
Stuurkolomschakelaars
44
Mistlampen
vóór (groen) en
mistachterlicht
(amberkleurig, draai
de ring 2 standen naar
voren). Draai de ring twee standen naar
achteren om achtereenvolgens het
mistachterlicht en de mistlampen
vóór te doven.
Mistlampen vóór/mistachterlicht
Deze worden ingeschakeld door de ring B
naar voren te draaien en uitgeschakeld
door de ring naar achteren te draaien.
Het branden van de mistlampen wordt
aangegeven door een verklikkerlampje op
het instrumentenpaneel.
Deze branden in combinatie met
parkeer- en dimlicht.
Bij helder of regenachtig weer,
zowel overdag als 's nachts, is het
mistachterlicht verblindend voor
medeweggebruikers en daarom
niet toegestaan.
Vergeet niet de mistlampen uit te
zetten zodra het niet meer nodig is.
De automatische verlichting schakelt
het mistachterlicht uit, maar de
mistlampen vóór blijven branden.
Verlichting overdag
Afhankelijk van het land van
bestemming, kan de auto zijn uitgerust
met verlichting overdag. Als de auto
wordt gestart, wordt het dimlicht
ingeschakeld.
De verlichting van de cockpit
(instrumentenpaneel, display,
bedieningspaneel airconditioning, ...)
gaat niet branden, behalve wanneer de
automatische stand van de verlichting
wordt ingeschakeld of wanneer de
verlichting handmatig wordt ingeschakeld.
Overschakelen van dim- naar
grootlicht
Trek de hendel, voorbij het zware punt,
naar u toe.
Mistlampen vóór (groen, draai
de ring 1 stand naar voren).
Vergeten verlichting
Als het contact is afgezet en er wordt
een voorportier geopend, klinkt een
geluidssignaal. Dit verklikkerlampje
gaat branden op het
instrumentenpaneel.

Stuurkolomschakelaars
ERGONOMIE en COMFORT
3
45
Follow me home (automatisch)
Als het contact is afgezet en de
functie automatisch inschakelen
van de verlichting
actief is, blijven de
parkeer- en dimlichten gedurende een
geselecteerde tijdsduur branden als u
de auto verlaat.
Deze functie kan worden
in- en uitgeschakeld via het
configuratiemenu van het
display.
De tijdsduur kan eveneens worden
ingesteld (15, 30 of 60 s) via het
configuratiemenu van het display.
Voer deze handelingen bij stilstaande
auto uit.
KOPLAMPVERSTELLING
Afhankelijk van de belading van de
auto kan het noodzakelijk zijn om de
koplampen in hoogte te verstellen.
0
- 1 of 2 personen voorin.
1
- 5 personen.
2
- 6 - 8 personen.
3
- Bestuurder + maximaal toegestane
belading.
Stand 0: basisinstelling.
Bij mist of sneeuwval kan de
lichtsensor voldoende licht
waarnemen en zullen de
lichten niet automatisch worden
ingeschakeld.
Automatisch inschakelen van de verlichting
Uitschakelen
Draai de ring naar voren of naar
achteren. Bij het uitschakelen van de
functie verschijnt een melding op het
display.
De functie wordt tijdelijk uitgeschakeld
als de verlichting met de
lichtschakelaar wordt bediend.
Bij een storing in de lichtsensor
gaat de verlichting branden en wordt
het pictogram service weergegeven in
combinatie met een geluidssignaal en
een melding op het display.
Raadpleeg het PEUGEOT netwerk .
Dek de lichtsensor, die zich in
het midden van het dashboard
bevindt, niet af. Deze sensor dient
voor de regeling van de automatische
verlichting en ruitenwissers.
Inschakelen
Draai de ring in de stand AUTO
. Bij het
inschakelen van de functie verschijnt
een melding op het display.
AUTOMATISCHE
KOPLAMPVERSTELLING
(XENON)
Bij auto’s met xenonlampen stelt het
systeem automatisch de hoogte van
de lichtbundel af, ongeacht de belading
van de auto. De bestuurder is dus
verzekerd van een optimale verlichting
en kan andere weggebruikers niet
verblinden.
Uitschakelen:
-
geef een "lichtsignaal",
- verlaat en vergrendel de auto.
Als uw auto is
voorzien van een
lichtsensor, worden
het parkeerlicht en het
dimlicht automatisch
ingeschakeld als
de lichtsterkte van de omgeving
onvoldoende is en als de ruitenwissers
zijn ingeschakeld. De verlichting wordt
uitgeschakeld als de lichtsterkte van de
omgeving weer voldoende is of het wissen
is gestopt. Deze functie is niet mogelijk in
combinatie met verlichting overdag.

