
56
301_nl_Chap03_confort_ed01-2016
ontwasemen - ontdooien voorzijde
Deze opdruk op het bedieningspaneel geeft aan in welke stand de knoppen moeten
staan om de voorruit en de zijruiten snel te ontwasemen of te ontdooien.
Met verwarmings-/
ventilatiesysteem Met handbediende
airconditioning (zonder
display)Met elektronische
airconditioning (met
display)
F Zet de knoppen van de luchttemperatuur
en d
e aanjagersnelheid in de met de
desbetreffende opdruk weergegeven
stand.
F
Zet d
e knop van de luchttoevoer in de
stand "
toev
oer van buitenlucht"
(kn
op naar rechts geschoven).
F
Zet d
e knop van de luchtverdeling in de
stand "Voorruit". F Dru
k op deze toets. Het l
ampje van de toets gaat
branden.
F
Dru
k nogmaals op deze toets om
de airconditioning uit te zetten.
Het l
ampje van de toets gaat uit.
F Zet d
e knoppen van de luchttemperatuur
en de aanjagersnelheid in de met de
desbetreffende opdruk weergegeven
stand.
F
Zet d
e knop van de luchttoevoer in de
stand "
toev
oer van buitenlucht"
(kn
op naar rechts geschoven).
F
Zet d
e knop van de luchtverdeling in de
stand "Voorruit".
F
Sch
akel de airconditioning in door de
desbetreffende toets in te drukken; de
bijbehorende knop gaat branden.
Comfort

60
301_nl_Chap04_amenagements_ed01-2016
USB-/Jack-aansluiting
Deze aansluitmodule "AUX ", die bestaat uit
een JACK-aansluiting en een uSB- poort,
bevindt zich op de middenconsole.
Hierop kunt u draagbare apparatuur aansluiten,
zoals een iPod
® of een uSB-stick.
Da
nkzij de aansluitmodule kunt u de
audiobestanden op uw draagbare apparatuur
beluisteren via de luidsprekers van uw
audiosysteem.
u ku
nt deze bestanden beheren met
het bedieningspaneel van de autoradio
en ze weergeven op het display van het
instrumentenpaneel.
tijdens het gebruik van de uSB- poort kan de
draagbare apparatuur automatisch worden opgeladen.
tijd
ens het opladen wordt een melding weergegeven
als het stroomverbruik van het externe apparaat groter
is dan de door de auto geleverde stroomsterkte.
Armsteun vóór
Voor het comfort en als opbergmogelijkheid
voor de bestuurder en voorpassagier.
Opbergvakken
F toegang tot het afgesloten opbergvak: til
de h andgreep op om het deksel op te tillen.
F
toeg
ang tot het open opbergvak onder de
armsteun: klap de armsteun in zijn geheel
naar achteren.
Aansteker / 12V-aansluiting
F Druk wanneer u de aansteker wilt gebruiken,
de ze in en wacht enkele seconden tot de
aansteker uit zichzelf naar buiten springt.
F
Ver
wijder de aansteker en sluit een geschikte
adapter aan als u een 12V-accessoire
(maximaal vermogen: 120
W)
wilt aansluiten.
u ku
nt bijvoorbeeld een telefoonlader of een
flessenwarmer op deze aansluiting aansluiten.
Plaats na het gebruik direct de aansteker terug.
Raadpleeg voor meer informatie over
het gebruik van deze uitrusting de
rubriek "Audio en telematica". Het aansluiten van elektrische
apparatuur die niet door P
eug
eot
is
g
oedgekeurd, zoals een lader met
uSB
-
aansluitingen, kan leiden tot storingen
in de werking van de elektrische
componenten van de auto, zoals een
slechte radio-ontvangst of storingen in
de weergave van de displays.
Indelingen

64
301_nl_Chap05_conduite_ed01-2016
Starten - afzetten van de motor
Het contactslot heeft 3 standen:
- st and 1 (S
top): sleutel in het contactslot
steken en uit het contactslot verwijderen,
stuurslot vergrendeld,
-
st
and 2
(Co
ntact): stuurslot ontgrendeld,
aanzetten van het contact, voorgloeien
dieselmotor, draaien van de motor,
-
st
and 3
(S
tar ten).
Contactslot
In deze stand werkt de elektrische uitrusting
van de auto en kan externe apparatuur worden
opgeladen.
Als het laadniveau van de accu een bepaalde
minimale grenswaarde heeft bereikt,
schakelt het systeem over op de eco-mode:
de elektrische voeding wordt automatisch
uitgeschakeld zodat de accu voldoende
opgeladen blijft.
Stand ContactDiefstalbeveiliging
Elektronische startblokkering
In de sleutel is een chip aangebracht die over
een specifieke code beschikt. om te ku
nnen
starten, moet bij het aanzetten van het contact
de code van de sleutel worden herkend door de
startblokkering.
Deze elektronische startblokkering blokkeert
het motormanagementsysteem zodra het
contact wordt afgezet en voorkomt zo het
starten van de motor bij een inbraak.
Bij een storing in het systeem
wordt u gewaarschuwd door
dit verklikkerlampje in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op het display.
De auto kan dan niet gestart worden.
Raadpleeg zo snel mogelijk het P
eug
eot
-
netwe
rk.Bewaar de sticker die u bij de aflevering
van uw auto samen met de sleutels is
overhandigd zorgvuldig op een plaats
buiten de auto. Hang geen zware voor werpen aan de
sleutel: dit kan namelijk storingen aan
het contactslot veroorzaken.
Rijden

