2-33
Veiligheidssysteem van uw auto
2
Probeer het kind verder naar het midden plaats te laten nemen
wanneer het schoudergedeelte over
de hals of het gezicht van het kind
loopt. Maak op de achterstoel
gebruik van een geschikte
zittingverhoging wanneer deschoudergordel het gezicht of de
hals nog steeds raakt.Gehandicapten en het gebruikvan veiligheidsgordels
Ook gehandicapten die in de auto
vervoerd worden, moeten
gebruikmaken van de
veiligheidsgordel. Neem voor meer
informatie contact op met een arts.
Een persoon per veiligheidsgordel
Een enkele gordel mag nooit
gedragen worden door tweepersonen (ook niet door een
volwassene en een kind). Als dat wel
gedaan wordt, kan dat bij een
aanrijding resulteren in ernstig letsel.
Zet de rugleuning niet
horizontaal
Het tijdens het rijden zitten op een
stoel met een rugleuning die te ver
achterover staat kan gevaarlijk zijn.
Ook bij het dragen van de
veiligheidsgordel neemt de
bescherming die de
veiligheidssystemen (veiligheids-gordels en/of airbags) bieden,
aanzienlijk af als de rugleuning te ver
achterover staat. De veiligheidsgordel moet strak over
uw heupen en borst lopen voor een
maximale effectiviteit.
Bij een ongeval kunt u tegen de
veiligheidsgordel aan geslingerd
worden, waardoor u nekletsel ofander letsel op kunt lopen.
Hoe verder de rugleuning naar
achteren staat, hoe groter de kans is
dat de inzittende bij een aanrijding
onder het heupgedeelte van degordel door schiet of dat de nek in
aanraking komt met het
schoudergedeelte van de gordel.
•Zorg ervoor dat grotere
kinderen de veiligheidsgordel
altijd dragen en controleer of
deze goed is afgesteld.
•Laat het schoudergedeelte
van de gordel NOOIT langs de
hals of langs het gezicht vanhet kind lopen.
•Zet nooit meer dan één kind
vast met een enkele
veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
•Rijd NOOIT met een rugleuning
die te ver achterover staat.
•Als de rugleuning te ver
achterover staat, neemt de kansop ernstig letsel bij eenaanrijding of een noodstop
aanzienlijk toe.
•Bestuurder en passagiers moeten altijd goed in hun stoel
zitten, de gordel op de juiste
manier dragen en de rugleuning
zo ver mogelijk rechtop zetten.
WAARSCHUWING
2-46
Veiligheidssysteem van uw auto
Geschiktheid voor elke stoelpositie voor de "universele" categorie kinderzitjes die vastgezet worden met gordels overeenkomstig de ECE-voorschriften
U = Geschikt voor de categorie "universele" kinderzitjes, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep
U* = Geschikt voor de categorie "universele" kinderzitjes, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep (Zet bij het plaatsen van een kinderzitje op de voorpassagiersstoel de stoel in de hoogste stand en de rugleuning zo rechtop mogelijk.)
❈ Hoogteverstelling voor de voorpassagiersstoel is als optie leverbaar.
U** = Stoelpositie niet geschikt voor kinderzitjes met steunpoot.
UF = Geschikt voor de categorie “universele” in de rijrichting geplaatste zitjes, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklass e.
X = Geen geschikte zitpositie voor kinderen in deze gewichtsgroep.
Geadviseerd wordt een kinderzitje altijd op de achterbank te plaatsen, ook al is de airbag voorpassagier UIT
geschakeld met de AAN/UIT-schakelaar. Om de veiligheid voor uw kind te garanderen, moet de airbag
voorpassagier worden uitgeschakeld wanneer u omdat het niet anders kan een kinderzitje op de voorstoel
monteert.
WAARSCHUWING
Gewichtsgroep
Zitpositie
Buitenzijde voorpassagierTweede rij
Airbag
geactiveerdAirbag
gedeactiveerdBuitenzijde linksMidden(DRIEPUNTSGORDEL)Buitenzijde rechts
Groep. 0
(0-9 maanden)Tot 10kgXU*UU**U
Groep. 0 + (0-2 jaar)Tot 13kgXU*UU**U
Groep. I
(9 maanden ~ 4 jaar)9 tot 18kgXU*UU**U
Groep.II
(15 tot 25kg)15 tot 25kgUFU*UUU
Groep. III
(22 tot 36kg)22 tot 36kgUFU*UUU
2-48
Veiligheidssysteem van uw auto
AIRBAG - AANVULLEND VEILIGHEIDSSYSTEEM
OOS037034/OOS037070L
Het werkelijke aantal airbags kan afwijken van de afbeelding. 1. Bestuurdersairbag
2. Voorpassagiersairbag
3. Zijairbag*
4. Curtain airbag*
5. ON/OFF-schakelaar
voorpassagiersairbag*
*: indien van toepassing
2-49
Veiligheidssysteem van uw auto
2
Auto's zijn voorzien van een
airbagsysteem voor debestuurdersstoel en de
voorpassagiersstoel.