Stuurkolomschakelaars
ERGONOMIE en COMFORT
3
47
Inschakelen
Duw de hendel omlaag. Bij het
inschakelen van de automatische
ruitenwissers verschijnt een melding
op het display.
Als het contact meer dan 1 minuut
afgezet is geweest, moet de
automatische werking van de
ruitenwissers opnieuw worden
geactiveerd
door de schakelaar één
keer omlaag te bewegen
.
Ruitenwisser achter
Draai de ring in de eerste
stand. Het interval wordt
aangepast aan de rijsnelheid.
Ruitensproeier achter
Draai de ring voorbij de
eerste stand, zodat de
ruitensproeier in werking
treedt en vervolgens de ruitenwisser
enige tijd wordt ingeschakeld.
Gebruiksvoorschrift
Zet bij het wassen van de auto
in een autowasstraat het contact af
zonder het alarm in te schakelen.
Wacht ‘s winters tot de voorruit volledig
is ontdooid alvorens de automatische
ruitenwissers te activeren.
Zet als de ruit met sneeuw of ijs bedekt
is, eerst de achterruitverwarming aan,
wacht tot de sneeuw of het ijs begint te
smelten en veeg de ruitenwisser achter
schoon. Zet dan pas de ruitenwisser
achter aan.
Schakel bij gebruik van
een op de achterklep
bevestigde fietsendrager de
ruitenwisser achter uit via
het configuratiemenu van het
display.
Deactiveren/Uitschakelen
Zet de schakelaar in de stand I
, 1
of 2
.
Als de functie wordt uitgeschakeld,
verschijnt er een melding op het
display.
In het geval van een storing
in
de werking van de automatische
ruitenwissers werken de ruitenwissers
in de intervalstand.
Raadpleeg het PEUGEOT netwerk om
het systeem te laten controleren.
Automatisch wissen - achteruitversnelling
- zet de schakelaar van de
ruitenwisser voor in een andere
positie dan 0
.
- schakel de achteruitversnelling in.
- de ruitenwisser achter werkt in de
intervalstand.
Zet het contact af als de auto in
een wasstraat gewassen wordt.
Wacht ‘s winters met het
inschakelen van het automatisch
wissen tot de voorruit ontdooid is.

Stuurkolomschakelaars
48
SNELHEIDSREGELAAR "CRUISE"
Bij auto's met automatische transmissie werkt
de voorziening alleen met de selectiehendel
in de stand D
(Drive) of vanaf de 2e
versnelling in de handgeschakelde stand.
Functie geselecteerd,
weergave van
het symbool
"Snelheidsregelaar".
Functie uitgeschakeld,
OFF (bijvoorbeeld bij
107 km/h).
Functie ingeschakeld,
(bijvoorbeeld bij
107 km/h).
Wagensnelheid
hoger dan ingestelde
snelheid (bijvoorbeeld
118 km/h),
de weergegeven
ingestelde snelheid
knippert.
Storing in de werking
van het systeem,
OFF - de streepjes
knipperen. Op het controledisplay wordt
aangegeven of de functie is
geselecteerd en wordt de ingestelde
snelheid weergegeven:
Voor het instellen van de gewenste
wagensnelheid.
Met dit systeem kan de bestuurder, bij
normaal doorstromend verkeer, met
een constante zelf ingestelde snelheid
rijden, behalve op steile hellingen.
Deze voorziening werkt alleen bij
snelheden boven 40 km/h vanaf
de 4e versnelling bij auto's met
handgeschakelde versnellingsbak.
Als uw auto is voorzien van een snelheidsregelaar
en een snelheidsbegrenzer (volgens land
van bestemming en motoruitvoering), dan kunnen
beide systemen echter niet gelijktijdig worden
gebruikt.

