
5
Vóór het rijden / 5-3
Standen contactslot / 5-5
Toets ENGINE START/STOP / 5-8
Handgeschakelde transmissie / 5-13
Automatische transmissie / 5-18
Remsysteem / 5-26
Cruise control-systeem / 5-38
Brandstofbesparing / 5-42
Rijden onder speciale rijomstandigheden / 5-44
Rijden in de winter / 5-49
Massa van de auto / 5-54
Rijden met een aanhanger / 5-55
Rijden met uw auto

Rijden met uw auto
22
5
Gebruik van de selectiehendel
Opschakelen (+) : Druk de
selectiehendel één
keer naar voren om
één versnelling op te
schakelen (1).
Terugschakelen (-) : T rek de
selectiehendel één
keer naar achteren
om één versnelling
terug te schakelen(2).
Gebruik van de shift paddles aan het
stuurwiel (indien van toepassing)
Opschakelen (+) : Trek één keer aan de rechter shift paddle
om één versnelling op
te schakelen (3).
Terugschakelen (-): Trek één keer aan de linker shift paddle
om één versnelling
terug te schakelen(4).
✽✽AANWIJZING
Wanneer de selectiehendel in stand P, N
of R staat, kunt u niet met de shift
paddles aan het stuurwiel een andere
versnelling inschakelen. Als u in de
sportstand gelijktijdig aan de linker en
rechter shift paddle trekt, kunt u geen
andere versnelling inschakelen. ✽
✽
AANWIJZING
In de sportstand moet de bestuurder zelf opschakelen overeenkomstig de
rijomstandigheden en ervoor zorgen
dat het motortoerental beneden het
rode gebied blijft.
In de sportstand kunnen alleen de 8 versnellingen vooruit gekozen
worden. Zet de selectiehendel in stand
R of P om de auto respectievelijk
achteruit te rijden of te blokkeren bij
het parkeren.
In de sportstand wordt automatisch
teruggeschakeld wanneer de auto
snelheid mindert. Als de auto tot
stilstand komt, wordt automatisch de
eerste versnelling ingeschakeld.
Als in de sportstand het motortoerental in het rode gebied
raakt, schakelt de transmissie
automatisch op.
Om de voorgeschreven prestaties en veiligheid te waarborgen, wordt er
soms niet geschakeld wanneer de
selectiehendel wordt bediend.
Druk de selectiehendel naar voren (+) bij het wegrijden op een glad wegdek.
Hierdoor schakelt de transmissie naar
de 2e versnelling, die beter geschikt is
voor het soepel wegrijden op een
gladde ondergrond. Trek de
selectiehendel naar achteren (-) om de
eerste versnelling weer in te
schakelen.Schakelblokkeersysteem
(indien van toepassing)
De automatische transmissie heeft een
schakelblokkeersysteem dat voorkomtdat de selectiehendel uit stand P
(parkeren) in stand R (achteruit) kan
worden gezet zonder dat het rempedaal
is ingetrapt.
Schakelen van stand P (parkeren) naar
stand R (achteruit):
1. Houd het rempedaal ingetrapt.
2. Start de motor of zet het contact in stand ON.
3. Houd de ontgrendelknop van de selectiehendel ingedrukt.
4. Verzet de selectiehendel.
Als het rempedaal herhaaldelijk wordt
ingetrapt en losgelaten met de
selectiehendel in de stand P, kan een
ratelend geluid bij de selectiehendel
worden gehoord. Dit is een normaal
verschijnsel.