De frontairbags zijn ontworpen als
aanvulling op de
driepuntsveiligheidsgordels. Draag
te allen tijde de veiligheidsgordel. Deairbags bieden dan optimale
bescherming.
Als u uw veiligheidsgordel niet
draagt, kunt u ernstig gewond raken
bij een aanrijding. Airbags zijn
ontworpen als aanvulling op en niet
ter vervanging van de
veiligheidsgordels. Airbags zijn
bovendien niet ontworpen om bij alle
aanrijdingen opgeblazen te worden.
Bij bepaalde aanrijdingen wordt u
alleen beschermd door de
veiligheidsgordel.VEILIGHEIDSVOORZORGSMAATREGELEN
MET BETREKKING TOT AIRBAGS
Iedere keer, bij iedere reis en voor iedereen! Zelfs als de auto is
voorzien van airbags, kunt u bij een aanrijding ernstig gewond raken
als u uw veiligheidsgordel niet (correct) draagt wanneer de airbags
worden opgeblazen.
Vervoer een kind NOOIT op de voorpassagiersstoel in een kinderzitje
of op een zittingverhoging, tenzij de airbag is uitgeschakeld.
Het kind kan geraakt worden door een zich opblazende airbag en kan
daardoor zwaar gewond raken.
Vervoer kinderen jonger dan 13 jaar altijd op de achterstoelen met de
veiligheidsgordels om. Dat is de veiligste plaats voor kinderen van
alle leeftijden. Als een kind van 13 jaar of ouder op de
voorpassagiersstoel vervoerd moet worden, moet hij of zij de
veiligheidsgordel op de juiste manier dragen en moet de stoel zo ver
mogelijk naar achteren worden gezet.
Alle inzittenden moeten rechtop, met de rugleuning rechtop, midden
op de zitting zitten, de veiligheidsgordel dragen, de benen
comfortabel gestrekt houden en de voeten op de vloer plaatsen,
totdat de auto geparkeerd is en de motor is afgezet. Als een inzittende
niet in de juiste positie zit tijdens een aanrijding, kan de zich snel
opblazende airbag te veel kracht op de inzittende uitoefenen,
waardoor deze ernstig letsel zou kunnen oplopen.
Ga niet te dicht op de airbag zitten en leun niet tegen het portier of de
middenconsole. Dat geldt ook voor uw passagiers.
Zet uw stoel zo ver mogelijk naar achteren, waarbij u de auto nog wel
onder controle moet kunnen blijven houden.WAARSCHUWING
2-50
Veiligheidssysteem van uw auto
Waar zitten de airbags?
Bestuurdersairbag en voorpassagiersairbag
Uw auto is uitgerust met een
aanvullend veiligheidssysteem
(SRS) en driepuntsgordels voor de
bestuurder en de voorpassagier.
Het aanvullend veiligheidssysteem
bestaat uit airbags die zich bevinden
in het midden van het stuurwiel, in
het onderste gedeelte van het
stuurkussen, en in hetdashboardpaneel aan
passagierszijde, boven het
dashboardkastje.
Op de afdekking van de airbags zijn
in reliëf de letters “AIR BAG”
aangebracht.
Het doel van het aanvullend
veiligheidssysteem is om de
bestuurder en de voorpassagier
extra bescherming te bieden bij een
frontale aanrijding van een zekere
zwaarte, ter aanvulling op de
bescherming die geboden wordt
door de veiligheidsgordel. Om de kans op ernstig letsel
door een zich opblazende
airbag voor te beperken,
moeten de volgende voorzorgs-
maatregelen getroffen worden:
•Alle inzittenden moeten altijd
hun veiligheidsgordel dragen:
de gordel houdt de inzittende
zo goed mogelijk op zijnplaats.
•Zet uw stoel zo ver mogelijk
naar achteren, waarbij u de
auto nog wel onder controle
moet kunnen blijven houden.
•Leun nooit tegen het portier
of de middenconsole.
•Laat de voorpassagier zijn
voeten of benen nooit op het
dashboard zetten.