Stuurkolomschakelaars
50
Uitschakelen van de functie
- Draai de knop in de stand 0
of
zet het contact af om het systeem
volledig uit te schakelen.
Gebruiksvoorschrift
Let bij het wijzigen van de
ingestelde snelheid door het ingedrukt
houden van de toets goed op omdat
de snelheid zeer snel kan worden
verhoogd of verlaagd.
Gebruik de snelheidsregelaar niet op
gladde wegen of bij zeer druk verkeer.
Bij een steile afdaling kan de
snelheidsregelaar niet voorkomen
dat de ingestelde snelheid wordt
overschreden.
Bij het gebruik van de
snelheidsregelaar moet de bestuurder
te allen tijde de snelheidslimiet in
acht nemen, zijn aandacht op het
verkeer blijven vestigen en zijn
verantwoordelijkheid nemen.
Het is verstandig uw voeten in de
nabijheid van de pedalen te houden.
Om te voorkomen dat de werking van
de pedalen wordt gehinderd:
- controleer of de mat en de
bevestigingen goed geplaatst zijn,
- gebruik nooit meer dan één mat per
plaats.
Ingestelde snelheid
wijzigen
De ingestelde snelheid
kunt u op twee
manieren verhogen:
Zonder het gaspedaal:
- druk op de toets Set +
.
Druk de toets kort in om de snelheid
met 1 km/h te verhogen.
Houd de toets ingedrukt om de snelheid
in stappen van 5 km/h te verhogen.
Storing
De ingestelde snelheid wordt gewist en
gedurende enkele seconden knipperen
de streepjes op het display.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk om
het systeem te laten controleren. Met het gaspedaal:
- trap het gaspedaal in tot de
gewenste snelheid is bereikt,
- druk op de toets Set +
of Set -
.
Verlagen van de ingestelde snelheid:
- druk op de toets Set -
.
Druk de toets kort in om de snelheid
met 1 km/h te verlagen.
Houd de toets ingedrukt om de snelheid
in stappen van 5 km/h te verlagen.
Ingestelde snelheid annuleren
Als bij stilstaande auto het contact
wordt afgezet, wordt de ingestelde
snelheid uit het geheugen gewist.

Stuurkolomschakelaars
ERGONOMIE en COMFORT
3
51
SNELHEIDSBEGRENZER "LIMIT"
Als het gaspedaal vervolgens
geleidelijk weer wordt losgelaten en
de wagensnelheid onder de ingestelde
maximumsnelheid komt, wordt de
snelheidsbegrenzer weer geactiveerd.
Als uw auto is voorzien van
een snelheidsbegrenzer en een
snelheidsregelaar (volgens land van
bestemming en motoruitvoering), dan
kunnen beide systemen echter niet
gelijktijdig worden gebruikt.
Het systeem kan worden bediend
bij stilstaande auto met draaiende
motor, of tijdens het rijden.
Functie geselecteerd,
weergave van
het symbool
"Snelheidsbegrenzer".
Functie
uitgeschakeld, laatst
ingestelde snelheid -
OFF (bijvoorbeeld
bij 107 km/h).
Functie ingeschakeld
(bijvoorbeeld bij
107 km/h).
Wagensnelheid
hoger dan de
ingestelde snelheid
(bijvoorbeeld 118 km/
h), de weergegeven
ingestelde snelheid
knippert.
Storing in de werking
van het systeem,
OFF - de streepjes
knipperen. Op het controledisplay wordt
aangegeven of de functie is
geselecteerd en wordt de ingestelde
snelheid weergegeven:
"Dit is de gekozen snelheid die de
bestuurder niet wil overschrijden".
Het instellen van de maximumsnelheid
is mogelijk bij stilstaande auto met
draaiende motor, of tijdens het rijden.
De ingestelde snelheid dient minimaal
30 km/h te bedragen.
De snelheid wordt verhoogd naarmate
het gaspedaal dieper wordt ingetrapt
tot aan het zware punt van het
gaspedaal, waarbij de ingestelde
snelheid is bereikt.
Als het gaspedaal tot voorbij het
zware punt wordt ingetrapt, wordt
de ingestelde snelheid echter
overschreden.

