgen.
Stabiliteitscontrolesystemen
Inschakelen
De systemen worden automatisch ingeschakeld
zodra de motor wordt gestart.
De systemen worden geactiveerd zodra de wielen
te weinig grip hebben of de koers van de auto afwijkt
van de door de bestuurder gewenste richting.De weergave van dit symbool op het
instrumentenpaneel geeft aan dat het
ASR en het
eSP is u
itgeschakeld.
F
Dru
k op deze knop aan de onderzijde
van het dashboard (bestuurderszijde)
tot het bijbehorende symbool op het
instrumentenpaneel verschijnt.
Het l
ampje van de knop gaat branden. Raadpleeg het P
eug
eot
-ne
twerk of een
gekwalificeerde werkplaats om het ASR /
eSP
te
laten controleren.
Als de auto rijdt met stilstaande motor,
is de stuurbekrachtiging uitgeschakeld.
Veiligheid