
104
Trekken van een aanhanger
Gebruik daarom een zo hoog
mogelijke versnelling om het toerental
te beperken en pas uw snelheid aan.
Let in elk geval goed op de aanwijzing
van de koelvloeistoftemperatuurmeter.
Remmen:
het trekken van een
aanhanger vergroot de remweg. Rijd
met matige snelheid, schakel tijdig
terug, rem geleidelijk. Raadpleeg eerst het PEUGEOT-
netwerk.
Automatisch afstellen
Bij de modellen met Xenon-lampen
stelt het systeem, als de veranderende
belading van de auto dat vereist,
automatisch na ongeveer 2 minuten
de hoogte van de lichtbundel af. De
bestuurder is dus verzekerd van een
optimale verlichting en kan andere
weggebruikers niet verblinden.
Bij zeer zware
gebruiksomstandigheden (het
trekken van het maximale
aanhangergewicht op een steile helling
bij hoge temperatuur), kunnen de
prestaties van de motor weer worden
verhoogd door de airconditioning uit
te schakelen, zodat de wagensnelheid
weer kan worden verhoogd met
ongeveer 20 km/h. Het is mogelijk
dat onder deze omstandigheden
de sequentiële bediening van de
versnellingsbak niet werkt.
Verlichting
Fietsendrager
Raadpleeg in rubriek 8 het
gedeelte "Identificatie van uw
auto". Raadpleeg in
rubriek 3 het gedeelte
"Stuurkolomschakelaars".
Bij het gebruik van een trekhaak
moet een extra zekering worden
aangebracht. Raadpleeg
hiervoor in rubriek 7 het gedeelte
"Zekeringen vervangen".
Als het verklikkerlampje van de
koelvloeistoftemperatuur gaat branden,
stop dan zo snel mogelijk en zet de
motor af.
Banden:
controleer de
bandenspanning van de auto en de
aanhanger en breng deze indien nodig
op de juiste waarde.
Zijwind:
de zijwindgevoeligheid van de
auto is groter. Rijd daarom soepel en
met matige snelheid.
Trekhaak
Wij raden u aan gebruik te maken van
een originele PEUGEOT-trekhaak, die
tijdens de ontwikkeling van uw auto
uitgebreid is getest.
De trekhaak moet worden gemonteerd
volgens de aanwijzingen van de
fabrikant, waarbij rekening moet
worden gehouden met het maximum
toegestane trein- en getrokken
gewicht, de kogeldruk en de
elektrische aansluitingen. Het is
daarom raadzaam de trekhaak te laten
monteren bij het PEUGEOT-netwerk.
Met betrekking tot het bovenstaande
wijzen wij u op het risico een trekhaak
met kabelset of een elektrisch
accessoire te laten monteren dat niet
is voorzien van een artikelnummer
van het PEUGEOT-netwerk. Hierdoor
kunnen storingen in de elektrische
installatie van uw auto ontstaan.
Handmatig afstellen
Stel de koplampen af om het
verblinden van andere weggebruikers
te voorkomen. Controleer de verlichting
van de aanhanger.
Schakel bij het gebruik
van een op de achterklep
gemonteerde fietsendrager de
ruitenwisser achter uit via het
configuratiemenu van het display.

107
Overige accessoires
ACCESSOIRES
5
OVERIGE ACCESSOIRES
Deze accessoires en onderdelen
zijn getest en goedgekeurd ten
aanzien van bedrijfszekerheid en
veiligheid en volledig aangepast
aan uw auto. PEUGEOT biedt u een
ruime keuze aan accessoires en
originele onderdelen voorzien van een
artikelnummer. Om te voorkomen dat de werking
van de pedalen wordt gehinderd:
- controleer of de mat en de
bevestigingen goed geplaatst zijn,
- leg nooit meerdere matten op één
plaats.
Draagbare apparatuur
Voor de autoradio met handsfree-
set is een speciale extra aansluiting
(RCA) leverbaar, die bij het PEUGEOT -
netwerk kan worden gemonteerd.
De audiokabel van de extra aansluiting
(de geel-rode RCA-aansluiting in het
dashboardkastje) wordt eveneens door
het PEUGEOT -netwerk geleverd.