67
301_nl_Chap05_conduite_ed01-2016
Parkeerrem
Aantrekken
F trek de hefboom van de parkeerrem aan
om u w auto stil te zetten.
Vrijzetten
F trek de hefboom van de parkeerrem licht
om hoog, druk de ontgrendelknop in en duw
de hefboom geheel omlaag.
Draai bij het parkeren van de auto op
een helling de wielen vast tegen het
trottoir, trek de parkeerrem aan, schakel
een versnelling in en zet het contact uit. Als tijdens het rijden dit
verklikkerlampje en het
verklikkerlampje STOP
branden in
combinatie met een geluidssignaal en een
melding op het display, geeft dit aan dat de
parkeerrem nog (iets) is aangetrokken.
5
Rijden

72
301_nl_Chap05_conduite_ed01-2016
op het instrumentenpaneel
ver schijnen de aanduidingen AUTO
en - .
F
Sel
ecteer de stand N .
F
trap h
et rempedaal in.
F
Wac
ht ongeveer 30 seconden tot de
aanduiding N of een ingeschakelde
versnelling op het instrumentenpaneel
verschijnt.
F
Bew
eeg de selectiehendel naar de stand A
en vervolgens naar de stand N .
F
Sta
rt, ter wijl u het rempedaal nog steeds
ingetrapt houdt, de motor.
De versnellingsbak werkt nu weer naar
behoren.
Resetten
Nadat de accu losgekoppeld is geweest, moet
u de versnellingsbak resetten.
F
Zet h
et contact aan.
Controleer voordat u werkzaamheden
onder de motorkap uitvoert of de
selectiehendel in de stand N staat en of
de parkeerrem is aangetrokken. In uitzonderlijke gevallen kan het
voorkomen dat de versnellingsbak
automatisch gereset moet worden: in
dat geval kan de auto niet meer rijden of
schakelt de versnellingsbak niet meer.
op het i
nstrumentenpaneel
verschijnen de aanduidingen
AUTO en -.
u di
ent bij het parkeren echter altijd de
parkeerrem aan te trekken .
Wanneer de auto stilstaat met
draaiende motor, dient u altijd de
selectiehendel in de stand N te zetten.
Voordat u de motor afzet, kunt u:
- de st
and N selecteren om de versnellingsbak
in de neutraalstand te zetten,
of
- de ve
rsnellingsbak in de ingeschakelde
versnelling laten staan. In dat geval kan de
auto niet worden verplaatst.
Volg de hierboven beschreven
procedure.
Parkeren van de auto
Als bij aangezet contact dit
verklikkerlampje gaat branden
en de aanduiding AUTO gaat knipperen in
combinatie met een geluidssignaal en een
melding op het multifunctionele display, duidt
dit op een storing in de versnellingsbak.
Laat het systeem controleren door het
P
euge
ot
-ne
twerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Storing
Rijden

76
301_nl_Chap05_conduite_ed01-2016
Onjuiste waarde bij handmatige
bediening
Dit symbool verschijnt als een
versnelling niet goed is ingeschakeld
(de selectiehendel bevindt zich
tussen twee standen in).
Parkeren van de auto
Voordat u de motor afzet, kunt u de
selectiehendel in de stand P of N bewegen om
de neutraalstand te selecteren.
trek i
n beide gevallen de handrem aan om de
auto stil te zetten.
Storing
geluidssignaal en een waarschuwingsmelding
op het display, duidt dit op een storing in de
transmissie.
In dit geval werkt de transmissie met een
noodprogramma en blijft de 3e versnelling
ingeschakeld.
u ku
nt dan een hevige schok
voelen bij het selecteren van R vanuit de
stand
P , of
R vanuit de stand N . Dit beschadigt
de transmissie niet.
Rijd niet harder dan 100 km/h (afhankelijk van
de geldende snelheidslimiet).
Raadpleeg zo snel mogelijk het P
eug
eot
-
net
werk of een gekwalificeerde werkplaats. De automatische transmissie kan
beschadigd raken:
- als u g
elijktijdig het gas- en het
rempedaal intrapt,
-
als u
, wanneer de accu geen
stroom levert, de selectiehendel
geforceerd in de stand P of een
andere stand zet.
Als u langere tijd stilstaat met draaiende
motor (files...), kunt u, om brandstof
te besparen, de selectiehendel in
de stand
N z
etten en de handrem
aantrekken.
Als de selectiehendel niet in de
stand P staat, verschijnt bij het
openen van het bestuurdersportier
of na ongeveer 45
se
conden een
waarschuwingsmelding op het display.
F
Zet d
e selectiehendel in de stand P;
de melding verdwijnt.
Rijd stapvoets wanneer u op een
ondergelopen weg rijdt of een beek
doorkruist. Als bij aangezet contact
dit verklikkerlampje gaat
branden in combinatie met een
Rijden