529
Rijden met uw auto
Controleer of het waarschuwingslampje
van het remsysteem werkt door het
contact in stand ON te zetten (start de
motor niet). Dit lampje gaat branden
wanneer het contact in stand START of
ON wordt gezet en de parkeerrem is
geactiveerd.
Zorg ervoor dat de parkeerrem voor het
wegrijden vrij is en controleer of het
waarschuwingslampje van het
remsysteem niet brandt.
Als het waarschuwingslampje van het
remsysteem blijft branden nadat de
parkeerrem vrij is en de motor draait, kan
er een storing in het remsysteem zijn.Laat dit direct controleren. Breng de auto indien mogelijk direct tot
stilstand. Als dat niet mogelijk is, rijdt dan
erg voorzichtig door naar een plaats
waar u wel kunt stoppen.Antiblokkeersysteem (ABS)
WAARSCHUWING
ABS (of ESP) kan geen ongelukken
voorkomen die het gevolg zijn van
gevaarlijk rijgedrag. Hoewel de autobij een noodstop beter onder
controle gehouden kan worden, is
het toch noodzakelijk voldoende
afstand tot uw voorligger te
bewaren. U moet uw rijsnelheidaltijd aanpassen aan deomstandigheden en zo nodig uw
snelheid verlagen.
De remweg van auto’s met ABS (of
ESP) kan in de volgende situaties
langer zijn dan van auto’s zonder
een dergelijk systeem.
Rijd in dergelijke situaties met een
gereduceerde snelheid:
Op slechte wegen, wegen met steenslag of wegen die met sneeuw bedekt zijn.
(Vervolg)
(Vervolg)
Als er sneeuwkettingengemonteerd zijn.
Op wegen met kuilen of met hoogteverschillen.
Probeer de werking van het ABS (of
ESP) van uw auto niet uit bij hoge
snelheden of tijdens het nemen van
een bocht. Hiermee kunt u zichzelf
en anderen in gevaar brengen.
WK-23

531
Rijden met uw auto
✽✽AANWIJZING
Als u de auto met een hulpaccu moet
starten doordat de accu is leeggeraakt,
draait de motor mogelijk niet soepel
rond en kan bovendien het
waarschuwingslampje ABS gaan
branden. Dit komt door de lage
accuspanning. Het betekent niet dat er
een storing in het ABS is.
Rem niet “pompend”!
Laat de accu bijladen voordat u wegrijdt.
Voertuigstabiliteitsregeling
(ESP - Electronic stability
program) (indien van toepassing)
Het ESP-systeem is ontworpen om de
stabiliteit van de auto in bochten te
verbeteren. Het ESP controleert in welke
richting u stuurt en in welke richting de
auto daadwerkelijk beweegt. Het ESP remt de wielen gericht af en
grijpt indien nodig in in het
motormanagementsysteem om de autote stabiliseren.
OPMERKING
Als u op een weg rijdt waar erg
weinig grip is, bijvoorbeeld bij
vorst, en voortdurend de remmenbedient, is het ABS voortdurendin werking en kan het waarschuwingslampje ABS gaan
branden. Zet de auto stil op eenveilige plaats en zet de motor uit.
Start de motor opnieuw. Als het waarschuwingslampje ABS dooft,
is het ABS in orde. Anders is ermogelijk een storing in het ABS.We adviseren u contact op tenemen met een officiële
HYUNDAI-dealer.
WAARSCHUWING
Rijd niet harder dan de toestand van
de weg toelaat en neem bochten
niet met een te hoge snelheid. De
voertuigstabiliteitsregeling (ESP)
kan aanrijdingen niet voorkomen. Te
hoge bochtensnelheden, abrupteuitwijkmanoeuvres en aquaplaningop een nat wegdek kunnen nog
steeds leiden tot ernstige
ongelukken. Alleen een bestuurderdie veilig en oplettend rijdt kan
aanrijdingen voorkomen doormanoeuvres te vermijden die
kunnen leiden tot het verlies van
grip van de banden. Neem ook bij
een auto die is uitgerust met ESP de
normale voorzorgsmaatregelen in
acht en pas uw snelheid altijd aanaan de omstandigheden.
OBK059011
OBK052011L
Type A
Type B