Na het aansluiten van de draagbare
apparatuur en het selecteren van de
functie AUX met de desbetreffende toets
van het audiosysteem is de draagbare
apparatuur klaar voor gebruik.
Stel het volume van de draagbare
apparatuur niet te hoog in om
overbelasting van de luidsprekers van de
autoradio te voorkomen. Stel het volume
vervolgens in met de volumeknop van de
autoradio.
Autoradio's, audio-/
telefoonsysteem,
handsfree-set, luidsprekers,
CD-wisselaar, navigatie,
DVD-speler, ...
Lichtmetalen velgen,
wieldoppen, aluminiumset
voor het interieur,
spatlappen, ...
Stoelhoezen geschikt
voor stoelen met zij-
airbags, matten, kunststof
bak bagageruimte,
schuifdak, bagagenet,
portierwindschermen,
op de rails bevestigde
isothermische opbergruimte,
uitneembare armsteun, allesdragers,
dakkoffer, sneeuwkettingen, skidragers,
fietsendrager op achterklep, fietsdrager
interieur, zitverhogingen en kinderzitjes,
Isofix-kinderzitjes, zonneschermen opzij
en achter, ...
Trekhaak. Deze moet bij het PEUGEOT-
netwerk worden gemonteerd.
Het monteren van elektrische
uitrustingen of accessoires die
niet onder een artikelnummer
in het assortiment van Automobiles
PEUGEOT voorkomen, kan storingen
in het elektronisch systeem van uw auto
veroorzaken.
Houdt u rekening met deze bijzonderheid
en wij raden u aan contact op te nemen
met een vertegenwoordiger van het merk
PEUGEOT om u te laten informeren
over het assortiment uitrustingen
en accessoires voorzien van een
artikelnummer van PEUGEOT .
Afhankelijk van het land van
bestemming zijn veiligheidsvesten,
een gevarendriehoek en een set
reservelampen verplicht aan boord van
de auto.
Ruitensproeiervloeistof,
reinigings-/
onderhoudsmiddelen voor
interieur en exterieur,
lampenset, ...
Wanneer een fietsendrager op
de achterklep wordt gebruikt,
moet de automatische werking
van de ruitenwisser achter
worden uitgeschakeld via het
configuratiemenu van het multifunctionele
display.
Neem contact op met het
PEUGEOT-netwerk voordat u
communicatieapparatuur met een externe
antenne laat inbouwen. Het netwerk kan
u vervolgens informeren over de eisen
waaraan deze apparatuur moet voldoen
volgens de Richtlijn Elektromagnetische
Compatibiliteit 2004/104/CE.
Een ander aanbod van accessoires
is gegroepeerd onder de thema's
comfort, vrije tijd en onderhoud:
Inbraakalarm, ruiten
graveren, verbanddoos,
veiligheidsvest, parkeerhulp
achter, gevarendriehoek, ...

109
Brandstof
ONDERHOUD
6
TE LAAG BRANDSTOFNIVEAU
Tanken
Het tanken dient met afgezette motor
te geschieden.
- Open de brandstofvulklep.
- Steek de sleutel in het slot en draai
deze linksom.
- Trek de tankdop uit de vulopening
en bevestig deze aan de haak aan
de binnenzijde van de vulklep.
Het is normaal dat bij het openen van
de tankdop een geluid van aanzuigende
lucht hoorbaar is, aangezien er
een vacuüm ontstaat dat wordt
veroorzaakt door de afdichting van het
brandstofcircuit.
Op een label staat de voorgeschreven
soort brandstof aangegeven.
Er moet minimaal 5 liter brandstof worden
getankt om er voor te zorgen dat de
brandstofmeter het niveau weer aangeeft.
Laat het vulpistool bij het aftanken
van de auto nooit meer dan 3 keer
automatisch uitspringen. Indien dit wel
gebeurt, kunnen er storingen optreden. BRANDSTOF TANKEN
Als het verklikkerlampje knippert, geeft
dit aan dat de brandstofmeter niet
werkt.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Als het brandstofniveau te laag
is, gaat dit verklikkerlampje
branden in combinatie met de
melding "Brandstofniveau
laag"
op het display. Zodra
dit lampje gaat branden is er, afhankelijk
van de rijomstandigheden en de
motoruitvoering, nog ongeveer 8 liter
brandstof aanwezig.
