
58
Ventilatie
6 -
Regeling luchtopbrengst
- De luchtopbrengst kan
worden vergroot of verkleind
door de knop 6
rechtsom of
linksom te draaien.
Op het display wordt het symbool
van de luchtopbrengst, de
ventilateur, steeds voller naarmate de
luchtopbrengst wordt vergroot.
8 - Toevoer van buitenlucht/
luchtrecirculatie interieur
- Druk op deze toets om
de lucht in het interieur te
recirculeren.
Het symbool en het verklikkerlampje 8
worden weergegeven.
De recirculatie dient om de toevoer van
buitenlucht bij stank en stofoverlast af
te sluiten.
9 - Airconditioning in-/
uitschakelen
- Druk op deze toets om
de airconditioning in te
schakelen.
Het symbool en het verklikkerlampje 9
worden weergegeven.
- Druk nogmaals op de toets om de
airconditioning uit te schakelen.
Het symbool en het verklikkerlampje 9
gaan uit.
Gebruik de luchtrecirculatie alleen
als dit echt nodig is (de ruiten
zullen eerder beslaan en de
luchtkwaliteit gaat achteruit).
- Als de toets nogmaals wordt
ingedrukt, zal de automatische
luchttoevoer weer worden
ingeschakeld.
7 -
Uitschakelen van het systeem
- Draai de knop voor de
luchtopbrengst 6
naar links tot het
display wordt gedoofd.
Hierdoor worden alle functies
van het systeem uitgeschakeld,
met uitzondering van de
achterruitverwarming. De instellingen
ten behoeve van het comfort worden
niet meer geregeld.
Het is raadzaam om niet langdurig met
uitgeschakelde airconditioning te rijden.
- Als de knop 6
, de toets "Zicht"
of de
toets "AUTO"
nogmaals wordt bediend,
zal het systeem opnieuw met dezelfde
instellingen worden ingeschakeld.
Als de punten in de waarde-instellingen
gaan knipperen, duidt dit op een
storing in de airconditioning.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.

86
Veiligheid tijdens het rijden
HANDREM
ALARMKNIPPERLICHTEN
Druk de knop in, de richtingaanwijzers
knipperen tegelijkertijd.
De alarmknipperlichten werken ook als
het contact is afgezet.
Automatische ontsteking van
de alarmknipperlichten
Bij een noodstop schakelen de
alarmknipperlichten, afhankelijk
van de remvertraging die optreedt,
automatisch in (volgens land van
bestemming). De alarmknipperlichten
blijven knipperen totdat er opnieuw gas
wordt gegeven.
U kunt de alarmknipperlichten echter
ook uitschakelen door de knop in te
drukken.
VEILIGHEID TIJDENS HET RIJDEN
Aantrekken
Trek aan de hefboom om de auto op
de handrem te zetten. Als de auto
stilstaat op een helling, draai dan
de wielen richting trottoir en trek de
handrem aan.
Loszetten
Trek aan de hefboom, druk de knop in
en duw de handrem geheel omlaag. Trek de knop in het uiteinde van de
handrem naar voren.
Laat de hefboom zakken.
Nu is het mogelijk de stoel te draaien.
Om de handrem weer gewoon te laten
functioneren: trek de hefboom omhoog
tot een klik hoorbaar is.
Als de handrem nog (iets) is
aangetrokken, wordt dit aangegeven
door:
Ontkoppelen
Trek de handrem aan als uw auto is
voorzien van een voorstoel die kan
worden omgedraaid. een verklikkerlampje op het
controledisplay,
een geluidssignaal,
een melding op het display.

VEILIGHEI
D
87
Parkeerhulp
4
PARKEERHULP VOOR EN/OF ACHTER
Dit systeem (volgens uitvoering)
werkt met geluidssignalen en/of
grafische weergave en bestaat uit vier
ultrasoonsensoren die zijn aangebracht in
de voor- en/of achterbumper. Het systeem
waarschuwt de bestuurder voor elk
obstakel (persoon, auto, boom, hek, …)
binnen het detectiebereik, dat zich tijdens
het rijden voor of achter de auto bevindt.