WAARSCHUWING
OOS037035
OOS037039
■
Knie-airbag bestuurder
■Bestuurdersairbag
2-51
Veiligheidssysteem van uw auto
2
ON/OFF-schakelaar
voorpassagiersairbag
(indien van toepassing)
Met deze schakelaar kan de
voorpassagiersairbag worden
uitgeschakeld zodat op de
voorpassagiersstoel een persoon
kan worden vervoerd met een
vanwege zijn leeftijd, lengte of
gezondheidstoestand verhoogd
risico op letsel bij het activeren vande airbag.Uitschakelen van de
voorpassagiersairbag:
Steek de sleutel of een vergelijkbaar
stevig voorwerp in de ON/OFF-
schakelaar voor de
voorpassagiersairbag en zet deze in
de stand OFF. Het controlelampje
voorpassagiersairbag OFF ( ) zal
gaan branden en blijven branden
totdat de voorpassagiersairbag weer
wordt ingeschakeld.
•Er mogen geen voorwerpen
(zoals een beschermhoes, een
houder voor een mobiele
telefoon, een bekerhouder,
een luchtverfrisser of
stickers) op of in de buurt van
de airbagmodules op het
stuurwiel, op het dashboard,
op de voorruit of op het
dashboardpaneel boven het
dashboardkastje worden
geplaatst. Dergelijke
voorwerpen kunnen letsel
veroorzaken als de airbags bij
een aanrijding geactiveerd
worden.
•Bevestig geen voorwerpen
aan de voorruit of aan de
binnenspiegel.
OOS037071LOOS037038L
2-52
Veiligheidssysteem van uw auto
Weer inschakelen van de
voorpassagiersairbag:
Steek de sleutel of een vergelijkbaar
stevig voorwerp in de ON/OFF-
schakelaar voor de
voorpassagiersairbag en zet deze in
de stand ON. Het controlelampje
voorpassagiersairbag ON ( ) zal 60
seconden gaan branden.Informatie
Het controlelampje voorpassagiers-
airbag ON/OFF brandt gedurende
ongeveer 4 seconden nadat het contact
in stand ON is gezet.
i
Vervoer geen volwassen
passagier op de
voorpassagiersstoel als het
controlelampje voorpassa-
giersairbag OFF brandt. Tijdens
een aanrijding zal de airbag niet
worden opgeblazen als het
desbetreffende controlelampje
brandt. Schakel de
voorpassagiersairbag in of laat
de passagier plaatsnemen op
een achterstoel.
WAARSCHUWING
Bij een storing in de ON/OFF-
schakelaar voorpassagiersairbag
kunnen de volgende
omstandigheden zich voordoen:
•Het waarschuwingslampje
AIRBAG ( ) op het dashboardgaat branden.
•Het controlelampje voorpassa-
giersairbag OFF ( ) gaat niet
branden en het controlelampje
voorpassagiersairbag ON ( )
gaat gedurende ongeveer 60seconden branden en
vervolgens uit. De voorpassa-
giersairbag wordt bij een
frontale aanrijding opgeblazenondanks dat de ON/OFF-
schakelaar voor de voorpassa-
giersairbag in stand OFF staat.
•Laat in dat geval de ON/OFF-
schakelaar voor de
voorpassagiersairbag en het
airbagsysteem zo spoedig
mogelijk controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
WAARSCHUWING
OOS037072L
2-53
Veiligheidssysteem van uw auto
2
Zijairbags (indien van toepassing) Beide voorstoelen van uw auto zijn
uitgerust met een zijairbag. Het doel
van de airbag is om de bestuurder en
de voorpassagier een aanvullende
bescherming te bieden naast de
bescherming die wordt geboden
door de veiligheidsgordel.
De zijairbags zijn ontworpen om
tijdens bepaalde aanrijdingen van
opzij geactiveerd te worden,
afhankelijk van de ernst, de hoek, de
snelheid en de plaats waarop de
auto wordt geraakt.
De zijairbags aan beide zijden van
de auto zijn zo ontworpen dat ze
worden geactiveerd wanneer door
een rollover-sensor wordt
waargenomen dat de auto over de
kop slaat (indien van toepassing).
De zijairbags zijn niet ontworpen om
bij alle aanrijdingen van opzij of
situaties waarbij de auto over de kop
kan slaan opgeblazen te worden. Om de kans op ernstig letsel
door een zich opblazende
zijairbag te beperken, moeten de
volgende voorzorgsmaatregelen
getroffen worden:
•Alle inzittenden moeten altijd
hun veiligheidsgordel dragen:
de gordel houdt de inzittende
zo goed mogelijk op zijnplaats.
•Laat passagiers niet met het
hoofd of andere delen van het
lichaam tegen het portier
leunen, hun armen uit het
raam steken of voorwerpen
tussen de portieren en dezitplaatsen steken.
•Houd het stuurwiel vast op 9
en 3 uur, zodat de kans opletsel aan uw armen en
handen tot een minimum
beperkt wordt.
•Gebruik geen stoelhoezen.
Deze kunnen de werking van
het systeem in negatieve zin
beïnvloeden.
WAARSCHUWING
OOS037040
OOS037041