Ga zo snel mogelijk tanken om te
voorkomen dat de auto stil valt.
Rijd nooit door tot de tank helemaal leeg is,
hierdoor kunnen het emissieregelsysteem
en het injectiesysteem beschadigd raken.
De inhoud van de brandstoftank
bedraagt ca. 80
liter.
- Vergrendel na het tanken de vuldop
en sluit de vulklep.
Als de brandstofvulklep geopend
is, wordt de linker schuifdeur
automatisch tegengehouden.
Zolang de tankdop niet op de tank is
teruggeplaatst, kan de sleutel niet uit
het slot worden uitgehaald.

DIESEL
11 0
Brandstof
BRANDSTOFTOEVOER
UITGESCHAKELD
Bij een zware aanrijding wordt de
brandstoftoevoer automatisch door de
brandstofafsluiter onderbroken.
Als dit verklikkerlampje gaat
knipperen, verschijnt een
melding op het display.
HANDOPVOERPOMP
DIESEL
In het geval van een lege
brandstoftank is het noodzakelijk het
brandstofsysteem te ontluchten:
- vul de brandstoftank met minimaal
vijf liter diesel,
- bedien de handopvoerpomp van de
ontluchting (onder de beschermkap
in de motorruimte) tot u brandstof in
de transparante slang ziet komen,
- houd de sleutel in de stand "D"
(starten) tot de motor aanslaat. Controleer buiten de auto of u
geen brandstof ruikt en of er geen
brandstoflekkage is en herstel de
brandstoftoevoer als volgt:
- zet het contact af (stand STOP).
- neem de sleutel uit het contactslot.
- plaats de sleutel in het contactslot.
- zet het contact aan en start de
motor.
Brandstofkwaliteit voor
dieselmotoren
Auto's met dieselmotoren kunnen
probleemloos rijden op biobrandstoffen
die aan de huidige en toekomstige
Europese richtlijnen voldoen (diesel die
voldoet aan de richtlijn
EN 590 gemengd met biobrandstof
die voldoet aan de richtlijn EN 14214)
en die aan de pomp getankt kunnen
worden (met een gehalte aan
methyl-estervetzuren van 0 tot 7%).
Het gebruik van biobrandstof B30 is
mogelijk bij bepaalde dieselmotoren
op voorwaarde dat de bijzondere
onderhoudsvoorschriften strikt worden
nageleefd. Raadpleeg het PEUGEOT-
netwerk.
Het gebruik van elk ander type (bio)
brandstof (zuivere of verdunde
plantaardige of dierlijke olie, stookolie...)
is nadrukkelijk verboden (kans op schade
aan de motor en het brandstofcircuit).

111
ONDERHOUD
6
Motorkap openen
MOTORKAP OPENEN
Binnenzijde:
-
open het afdekkapje aan de
linkerzijde in de beenruimte voor de
bestuurder.
-
trek de handgreep omhoog.
Waarschuwing "Motorkap open"
Deze waarschuwing is alleen
beschikbaar in combinatie met de
optie alarm
.
Als de motorkap niet goed gesloten
is terwijl de motor draait of de auto
rijdt, wordt u hiervoor gewaarschuwd
door een afbeelding op het display in
combinatie met een geluidssignaal.
Buitenzijde:
- druk de veiligheidshaak omhoog en
til de motorkap op.
Motorkapsteun
Plaats de stang in de uitsparing om de
motorkap te ondersteunen.
Druk de stang in de houder alvorens
de motorkap te sluiten.
Sluiten
Laat de motorkap voorzichtig zakken
en laat deze aan het einde van de
slag in het slot vallen. Controleer of de
motorkap goed vergrendeld is.

11 4
Niveaus
Koelvloeistofniveau
Gebruik om ernstige motorschade
te voorkomen uitsluitend door de
constructeur aanbevolen koelvloeistof.
Als de motor warm is, wordt de
temperatuur van de koelvloeistof
geregeld door de koelventilator.