80
301_nl_Chap05_conduite_ed01-2016
De automatische transmissie kan
beschadigd raken:
-
als u g
elijktijdig het gas- en het
rempedaal intrapt,
-
als u
, wanneer de accu geen
stroom levert, de selectiehendel
geforceerd in de stand P of een
andere stand zet.
Als de selectiehendel niet in de
stand P staat, verschijnt bij het
openen van het bestuurdersportier
of na ongeveer 45
se
conden een
waarschuwingsmelding op het display.
F
Zet d
e selectiehendel in de stand P;
de melding verdwijnt.
Rijd stapvoets wanneer u op een
ondergelopen weg rijdt of een beek
doorkruist. Als u langere tijd stilstaat met draaiende
motor (files...), kunt u, om brandstof
te besparen, de selectiehendel in
de stand
N z
etten en de parkeerrem
aantrekken.
Handmatig schakelen
Onjuiste waarde bij handmatige
bediening
Parkeren van de auto
Voordat u de motor afzet, kunt u de
selectiehendel in de stand P of N bewegen om
de neutraalstand te selecteren.
trek i
n beide gevallen de parkeerrem aan om
de auto stil te zetten.
Storing
F Selecteer de stand M om sequentieel te
s chakelen tussen de zes versnellingen.
F
Bew
eeg de selectiehendel naar het symbool
+
o
m één versnelling op te schakelen.
F
Bew
eeg de selectiehendel naar het symbool
-
o
m één versnelling terug te schakelen.
Het schakelen naar een andere versnelling
kan alleen als de snelheid van de auto en
het toerental van de motor dit toestaan,
anders wordt er tijdelijk overgegaan op de
automatische bediening.
D en verschijnen achtereenvolgens
de ingeschakelde versnellingen.
Als het motortoerental te laag of te hoog is,
knippert de geselecteerde versnelling enkele
seconden en vervolgens wordt de werkelijk
ingeschakelde versnelling weergegeven.
er kan e
lk moment van de stand D (rijden in de
automatische stand) naar de stand M (rijden in
de handbediende stand) worden geschakeld.
Als de auto stopt of langzaam rijdt,
wordt automatisch de eerste versnelling
ingeschakeld.Als bij aangezet contact dit
verklikkerlampje gaat branden
in combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingsmelding op het display, duidt dit op
een storing in de transmissie.
In dit geval werkt de transmissie met een
noodprogramma en blijft de 3
e versnelling
ingeschakeld. u ku
nt dan een hevige schok voelen
bij het selecteren van R vanuit de stand
P, of
R vanuit
de stand N . Dit beschadigt de transmissie niet.
Rijd niet harder dan 100 km/h (afhankelijk van de
geldende snelheidslimiet).
Raadpleeg zo snel mogelijk het P
eug
eot
-ne
twerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
Dit symbool verschijnt als een
versnelling niet goed is ingeschakeld
(de selectiehendel bevindt zich
tussen twee standen in).
De programma's Sport en Sneeuw zijn
niet beschikbaar in de handbediende
stand.
Rijden

85
301_nl_Chap05_conduite_ed01-2016
Snelheidsbegrenzer
De snelheidsbegrenzer voorkomt dat de auto de
door de bestuurder ingestelde maximumsnelheid
overschrijdt.
Als de ingestelde maximumsnelheid is bereikt, heeft
het dieper intrappen van het gaspedaal geen effect.
Het inschakelen van de snelheidsbegrenzer
geschiedt handmatig: de ingestelde snelheid
dient minimaal 30
km
/h te bedragen.
Het uitschakelen van de snelheidsbegrenzer
geschiedt eveneens handmatig met de hendel.
Door het gaspedaal tot voorbij het zware punt
in te trappen, kan de ingestelde snelheid
tijdelijk worden overschreden.
Als het gaspedaal vervolgens geleidelijk weer
wordt losgelaten en de wagensnelheid onder
de ingestelde maximumsnelheid komt, wordt de
snelheidsbegrenzer weer geactiveerd.
Bij het gebruik van de snelheidsbegrenzer
moet de bestuurder te allen tijde de
snelheidslimiet in acht nemen en zijn
aandacht op het verkeer blijven vestigen. De bediening van de snelheidsbegrenzer is
ondergebracht in de hendel A
.
1.
Kno
p voor het selecteren van de
snelheidsbegrenzer
2.
toet
s voor het verlagen van de ingestelde
snelheid
3.
toet
s voor het verhogen van de ingestelde
snelheid
4.
toet
s voor het in-/uitschakelen van de
snelheidsbegrenzer
Stuurkolomschakelaars
De informatie van de snelheidsbegrenzer
wordt weergegeven op het display van het
instrumentenpaneel.
5.
Sne
lheidsbegrenzer A AN/
uIt6. Sne
lheidsbegrenzer geselecteerd
7.
Inge
stelde snelheid
Weergave op het display
De ingestelde maximumsnelheid blijft na het
afzetten van het contact opgeslagen in het
geheugen.
5
Rijden