Sommige voorwerpen die worden
waargenomen bij aanvang van de
aanrijmanoeuvre, komen buiten het bereik
van de ultrasoonsensoren wanneer de
auto te dicht genaderd is en kunnen
dan niet meer worden waargenomen.
Bijvoorbeeld: paaltjes, pionnen bij
wegwerkzaamheden of trottoirranden.
De parkeerhulp is een hulpmiddel voor de
bestuurder die desondanks waakzaam
moet blijven en verantwoordelijk is.
Inschakelen
Het systeem wordt ingeschakeld zodra:
- de versnellingspook in de achteruit
wordt gezet,
- de auto vooruitrijdt met een
snelheid lager dan 10 km/h.
Dit wordt aangegeven door een
geluidssignaal en de weergave van de
auto afhankelijk van het display.
De afstand tot het obstakel wordt
aangegeven door:
- geluidssignalen, die elkaar sneller
opvolgen naarmate de auto dichter
bij het obstakel komt,
- een grafische weergave op het
display, met blokjes die steeds
dichter bij de auto komen.
De aanwezigheid van een obstakel
wordt aangegeven door middel van
een geluidssignaal via de luidspreker
aan die kant: dat wil zeggen voor of
achter, en rechts of links.
Deactiveren van het systeem
Druk nogmaals op de knop om het
systeem opnieuw in te schakelen. Het
lampje op de knop gaat uit.
Zorg ervoor dat de sensoren in de
winter of bij slecht weer niet bedekt
zijn met modder, ijs of sneeuw.
Wanneer dat wel het geval is (bijvoorbeeld
vuile sensoren) zal, bij het inschakelen van
de achteruit, het lampje gaan knipperen in
combinatie met een geluidssignaal en een
melding op het display.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Uitschakelen
Druk op de knop op het
dashboard om het systeem uit
te schakelen, het lampje op de
knop gaat branden (om kinderen
niet wakker te maken...).
Het systeem wordt gedeactiveerd als:
- een andere versnelling dan de
achteruit wordt geselecteerd,
- de auto vooruitrijdt met een
snelheid hoger dan 10 km/h,
- de auto na het parkeren stilstaat
(uitsluitend bij de parkeerhulp voor).
Opnieuw inschakelen
Als de auto minder dan ongeveer
30 centimeter van het obstakel verwijderd
is, is het geluidssignaal continu hoorbaar
en verschijnt het symbool "Gevaar"
afhankelijk van het display.
De functie wordt automatisch
uitgeschakeld zodra een aanhanger
wordt aangekoppeld, of wanneer
een fietsendrager wordt geplaatst
(auto uitgerust met een door PEUGEOT
aanbevolen trekhaak of fietsendrager).

VEILIGHEI
D
89
Veiligheid tijdens het rijden
4
ANTISPINREGELING
(ASR) EN ELEKTRONISCH
STABILITEITSPROGRAMMA
(ESP)
Inschakelen van het ASR- en
ESP-systeem
Als het contact is aangezet, zijn het ASR-
en ESP-systeem altijd ingeschakeld.
Uitschakelen ASR/ESP
In bijzondere omstandigheden (als de
auto vastzit in de modder, sneeuw, in
mulle grond, ...) kan het nuttig zijn het
ASR/ESP uit te schakelen, zodat de
wielen kunnen slippen en weer grip
kunnen krijgen.
-
Druk op de schakelaar die zich
onder het stuurwiel aan de
linkerkant van het dashboard
bevindt.
Het verklikkerlampje gaat
branden in combinatie met
een melding: het ASR en
ESP hebben geen invloed
meer op de werking van de
motor, maar blijven wel actief
via het remsysteem.
Controle van werking
Het ASR-/ESP-systeem zorgt voor
meer veiligheid tijdens het rijden.