Wacht voor werkzaamheden aan het
koelsysteem ten minste 1 uur nadat
de motor gedraaid heeft, omdat de
koelventilator nog kan (gaan) werken
als de sleutel uit het contactslot is
verwijderd en het koelsysteem onder
druk staat.
Draai de dop eerst een kwart
omwenteling los om de druk te laten
dalen en te voorkomen dat de hete
koelvloeistof uit het koelsysteem spuit.
Trek, als de druk eenmaal gedaald is,
de dop los en vul koelvloeistof bij.
Laat het koelsysteem, als vaak
koelvloeistof moet worden bijgevuld,
zo snel mogelijk controleren door het
PEUGEOT-netwerk.
Vloeistofniveau stuurbekrachtiging
Controleer het niveau van de
stuurbekrachtigingsvloeistof als de auto op
een vlakke ondergrond staat en de motor
koud is. Draai de dop met geïntegreerde
peilstok los en controleer of het niveau
tussen de merktekens MINI en MAXI staat.
Tijdens de regeneratie van het roetfilter
kan onder het dashboard het geluid
van een relais waargenomen worden.
Wanneer de melding niet verdwijnt
en het verklikkerlampje blijft branden,
raadpleeg dan het PEUGEOT-netwerk.
Niveau brandstofadditief
(diesel met roetfilter)
Als dit lampje tijdens het draaien van
de motor brandt, geeft dit aan dat het
roetfilter vervuild raakt (als gevolg van
langdurige ritten in stedelijke gebieden:
lage snelheid, lange files,...).
Om het filter te regenereren, raden
wij u aan zo snel mogelijk, waar de
verkeersomstandigheden dat toelaten,
ten minste 5 minuten met een snelheid
van 60 km/h of meer te gaan rijden
(totdat de melding verdwijnt en het
verklikkerlampje service uitgaat).
Bijvullen
Het niveau dient steeds tussen
de merktekens MINI en MAXI van
het expansievat te staan. Laat het
koelsysteem, als meer dan 1 liter moet
worden bijgevuld, controleren door het
PEUGEOT-netwerk.
Vloeistofniveau ruiten- en
koplampsproeiers
Wij adviseren u voor een optimale
reiniging en voor uw eigen veiligheid
PEUGEOT-producten te gebruiken.
Gebruik, om bevriezing te voorkomen,
geen water.
Bijvullen
Laat het additiefreservoir zo snel
mogelijk bijvullen door het
PEUGEOT-netwerk.
Afgewerkte producten
Vermijd langdurig huidcontact met
afgewerkte olie.
Remvloeistof is schadelijk voor de
gezondheid en is een erg bijtend
middel.
Gooi afgewerkte olie, remvloeistof en
koelvloeistof niet in het riool, in het
water of op de grond, maar deponeer
deze in de daarvoor bestemde
containers bij het PEUGEOT-netwerk. Een te laag additiefniveau
wordt aangegeven door het
verklikkerlampje service
in combinatie met een
geluidssignaal en een
melding op het display.

11 6
Accu
ECO-MODE
Nadat de motor is afgezet wordt bij
aangezet contact na een half uur
een aantal elektrische voorzieningen
(ruitenwissers, ruitbediening,
plafonniers, autoradio, enz.)
automatisch uitgeschakeld om te
voorkomen dat de accu ontladen raakt.
Op dat moment verschijnt de melding
"Eco-mode actief"
op het display.
Start de motor en laat deze
enkele seconden draaien om de
bovengenoemde voorzieningen weer
te kunnen gebruiken.
Als de accu ontladen is, kan de motor
niet gestart worden.
Laden met behulp van een
acculader
- maak de accupoolklemmen los,
- volg de aanwijzingen van de
fabrikant van de acculader,
- sluit de accukabels weer aan, te
beginnen met de (-) kabel,
- controleer of de accupolen en
de klemmen schoon zijn. Indien
ze bedekt zijn met een (witte of
groene) oxidatielaag, neem dan
de accukabels los en reinig de
polen en de klemmen.
CU
ACCU
De accu bevindt zich in een
ruimte onder de vloer, vóór de
passagiersstoel.
Wacht 2 minuten na het uitzetten van
het contact alvorens de accu los te
koppelen.
