
108
Status van het lampje op
de toetsMelding op het displayStatus van het symbool op
het displayGeluidssignaal
Betekenis
Uit ---Het systeem is ingeschakeld
(automatisch na elke keer dat de auto
wordt gestart).
Uit Lane Departure Warning
System ingeschakeldVerklikkerlampjes
en
worden permanent weergegeven
-
Het systeem is ingeschakeld, maar er
wordt niet aan alle werkingsvoorwaarden
voldaan.
Uit Lane Departure Warning
System ingeschakeld-
-Het systeem is ingeschakeld en er wordt
aan alle werkingsvoorwaarden voldaan:
het systeem kan geluidssignalen en
visuele waarschuwingen geven.
Uit -Verklikkerlampje
knippertJa
Het systeem is ingeschakeld en
herkent de werkingsvoorwaarden: het
signaleert dat de afstand tot de linker
rijstrookmarkering groter wordt.
Uit -Verklikkerlampje
knippertJa
Het systeem is ingeschakeld en
herkent de werkingsvoorwaarden: het
signaleert dat de afstand tot de linker
rijstrookmarkering groter wordt.
Rijden

109
Status van het lampje op
de toetsMelding op het displayStatus van het symbool op
het displayGeluidssignaal
Betekenis
Aan Lane Departure Warning
System ingeschakeld-
NeeHet systeem is handmatig uitgeschakeld.
Aan Lane Departure Warning
System niet beschikbaarStoringsverklikkerlampje
JaTijdelijke storing van het systeem: reinig
de voorruit.
Aan Lane Departure Warning
System niet beschikbaarStoringsverklikkerlampje
JaSysteemstoring: raadpleeg altijd
het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
6
Rijden

110
Bandenspanningscontrolesysteem
Het controlesysteem van de
bandenspanning is een hulpsysteem; de
bestuurder moet waakzaam blijven.
Ondanks de aanwezigheid van dit systeem
dient u maandelijks en voor elke lange reis de
bandenspanning (ook die van het reservewiel)
handmatig te controleren.
Het rijden met een te lage bandenspanning
heeft een nadelige invloed op het weggedrag
en de remweg van de auto en veroorzaakt
vroegtijdige bandenslijtage, vooral onder
zware omstandigheden (zware belading, hoge
snelheden, een lange rit).
Een te lage bandenspanning leidt ook tot
een hoger brandstofverbruik. U kunt de meeteenheid waarin de bandenspanning
wordt weergegeven configureren door op de toets
MODE
te drukken: selecteer vervolgens in het menu
"Meeteenheid bandenspanning" de eenheid psi, bar
of kPa.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over de configuratie van de auto .
Waarschuwing te lage
bandenspanning
Deze waarschuwing bestaat uit het
permanent branden van het lampje, een
geluidssignaal en, afhankelijk van de
uitvoering van uw auto, een melding op
het display.
Dit systeem controleert automatisch de
bandenspanning tijdens het rijden.
Zodra de auto rijdt, controleert het systeem
permanent de spanning van de vier banden.
In het ventiel van elke band (met uitzondering van
het reservewiel) is een druksensor gemonteerd.
Het systeem geeft een waarschuwing zodra wordt
gesignaleerd dat de spanning van een of meer
banden te laag is. Als er een afwijking in de bandenspanning van één
band wordt geconstateerd, kan deze band worden
herkend aan het pictogram of, afhankelijk van de
uitvoering, de weergegeven melding.
-
V
erminder onmiddellijk uw snelheid en vermijd
plotselinge stuurbewegingen en krachtig
remmen.
-
Z
et de auto zo snel mogelijk stil, wanneer de
verkeersomstandigheden dit toelaten.
-
G
ebruik in het geval van een lekke band
de bandenreparatieset of het reservewiel
(afhankelijk van de uitvoering).
-
B
ij een te lage bandenspanning:
•
C
ontroleer als u een compressor in
de auto hebt (bijvoorbeeld die van de
bandenreparatieset) de spanning van de vier
banden als deze zijn afgekoeld.
of
De door de fabrikant voor uw auto aanbevolen
bandenspanning staat vermeld op de
bandenspanningssticker.
De bandenspanning moet worden
gecontroleerd als de banden "koud" zijn (de
auto heeft langer dan een uur stilgestaan
of er is minder dan 10
km gereden met
een beperkte snelheid). Onder andere
omstandigheden moet de bandenspanning
ten opzichte van de op de sticker vermelde
spanning met 0,3
bar worden verhoogd.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over de identificatie , met
name de bandenspanningssticker.
Rijden