De bestuurder mag zich echter
nooit laten verleiden tot het nemen van
meer risico’s en het te hard rijden.
De goede werking van het systeem
wordt verzekerd onder voorwaarde dat
de voorschriften van de constructeur
op het gebied van wielen (banden
en velgen), onderdelen van het
remsysteem en elektronische
onderdelen worden nageleefd en
dat de procedures voor montage en
het uitvoeren van werkzaamheden
door het PEUGEOT netwerk worden
opgevolgd.
Laat deze systemen na een aanrijding
controleren door het PEUGEOT
netwerk .
De systemen worden opnieuw:
-
automatisch ingeschakeld als de
rijsnelheid hoger wordt dan 50 km/h,
-
handmatig ingeschakeld door
nogmaals op de schakelaar te drukken.
Werking van het ASR- en
ESP-systeem
Als het ASR- of ESP-
systeem ingrijpt, knippert het
desbetreffende pictogram.
Deze systemen staan in verbinding met
het ABS en zijn hier een aanvulling op.
Het ASR-systeem past de
aandrijfkracht aan om het doorspinnen
van de wielen te voorkomen via
de remmen van de aangedreven
wielen en de motor. De ASR zorgt
ook voor meer koersstabiliteit bij het
accelereren.
Het ESP-systeem grijpt automatisch
in via het remsysteem en de motor als
de koers van de auto afwijkt van de
door de bestuurder gewenste richting.
In extreme situaties kan het systeem
de auto echter niet altijd onder controle
houden. Bij een storing in de systemen
zal het verklikkerlampje gaan
branden in combinatie met
een geluidssignaal en een
melding op het display.
Raadpleeg het PEUGEOT netwerk om
het systeem na te laten kijken.

90
Veiligheid tijdens het rijden
DETECTIESYSTEEM TE LAGE
BANDENSPANNING
Sensoren controleren tijdens het
rijden de bandenspanning en zenden
een waarschuwingssignaal uit als de
bandenspanning te laag is (bij een snelheid
hoger dan 25 km/h) of een band lek is.
Op het display wordt met een of meer
knipperende wielen in de afbeelding van de
auto aangegeven welke band(en) het betreft.
Te lage bandenspanning
Het verklikkerlampje
SERVICE gaat branden in
combinatie met de melding
"Te lage bandenspanning"
, een
afbeelding op het display en een
geluidssignaal.
Controleer dan zo snel mogelijk de
bandenspanning. Als de beschadigde band in de
bagageruimte wordt gelegd, zal
deze de melding opnieuw uitzenden,
om u eraan te herinneren de band
te laten repareren. Hierdoor kan een
eventuele andere waarschuwingsmelding
over de bandenspanning niet worden
weergegeven.
Sensor(en) niet
gedetecteerd
Het verklikkerlampje
SERVICE gaat branden
in combinatie met de melding
"X sensor(en) niet gedetecteerd"
,
een afbeelding op het display en een
geluidssignaal.
Dit betekent dat de bandenspanning
van één of meerdere wielen niet meer
gecontroleerd wordt. Raadpleeg het
PEUGEOT-netwerk om de defecte
sensor(en) te vervangen. Deze melding wordt ook
weergegeven als één van de
wielen niet op de auto aanwezig is
(bij reparatie) of als er een wiel zonder
sensor op de auto wordt gemonteerd.
Alle reparaties aan een wiel dat
met dit systeem is uitgerust en het
vervangen van een band moeten
worden uitgevoerd door het
PEUGEOT-netwerk.
Het detectiesysteem voor te lage
bandenspanning is een hulpmiddel
voor de bestuurder die desondanks
waakzaam moet blijven en
verantwoordelijk is.
Ondanks dit systeem moet de
bandenspanning nog regelmatig
worden gecontroleerd (ook van
het reservewiel) voor een optimale
wegligging en een langere levensduur
van de banden, zeker wanneer er
vaak onder zware omstandigheden
wordt gereden (zware belading, hoge
snelheden).