Rijden met uw auto
32
5
Het ESP-systeem (Electronic Stability
Program) is een elektronisch systeem
dat ontworpen is om de auto onderongunstige omstandigheden beter onder
controle te kunnen houden. Het systeem
is geen vervanging voor een veilig
rijgedrag. Zaken als snelheid, conditie
van de weg en stuurcommando’s van de
bestuurder hebben invloed op de mate
waarin het ESP verlies van controle over
de auto kan voorkomen. Het blijft te allen
tijde de verantwoordelijkheid van debestuurder de snelheid aan te passen
aan de omstandigheden en te zorgen
voor een juiste veiligheidsmarge.
In dat geval is een tikkend geluid hoorbaar in het remsysteem en kan het
rempedaal gaan trillen. Dit is normaal.
Het betekent dat het ESP in werking isgetreden.
✽✽
AANWIJZING
Na het starten van de motor en het
wegrijden kan er in de motorruimte een
klikkend geluid hoorbaar zijn. Dat is
normaal en geeft aan dat het ESP op de
juiste manier werkt.
Werking voertuigstabiliteitsregeling
Voertuigstabiliteitsregeling ingeschakeld wordt gezet, gaan de controlelampjes ESP en ESP
OFF gedurende ongeveer 3
seconden branden, waarna
de voertuigstabiliteitsregeling
wordt ingeschakeld.
om de voertuigstabiliteitsregeling uit
te schakelen, de toets ESP
OFF in nadat het contact
in stand ON is gezet. (Hetcontrolelampje ESP OFF
gaat branden). Druk op detoets ESP OFF om de
voertuigstabiliteitsregeling in
te schakelen (controlelampje ESP OFF dooft).
motor is mogelijk een zacht
tikkend geluid hoorbaar. Dit isde automatische
zelfdiagnosefunctie van de
voertuigstabiliteitsregeling en
duidt niet op een storing. In werking
Als de voertuigstabiliteitsregeling
in werking treedt, gaat hetcontrolelampje ESP knipperen.
Als de voertuig
-stabiliteitsregeling werkt,
voelt u mogelijk lichte
trillingen in de auto. Dit wordt
veroorzaakt door het
aansturen van de remmen en
is normaal.
gladde weg neemt het
motortoerental mogelijk niet
toe, ondanks dat u het
gaspedaal intrapt.
-

533
Rijden met uw auto
Voertuigstabiliteitsregelinguitschakelen
Voertuigstabiliteitsregeling uitgeschakeld
verschillende modi waarin de
voertuigstabiliteitsregeling is
uitgeschakeld.
Als de motor uit wordt gezet
wanneer de
voertuigstabiliteitsregeling is
uitgeschakeld, blijft de
voertuigstabiliteitsregeling
uitgeschakeld. Pas wanneer
de motor opnieuw wordt
gestart, zal de
voertuigstabiliteitsregeling
automatisch weer worden
ingeschakeld.
Voertuigstabiliteitsregeling
uitgeschakeld 1
Druk, om de voertuigstabiliteitsregeling
uit te schakelen, de toets ESP OFF
(ESP OFF ) kort in (controlelampje
ESP OFF (ESP OFF ) gaat
branden). In deze modus werkt hetmotorregelsysteem niet.
Dat betekent dat de anti-
doorslipregeling niet werkt. Alleen de
remfunctieregeling werkt.
Voertuigstabiliteitsregeling
uitgeschakeld 2 Houd, om de
voertuigstabiliteitsregeling uit te
schakelen, de toets ESP OFF (ESP
OFF ) ten minste 3 seconden
ingedrukt. Het controlelampje ESP
OFF (ESP OFF ) gaat branden en
de waarschuwingszoemer ESP OFF
klinkt. In deze modus werken hetmotorregelsysteem en de
remfunctieregeling niet. Dat betekent
dat de voertuigstabiliteitsregeling niet
langer werkt.
OBK052037LOBK052038L
Super Vision-instrumentenpaneel Super Vision-instrumentenpaneel