112
Uitschakelen
F Zet de versnellingsbak in de neutraalstand.
Storing
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats
als dit verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel gaat branden in
combinatie met een melding op het
display.
Achteruitrijcamera
De achteruitrijcamera (afhankelijk van de uitvoering)
bevindt zich aan de achterzijde, ter hoogte van het
derde remlicht.
Inschakelen
De camera wordt automatisch ingeschakeld zodra
de achteruitversnelling wordt ingeschakeld en blijft
actief tot een snelheid van ongeveer 15 km/h. Bij
een snelheid hoger dan 18
km/h wordt de camera
uitgeschakeld.
De camera wordt ook ingeschakeld als de auto
stilstaat en de achterdeuren worden geopend.
Uitschakelen
Als een vooruitversnelling wordt ingeschakeld,
wordt het laatste beeld nog ongeveer 5 seconden
weergegeven en gaat het scherm vervolgens uit.
Het laatste beeld wordt op dezelfde wijze
weergegeven als de auto stilstaat en de
achterdeuren worden gesloten.
Onder optimale omstandigheden van de auto
(stand op het wegdek, belading) is het bereik
van de camera ongeveer 3
meter in diepte en
5,5
meter in breedte.
Het beeldbereik is afhankelijk van de (weers)
omstandigheden buiten de auto (lichtsterkte,
regen, sneeuw, mist,…), de belading van de
auto en de stand van de auto ten opzichte van
het wegdek.
Gebruik om de camera en het scherm te
reinigen geen schoonmaakmiddelen die
krassen op het glas kunnen veroorzaken.
Het is raadzaam hier voor gebruik te maken
van een zachte doek of plumeau.
De camerabeelden worden weergegeven op een
scherm in de cabine.
De camera kan worden in- en uitgeschakeld
via het menu "Instellingen" van het audio-/
telematicasysteem met touchscreen.
Deze beelden zijn een visueel hulpmiddel bij het
achteruitrijden. De achteruitrijcamera kan worden
gecombineerd met de parkeerhulp achter.
Als de auto minder dan ongeveer 30
centimeter van het obstakel ver wijderd is, is het
geluidssignaal continu hoorbaar.
Rijden

113
LuchtveringNaast de standaard wagenhoogte beschikt u over
6 standen, omhoog (van +1 tot +3) en omlaag (van
-1
tot -3). De ingestelde stand wordt aangegeven op
het display van het instrumentenpaneel.
Handmatig wijzigen van de
wagenhoogte achter
Wagenhoogte achter omhoog
F Druk kort op de toets om een hogere stand te selecteren.
Elke keer dat op de toets wordt
gedrukt (lampje brandt), wordt de
wagenhoogte achter één stand
verhoogd: +1
tot +3.
Houd de toets ingedrukt om de hoogste stand (+3)
te selecteren.
Wagenhoogte achter omlaag
F Druk kort op de toets om een lagere stand te selecteren.
Als uw auto is voorzien van luchtvering, kunt u
de
hoogte van de wagenhoogte achter wijzigen om het
in- en uitladen te vergemakkelijken.
Elke keer dat op de toets wordt gedrukt (lampje
brandt), wordt de wagenhoogte achter één stand
verlaagd: -1 tot -3.
Houd de toets ingedrukt om de laagste stand (-3) te
selecteren.
Terugkeren naar de nominale
wagenhoogte achter
F Druk op de schakelaar "omhoog" (bij een lage stand van de vering) of "omlaag" (bij een hoge
stand) tot de nominale stand is bereikt.
Uitschakelen
F Houd de twee toetsen gelijktijdig ingedrukt om het systeem uit te schakelen. De LED's blijven
branden.
Weer inschakelen
Houd de twee toetsen gelijktijdig ingedrukt om het
systeem weer in te schakelen. De LED's gaan uit.
Bij een wagensnelheid hoger dan 5
km/h,
wordt het systeem automatisch weer
ingeschakeld.
Automatische wijziging van
de wagenhoogte achter
Bij een wagensnelheid hoger dan 20 km/h wordt de
w agenhoogte achter automatisch op de nominale
stand teruggebracht.
6
Rijden