Het systeem kan tijdelijk worden
verstoord door radiogolven in hetzelfde
frequentiegebied.
Lekke band
Het verklikkerlampje
STOP gaat branden
in combinatie met
de melding "Lekke band(en)
gedetecteerd"
, een afbeelding op het
display en een geluidssignaal.
Stop onmiddellijk, maar vermijd abrupte
manoeuvres met het stuur en de remmen.
Vervang de beschadigde band (lekke
band of veel te lage bandenspanning)
en laat de bandenspanning zo snel
mogelijk controleren.
Zie in rubriek 7 het gedeelte "Wiel
verwisselen".

VEILIGHEI
D
91
Veiligheidsgordels
4
VEILIGHEIDSGORDELS VÓÓR
EN BUITENSTE
VEILIGHEIDSGORDELS ACHTER
De veiligheidsgordels van de voorstoelen
en de buitenste veiligheidsgordels van
zitrij 2 zijn voorzien van gordelspanners
en gordelkrachtbegrenzers.
De heupgordel moet zo laag mogelijk
op het bekken worden geplaatst. De
schoudergordel moet langs het holle
gedeelte van de schouder worden geplaatst.
Trek aan de gordel om te controleren of
deze goed vastzit.
De gordelkrachtbegrenzer beperkt de
kracht waarmee de gordel tegen de
borst van de inzittenden getrokken
wordt. Het systeem biedt hierdoor een
betere bescherming.
Het lampje kan ook gaan branden
als bijv. een tas of huisdier op de
stoel is geplaatst.
Verklikkerlampje
veiligheidsgordel vóór
Als de bestuurder en/
of voorpassagier zijn
veiligheidsgordel niet heeft vastgemaakt,
gaat het verklikkerlampje branden.
Vervolgens knippert het verklikkerlampje
bij snelheden hoger dan 25 km/h in
combinatie met een steeds sterker wordend
geluidssignaal (gedurende ongeveer
90 seconden) en een melding op het display.
Buitenste veiligheidsgordels
zitrij 2
Als de desbetreffende zitplaats
niet wordt gebruikt, schuif dan de
gordelgeleider zo ver mogelijk omhoog
om bijgeluiden te voorkomen.
Hoogteverstelling
-
Knijp de knop in en schuif het
bovenste bevestigingspunt omlaag.
-
Schuif de knop omhoog om het
bovenste bevestigingspunt omhoog
te schuiven.
Omdoen
-
Trek aan de gordel en steek de
gesp in de gordelsluiting.
-
Trek aan de gordel om de
vergrendeling van de gesp te
controleren.
Veiligheidsgordels met
oprolautomaat
Deze zijn voorzien van een automatische
blokkeerinrichting die in werking treedt bij
een aanrijding of een noodstop.
Dankzij de toepassing van
veiligheidsgordels met gordelspanners en
gordelkrachtbegrenzers is de veiligheid
van de inzittenden bij frontale aanrijdingen
nog verder verbeterd. De gordelspanners
dienen om, afhankelijk van de kracht van
de aanrijding, de veiligheidsgordels stevig
tegen de lichamen van de inzittenden te
trekken.
De veiligheidsgordels met gordelspanners
werken alleen als het contact is aangezet.
Buitenste veiligheidsgordels
zitrij 3
De zitplaatsen op de zitrij 3 zijn
voorzien van twee driepuntsgordels met
oprolautomaat en gordelkrachtbegrenzer.

VEILIGHEI
D
95
Airbags
4
Zij-airbags
De zij-airbags (volgens uitvoering)
beschermen de bestuurder en
voorpassagier bij een ernstige
zijdelingse aanrijding, om de kans op
borstletsel te verkleinen.
De zij-airbags zijn aan de zijde van de
portieren in de rugleuningen van de
voorstoelen aangebracht. De window-airbag wordt opgeblazen
tussen de inzittende vóór of achter in
de auto en de ruiten.
Registratiezones voor een aanrijding
A.
Impactzone vóór
B.