Stuurkolomschakelaars
52
Selecteren van de functie
- Draai de knop in de stand LIMIT
.
De begrenzer is dan geselecteerd,
maar nog niet actief. Het display
geeft de laatst ingestelde snelheid
weer.
Instellen van een snelheid
Er kan, bij draaiende motor, een
snelheid worden ingesteld zonder de
begrenzer in te schakelen.
Verhogen van de ingestelde snelheid:
- druk op de toets Set +
.
Druk de toets kort in om de snelheid
met 1 km/h te verhogen.
Houd de toets ingedrukt om de snelheid
in stappen van 5 km/h te verhogen.
Inschakelen/uitschakelen (OFF)
Druk één keer op deze toets om
de begrenzer in te schakelen, druk
nogmaals om de begrenzer uit te
schakelen (OFF).
Verlagen van de ingestelde snelheid:
- druk op de toets Set -
.
Druk de toets kort in om de snelheid
met 1 km/h te verlagen.
Houd de toets ingedrukt om de
snelheid in stappen van 5 km/h te
verlagen.

Stuurkolomschakelaars
ERGONOMIE en COMFORT
3
53
Uitschakelen van de functie
- Draai de knop in de stand 0
of zet
het contact af om het systeem uit
te schakelen. De laatst ingestelde
snelheid blijft in het geheugen
opgeslagen.
Overschrijden van de ingestelde
snelheid
Als het gaspedaal geleidelijk dieper
wordt ingetrapt, wordt de snelheid niet
verhoogd. Als het gaspedaal echter
met kracht
wordt ingetrapt, tot voorbij
het zware punt
, wordt de begrenzer
tijdelijk uitgeschakeld en knippert de
ingestelde snelheid.
Laat om de begrenzer weer in te
schakelen de snelheid zakken tot
een snelheid lager dan de ingestelde
snelheid.
Storing
De ingestelde snelheid wordt gewist en
gedurende enkele seconden knipperen
de streepjes op het display.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk om
het systeem te laten controleren.
Knipperen van de snelheidsweergave
De snelheid knippert:
- als het gaspedaal tot voorbij het
zware punt wordt ingetrapt,
- als de begrenzer door het profiel
van de weg of bij een steile
afdaling niet kan voorkomen dat
de ingestelde snelheid wordt
overschreden,
- tijdens snel accelereren.
Gebruiksvoorschrift
Bij het gebruik van de snelheidsbegrenzer moet de
bestuurder te allen tijde de snelheidslimiet in acht nemen,
zijn aandacht op het verkeer blijven vestigen en zijn
verantwoordelijkheid nemen.
Let erop dat door het profiel van de weg of door snel
accelereren de ingestelde snelheid kan worden overschreden
en zorg ervoor dat u altijd de controle over de auto houdt.
Om te voorkomen dat de werking van
de pedalen wordt gehinderd:
- controleer of de mat en
bevestigingen goed geplaatst zijn,
- leg nooit meerdere matten boven
op elkaar.