130
Werking
Dit filter, dat is opgenomen in het
uitlaatsysteem, slaat roetdeeltjes op. De
motormanagementcomputer regelt automatisch
en periodiek de verbranding van de opgeslagen
roetdeeltjes (regeneratie).
De regeneratie vindt plaats als aan
bepaalde voor waarden met betrekking tot
het aantal opgeslagen roetdeeltjes en de
gebruiksomstandigheden van de auto wordt
voldaan. Als er een regeneratie plaatsvindt, kunt
u
dit merken aan enkele verschijnselen (een
hoger stationair toerental, inschakelen van de
koelventilator, meer rook uit de uitlaat en hogere
temperatuur van de uitlaat) die geen gevolgen
hebben voor de werking van de auto en het milieu.
Nadat u
langdurig met lage snelheden hebt
gereden of nadat de motor langdurig stationair
heeft gedraaid, kan het in uitzonderlijke
gevallen voorkomen dat waterdamp bij de
uitlaat zichtbaar is bij het gas geven. Dit is niet
van invloed op de werking van de auto of het
milieu. Vanwege de hoge uitlaattemperatuur als
gevolg van de normale werking van het
roetfilter is het raadzaam de auto uit de
buurt van brandbaar materiaal (gras, dorre
bladeren, dennenaalden, enz.) te parkeren om
brandgevaar te voorkomen.
Verzadiging/regeneratie
Bij het gevaar van verstopping van
het roetfilter gaat dit lampje branden
in combinatie met een melding op het
display van het instrumentenpaneel.
Deze waarschuwing wijst op een beginnende
verzadiging van het roetfilter (veelvuldige
stadsritten: lage snelheden, verkeersopstoppingen,
e n z .) .
Om het filter te regenereren wordt aangeraden
zo spoedig mogelijk, als de verkeerssituatie en
-regels dit toelaten, gedurende ongeveer 15
minuten
met een snelheid van meer dan 60
km/h en een
toerental hoger dan 2000
t /min te gaan rijden (tot
het lampje uitgaat en de waarschuwing verdwijnt).
Zet de motor niet af voordat de regeneratie voltooid
is: als de regeneratie vaak wordt onderbroken, kan
de motorolie voortijdig vervuild raken. Het wordt
afgeraden om het regeneratieproces te voltooien
terwijl de auto stilstaat.
Storing
Als deze waarschuwing aanwezig blijft, negeer deze
dan niet. De waarschuwing duidt op een storing in
het uitlaatsysteem/roetfilter.
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-
netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Handgeschakelde
versnellingsbak
De versnellingsbak is onderhoudsvrij
(olie verversen niet noodzakelijk).
Remblokken
De slijtage van de remblokken is
sterk afhankelijk van de rijstijl, vooral
bij stadsverkeer en veel korte ritten.
Hierdoor kan het noodzakelijk blijken
om de remblokken vaker, tussen twee
onderhoudscontroles door, te laten
controleren.
Laat als dit verklikkerlampje gaat
branden de staat van de remblokken
controleren door het PEUGEOT-
netwerk of door een gekwalificeerde
werkplaats.
Praktische informatie

154
Starten van de motor met
een hulpaccu en startkabels
Start de motor nooit door een acculader aan
te sluiten.
Gebruik nooit een startbooster van 24 V of
h o g e r.
Controleer eerst of de hulpaccu een nominale
spanning van 12
V en een capaciteit minimaal
gelijk aan die van de ontladen accu heeft.
De twee auto's mogen elkaar niet raken.
Schakel alle stroomverbruikers (audiosysteem,
ruitenwissers, verlichting enz.) van beide
auto's uit.
Zorg er voor dat de startkabels zich niet in de
buurt van bewegende delen van de motor
(ventilator, aandrijfriemen enz.) bevinden.
Maak de (+) klem niet los bij draaiende motor.
Wacht na het opnieuw aansluiten van de accu en
het aanzetten van het contact 1
minuut voor u
de
auto start, hierdoor kunnen de elektrische systemen
geïnitialiseerd worden. Raadpleeg, wanneer hierna
toch storingen optreden, het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats. De pluspool van de accu A
is bereikbaar via een
klepje aan de zijde van de zekeringkast.
Gebruik voor het aansluiten uitsluitend de
hierboven aangegeven en afgebeelde punten.
Anders bestaat het risico van kortsluiting!
F
S
luit de rode kabel eerst aan op de accupool A
en ver volgens op de (+) pool van de hulpaccu B .
F
S
luit de groene of zwarte kabel aan op de (-)
pool van de hulpaccu B .
F
S
luit het andere uiteinde van de groene of
zwarte kabel aan op het massapunt C van uw
auto.
F
S
tel de startmotor in werking en laat de motor
draaien.
F
W
acht tot de motor stationair draait en neem
dan de kabels los.
A. Pluspool van de accu van uw auto B.
Hulpaccu
C. Massapunt van uw auto
Het is raadzaam de minpool (-) van de accu
los te koppelen als uw auto langer dan een
maand buiten gebruik is.
De beschrijving van de laadprocedure van de
accu dient slechts ter informatie.
Nadat de accu langdurig losgekoppeld is geweest,
moeten de volgende functies geïnitialiseerd worden:
-
d
e display-parameters (datum, tijd, taal,
afstands- en temperatuureenheden),
-
radiozenders,
-
c
entrale vergrendeling.
Raadpleeg, als bepaalde instellingen van de auto
zijn gewist, het PEUGEOT-netwerk om deze
opnieuw in te stellen.
Als uw auto is uitgerust met een tachograaf of een
alarm, adviseren wij u
de minpool van de accu los
te koppelen als u
de auto langer dan 5
dagen niet
gebruikt (de accu bevindt zich links onder de vloer
in het interieur).
In geval van pech