Impactzone opzij
Bij een lichte zijdelingse
aanrijding of bij over de kop
slaan, kan het zijn dat de airbag
niet wordt geactiveerd.
Bij een aanrijding van achteren of een
frontale aanrijding wordt de airbag niet
geactiveerd.
Storing
Window-airbags
De window-airbags (volgens
uitvoering) beschermen de bestuurder
en passagiers (uitgezonderd de
middelste zitplaatsen van zitrij
2 en 3) bij een ernstige zijdelingse
aanrijding, om de kans op hoofdletsel
te verkleinen.
De window-airbags zijn aangebracht in
de stijlen en het bovenste gedeelte van
het interieur.
Activering
De zij-airbags worden aan de
desbetreffende zijde opgeblazen bij
een ernstige zijdelingse aanrijding
binnen (een gedeelte van) de
impactzone opzij ( B
), loodrecht op
de lengteas van de auto en vanaf de
buitenzijde richting de binnenzijde van
de auto, die zich op een horizontale
ondergrond moet bevinden.
De zij-airbag wordt opgeblazen
tussen de inzittende vóór en het
desbetreffende portierpaneel.
Activering
De window-airbag wordt gelijktijdig met
de zij-airbag aan de desbetreffende zijde
opgeblazen bij een ernstige zijdelingse
aanrijding binnen (een gedeelte van)
de impactzone opzij ( B
), loodrecht op
de lengterichting van de auto, op een
horizontaal vlak en vanaf de buitenzijde
richting de binnenzijde van de auto.
Als dit verklikkerlampje op
het instrumentenpaneel
gaat branden in combinatie
met een geluidssignaal en
een melding op het display,
raadpleeg dan het PEUGEOT
netwerk om het systeem te laten
controleren. De kans bestaat dat de
airbags bij een ernstige aanrijding niet
worden geactiveerd.

96
Airbags
Uitschakelen
Alleen de airbag aan passagierszijde
kan worden uitgeschakeld:
-
Zet het contact af
, steek de sleutel
in de schakelaar voor uitschakelen
van de airbag aan passagierszijde,
- draai deze in de stand "OFF"
,
- verwijder de sleutel zonder de
stand van de sleutel te veranderen.
Airbags vóór
Deze zijn voor de bestuurder in
het midden van het stuurwiel en
voor de passagier in het dashboard
aangebracht.
Storing airbag vóór
Inschakelen
In de stand "OFF"
werkt de airbag
aan passagierszijde bij een eventuele
aanrijding niet.
Als u het kinderzitje hebt verwijderd,
zet dan de schakelaar weer op "ON"
om de airbag opnieuw in te schakelen
en zo de veiligheid van uw passagier
te garanderen. Schakel voor de veiligheid van uw
kind de airbag aan passagierszijde
altijd uit als u een kinderzitje met
de rug in de rijrichting op de voorstoel
plaatst. Anders kan een kind bij het
afgaan van de airbag levensgevaarlijk
gewond raken.
Het verklikkerlampje op
het instrumentenpaneel
brandt zolang de airbag is
uitgeschakeld.
Als de twee verklikkerlampjes
airbag permanent branden, plaats
dan geen kinderzitje met de rug
in de rijrichting. Raadpleeg het
PEUGEOT netwerk .
Activering
Ze worden tegelijkertijd geactiveerd,
behalve als de airbag aan
passagierszijde is uitgeschakeld, bij
een ernstige frontale aanrijding binnen
de impactzone A
, in de lengterichting
van de auto en vanaf de voorzijde
richting de achterzijde van de auto, die
zich op een horizontale ondergrond
moet bevinden.
De airbag vóór wordt opgeblazen
tussen de inzittende vóór en het
dashboard om te voorkomen dat de
inzittende naar voren wordt geworpen.
Als dit verklikkerlampje op
het instrumentenpaneel gaat
branden in combinatie met
een geluidssignaal en een
melding op het display, laat
het systeem dan controleren
door het PEUGEOT netwerk .