Rijden met uw auto
34
5
Controlelampje ESP
(voertuigstabiliteitsregeling)
Het controlelampje EPS gaat branden op het moment dat het contact in stand
ON wordt gezet en moet na ongeveer 3
seconden weer doven. Als de
voertuigstabiliteitsregeling is
ingeschakeld, registreert dit systeem de
rijomstandigheden. Zolang deze normaal
zijn, blijft het controlelampje ESP uit.
Zodra het systeem registreert dat de
wielen door willen gaan slippen, wordt de
voertuigstabiliteitsregeling geactiveerden gaat het controlelampje ESP knipperen.
Maar als het ESP-systeem defect is, gaat
het controlelampje branden en blijft aan.
We adviseren u het systeem te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Controlelampje ESP OFF
Het controlelampje EPS OFF gaat
branden op het moment dat het contact
in stand ON wordt gezet en moet na
ongeveer 3 seconden weer doven. Druk
op de schakelaar ESP OFF om de
voertuigstabiliteitsregeling uit te
schakelen. Het controlelampje ESP OFF gaat branden om aan te geven dat het
systeem is uitgeschakeld.
Als u de parkeerrem gebruikt om de auto tot stilstand te brengen met het ESP-
systeem in de stand-bystand terwijl de
remmen niet goed werken, wordt het
ESP-systeem uitgeschakeld en gaat hetcontrolelampje ESP OFF mogelijk
gedurende ongeveer 5 minuten branden.
OPMERKING
Gebruik de parkeerrem niet om de
auto tot stilstand te brengen. Doedit alleen in een noodgeval.
OPMERKING
Als er banden en/of velgen met eenverschillende maat onder de auto
gemonteerd zijn, kan dat de werking van het ESP in negatievezin beïnvloeden. Zorg er daarom voor dat als de banden onder uw
auto vervangen moeten worden, zedezelfde maat hebben als de originele banden.
WAARSCHUWING
De voertuigstabiliteitsregeling is
slechts een hulpmiddel bij het
rijden. Pas op bochtige en gladde
wegen uw rijsnelheid aan. Rijd
voorzichtig en probeer niet te
accelereren als het controlelampje
ESP knippert of als u op een gladdeweg rijdt.

535
Rijden met uw auto
Voertuigstabiliteitsregelinguitschakelen
Tijdens het rijden
Het verdient aanbeveling om de voertuigstabiliteitsregeling waar
mogelijk ingeschakeld te houden. Als
de voertuigstabiliteitsregeling is
uitgeschakeld, gaat het maken van
een bocht of bergopwaarts rijdenmoeilijk.
Schakel de voertuigstabiliteitsregeling tijdens het rijden alleen uit als u op een
vlakke weg rijdt.
Druk nooit op de toets ESP OFF als
de voertuigstabiliteitsregeling in werking
is (controlelampje ESP knippert).
Het kan gevaarlijk zijn om de
voertuigstabiliteitsregeling uit te
schakelen terwijl deze in werking is,
omdat de auto onverwachts in een slip
kan raken.
✽✽ AANWIJZING
Schakel de voertuigstabiliteitsregeling uit (controlelampje ESP OFF
brandt) als de auto op een rollenbank
getest wordt. Als dat niet gebeurt, kan
het toerental van de wielen mogelijk
niet verhoogd worden, waardoor een
foutieve diagnose zou kunnen worden
gesteld.
Het uitschakelen van de voertuigstabiliteitsregeling heeft geen
gevolgen voor een correcte werking
van het ABS en het remsysteem.Hill-start Assist Control (HAC)
(indien van toepassing)
Een auto heeft de neiging om achteruit te
rijden als u wegrijdt op een helling. De
Hill-start Assist Control (HAC) voorkomt
dat de auto dan achteruitrijdt, doordat de
remmen automatisch ongeveer 2
seconden bediend worden. De remmen
worden weer gelost wanneer het
gaspedaal ingetrapt wordt of na
ongeveer 2 seconden.
✽✽ AANWIJZING
De HAC werkt niet wanneer de selectiehendel in stand P of N staat.
De HAC wordt wel geactiveerd
wanneer het ESP-systeem
uitgeschakeld is, maar niet wanneer
er een storing in het ESP-systeem is
opgetreden.
De HAC is alleen van toepassing op auto's met handgeschakelde
transmissie.
WAARSCHUWING
Druk nooit op de schakelaar ESP OFF als de voertuigstabiliteitsregeling
in werking is (controlelampje ESP
knippert).
Als het systeem in dat geval toch
wordt uitgeschakeld, kan de autogaan slippen.
WAARSCHUWING
De HAC werkt maar ongeveer 2
seconden. Trap dus altijd hetgaspedaal in wanneer de auto in
beweging komt.