185
Aanhanger .......................................................... 88-89
Aanhangergewichten ............................................. 15
7
Aansteker
................................................................. 58
ABS
..................................................................... 6
8-69
Accessoires
.............................................................. 67
Accu
.......................................................... 91, 129, 153
Actieradius AdBlue
® ................................................. 21
Ad
Blue® ........................................................... 13 2-13 3
Afmetingen ............................................................. 162
Afstandsbediening
............................................. 30, 89
Airbags ...................................................................... 78
Airbags vóór
................................................. 75 -76, 79
Airconditioning (handbediend)
..........................43, 50
Airconditioning, extra
......................................... 4
6 - 47
Airconditioning (automatisch)
............................44, 50
Alarmknipperlichten
................................................. 68
A
larmsysteem
.......................................................... 35
A
ntiblokkeersysteem (ABS)
........................12, 68 - 69
Antispinregeling (ASR)
...................................... 6
8 -70
Armleuning vóór
....................................................... 38
ASR
..................................................................... 6
8-69
Audiokabel
.............................................................. 7, 4
Audiosysteem
............................................................. 1
Audio-telematicasysteem met touchscreen
............. 1
Aut
ogegevens
.......................................................... 14
Automatische ruitenwissers
.................................... 65
Autoradio, bediening aan stuurkolom
...................3, 2
AUX-aansluiting
..................................................... 7, 4
AUX-aansluitingen
............................................. 52-55 Gereedschap
................................................... 137-142
Gesproken commando's
..........................16 -24, 6 -14
Gewichten ............................................................... 157
Gordelspanners (pyrotechnisch)
............................74
Grootlicht
............................................................ 16
, 61
Elektrische ruitbediening
.........................................
36
Elektronische remdrukregelaar (EBD)
.............
68-69
Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)
.......
68-69
ESP
.....................................................................
6
8-69
Extra verwarming
...............................................
46 - 47
DAB (Digital Audio Broadcasting) – Digitale radio
....5
Dagrijverlichting
.................................................61, 62
Dashboard
..................................................................4
Dashboardkastje
................................................52-55
Dashboardverlichting (dimmer)
................................. 8
D
atum instellen
........................................................28
Detectie te lage bandenspanning
..................11 0 -111
Dieselfilter
.......................................................126, 131
Dieselmotor
............................................ 1
18, 126, 158
Digitale radio – DAB (Digital Audio Broadcasting)
....5
Dimlicht
.....................................................................61
Display instrumentenpaneel
................................7, 92
DSC/ASR
..................................................................69
CD
........................................................................\
.......7
CD MP3
......................................................................7
Claxon
.......................................................................68
Cockpit
........................................................................\
4
C
onfiguratie van de auto
...................................2
2, 27
Controles
......................................................... 1
2 9 -131
Controlelampjes
.....................................................8-9
Bandenspanning te laag (detectie)
................ 11
0 -111
BAS
..................................................................... 68-69
Bijvullen AdBlue
® ................................................... 13 2
BlueHDi
............................................................ 21, 132
Bluetooth (handsfree set)
............................... 12-13, 5
A
G
E
D
C
B
Bluetooth (telefoon) ......................................... 12-13, 5
Boordcomputer ........................................................ 28
B
oordgereedschap
......................................... 137-142
Brandstof
................................................................ 11 8
Brandstofniveaumeter
.....................................20, 116
Brandstoftank
......................................................... 11 6
Brandstof tanken
............................................ 11 6 , 11 8
Brandstofvulklep
.................................................... 11 6
Buitenlandse reizen
................................................. 61
Buitenspiegels
.......................................................... 42
Handsfree set
..................................................12-13, 5
Helderheid
..................................................................8
Hill Descent Control
............................................71-72
Hill Start Assist
.........................................................95
Hoek van de stoel verstellen
...................................37
Hoofdsteunen vóór
..................................................37
Hoogteverstelling veiligheidsgordels
.................72-73
H
.
Trefwoordenregister