Maak de accupoolklemmen niet los bij
draaiende motor.
Laad de accu niet op zonder de
accukabels los te nemen.
Sluit het schuif-/kanteldak en de ruiten
voordat de accupoolklemmen worden
losgemaakt.
Als de ruiten of het schuif-/kanteldak na
het weer aansluiten niet goed werken,
dienen deze te worden gereset. Het is raadzaam de accu los te
koppelen als uw auto langer dan
een maand buiten gebruik is. Zet, elke keer nadat de accukabels
weer zijn aangesloten, het contact aan
en wacht 1 minuut alvorens de motor
te starten, zodat de elektronische
systemen geïnitialiseerd kunnen
worden. Raadpleeg het PEUGEOT -
netwerk als er zich na deze handeling
toch nog problemen voordoen.
Als de schuifdeuren zijn geopend,
is het elektrische systeem van de
schuifdeuren in de waakfase, waarbij
het energieverbruik relatief hoog
is. Zorg ervoor dat de schuifdeuren
gesloten zijn wanneer de auto
gedurende langere tijd stilstaat.
Starten met een hulpaccu
- sluit eerst de rode kabel aan op de
(+) polen van de beide accu's,
- sluit de groene of zwarte kabel aan
op de (-) pool van de hulpaccu,
- sluit het andere uiteinde van de
groene of zwarte kabel aan op
een zo ver mogelijk van de accu
verwijderd massapunt van de te
starten auto,
- stel de startmotor in werking en laat
de motor draaien,
- wacht tot de motor stationair draait
en neem dan de kabels los. Raadpleeg voor meer informatie
over de beveiliging tegen
beknellen van het schuif-/
kanteldak het gedeelte "Toegang
tot de auto" van rubriek 2.
Raadpleeg voor meer informatie
over de beveiliging tegen
beknellen van de elektrisch
bedienbare ruiten het gedeelte
"Spiegels en ruiten" van rubriek 3.

125
SNEL WEER OP WEG
7
Zekering vervangen
ZEKERINGEN DASHBOARD
- Open het onderste dashboardkastje aan de rechterzijde.
- Trek aan de handgreep om het deksel te openen en bij de zekeringen te komen.
Nr.
Stroomsterkte
(Ampère)
Functies
1
15
Ruitenwisser achter.
2
- Niet gebruikt.
3
5
Elektronische eenheid airbag.
4
10
Sensor verdraaiing stuurwiel, diagnoseaansluiting, ESP-sensor, handbediende airconditioning,
contactschakelaar koppelingspedaal, koplampverstelling, pomp roetfilter, elektrochrome
binnenspiegel.
5
30
Elektrisch verstelbare buitenspiegels, motor ruitbediening passagierszijde, schuifdak zitrij 1.
6
30
Voeding ruitbediening vóór.
7
5
Plafonniers, verlichting dashboardkastje, verlichting make-upspiegels, verlichting videoscherm zitrij 2.
8
20
Multifunctioneel display, sirene inbraakalarm, autoradio, CD-wisselaar, audio-/telefoonsysteem,
elektronische eenheid brandstofadditief, elektronische eenheid detectie te lage bandenspanning,
elektronische eenheid module schuifdeuren.
9
30
Aansteker.
10
15
Stuurkolomschakelaars, servicecentrale trekhaakaansluiting.
11
15
Diagnoseaansluiting, contact-/stuurslot, automatische transmissie (4 versnellingen).
12
15
Eenheid geheugen stand bestuurdersstoel, elektrische verstelling passagiersstoel, elektronische eenheid airbag,
elektronische eenheid parkeerhulp, schakelaars schuifdeuren, handsfree-set, automatische transmissie (6 versnellingen).
13
5
Servicecentrale motor, Servicecentrale trekhaakaansluiting.
14
15
Regensensor, automatische airconditioning, instrumentenpaneel, schuifdaken, eenheid
verklikkerlampjes/kilometerteller, bediening audio-/telefoonsysteem.
15
30
Vergrendeling slot aan passagierszijde.
16
30
Vergrendeling/ontgrendeling te openen carrosseriedelen.
17
40
Achterruitverwarming