Page 126 of 291

124Instrumenten en bedieningsorganeneen dreigende botsing kan
worden geselecteerd.
Buitensp. afstellen bij
inschakelen achteruit : Past de
buitenspiegels aan bij inschake‐
ling van de achteruitversnelling
voor een beter zicht op het trot‐
toir.
Driver Alert : Activeert of deacti‐
veert de vermoeidheidsdetectie.Telematicaservices
Opel Connect
Opel Connect is een nieuwe manier
om onderweg verbonden en veilig te
blijven.
Beschikbare functies bij
Opel Connect zijn:
● noodoproepfunctie
● oproepfunctie voor bij pech
Wanneer de auto is uitgerust met Opel Connect, zijn deze functies
automatisch geactiveerd. De Alge‐
mene Voorwaarden zijn van toepas‐
sing.
Opel Connect werkt via de knoppen
in de dakconsole.
Let op
Opel Connect is niet op alle markten verkrijgbaar. Neem contact op met
uw werkplaats voor meer informatie.
Noodoproepfunctie
Bij auto's met de noodoproepfunctie
zit er een rode SOS-knop in de
dakconsole.Via de noodoproepfunctie wordt u
doorverbonden met de dichtstbij‐
zijnde meldkamer (PSAP). Er wordt
een minimale hoeveelheid gegevens
naar de meldkamer verzonden, waar‐ onder auto- en locatiegegevens.
Let op
Een noodoproep doen is wellicht
niet mogelijk in gebieden met onvol‐
doende netwerkdekking of als
gevolg van schade aan hardware tijdens een ongeluk.
Automatische botsingsmelding
Bij een ongeval waarbij airbags
worden geactiveerd wordt er een
automatische noodoproep gedaan en wordt er een automatische botsings‐
melding verzonden naar de dichtstbij‐ zijnde meldkamer.
Noodhulp
In een noodsituatie kunt u ook hand‐
matig een noodoproep doen door de
rode SOS-knop gedurende meer dan
twee seconden in te drukken. De led
knippert om aan te geven dat er
verbinding met de dichtstbijzijnde
Page 128 of 291

126VerlichtingVerlichtingRijverlichting.............................. 126
Lichtschakelaar .......................126
Automatische verlichting .........127
Grootlicht ................................. 127
Grootlichtassistentie ................127
Lichtsignaal ............................. 128
Koplampverstelling ..................129
Koplampinstelling in het buitenland ............................... 129
Dagrijlicht ................................. 129
Bochtverlichting .......................129
Alarmknipperlichten .................129
Richtingaanwijzers ..................130
Mistlampen voor ......................130
Mistachterlicht ......................... 131
Parkeerlichten ......................... 131
Achteruitrijlichten .....................131
Beslagen lampglazen ..............131
Binnenverlichting .......................132
Regelbare instrumentenverlichting .........132
Leeslampen ............................. 132
Verlichting zonneklep ..............133
Verlichtingsfuncties ....................133
Verlichting middenconsole ......133Instapverlichting ......................133
Uitstapverlichting .....................133
Autozoekverlichting .................134
Wegverlichting ......................... 134
Ontlaadbeveiliging accu ..........134Rijverlichting
Lichtschakelaar
Lichtschakelaar draaien:
AUTO:automatische verlichting
schakelt automatisch
tussen dagrijlicht en
koplamp8:zijmarkeringslichten9:dimlicht of grootlicht
Wanneer u de ontsteking inschakelt,
is de automatische verlichting actief.
Controlelamp 8 3 110.
Page 129 of 291

Verlichting127AchterlichtenDe achterlichten branden samen met
het dim-/grootlicht en de zijmarke‐
ringslichten.
Automatische verlichting
Wanneer de automatische verlichting
is ingeschakeld en de motor loopt,
wordt er automatisch gewisseld
tussen dagrijlicht en automatische
verlichting afhankelijk van het omge‐
vingslicht en de informatie afkomstig
van het wissersysteem.
Ga na of de sensor niet bedekt is
3 10, 3 42.
Dagrijlicht 3 129.
Automatische
koplampinschakeling
Wanneer het omgevingslicht zwak is, worden de koplampen ingeschakeld.
Bovendien worden de koplampen
ingeschakeld als de ruitenwissers
enkele slagen geactiveerd zijn.
Tunneldetectie
Bij het inrijden van een tunnel worden de koplampen onmiddellijk ingescha‐ keld.
GrootlichtDuw tegen de hendel om van dimlicht
op groot licht over te schakelen.
Trek aan de hendel om het groot licht uit te schakelen.
Grootlichtassistentie Deze functie activeert 's nachts auto‐
matisch het groot licht bij een rijsnel‐ heid van meer dan 25 km/u.
Het systeem schakelt automatisch
terug op dimlicht wanneer:
● Een sensor de lichten van voor- of tegenliggers detecteert.
● In stadsverkeer wordt gereden.
● De snelheid minder dan 15 km/u is.
● Het mistig is of sneeuwt.
● De mistlampen voor of achter zijn
ingeschakeld.
Zodra er geen beperkingen meer
worden herkend, schakelt het
systeem het groot licht weer in.
Page 131 of 291

Verlichting129KoplampverstellingHandmatige koplampverstelling
U kunt de lichtbundelhoogte aanpas‐
sen aan de belading om verblinding
te voorkomen: draai het kartelwiel‐
tje ? in de gewenste stand.
0:zitplaatsen voorin bezet1:alle zitplaatsen bezet2:alle zitplaatsen bezet en bagage
in de bagageruimte3:bestuurdersstoel bezet en
bagage in de bagageruimteKoplampinstelling in het
buitenland
Bij het rijden in landen waar het
verkeer in de andere richting rijdt
hoeven de koplampen niet te worden
afgesteld.
Dagrijlicht
Dagrijlichten maken de auto overdag
beter zichtbaar.
Het wordt automatisch ingeschakeld
wanneer de motor draait.
Het systeem schakelt automatisch
tussen dagrijlicht en dimlicht, afhan‐
kelijk van het lichtomstandigheden.
BochtverlichtingGeactiveerd bij snelheden tot 40 km/
h tijdens het afslaan. Afhankelijk van
de stuuruitslag of het inschakelen van de richtingaanwijzers schijnen de
mistlampen voor in de rijrichting.
Deze functie kan worden geactiveerd
of gedeactiveerd in de Persoonlijke
instellingen 3 120.
Alarmknipperlichten
Page 133 of 291

Verlichting131Mistachterlicht
Om in te schakelen r indrukken.
Lichtschakelaar in stand AUTO: bij
inschakelen van het mistachterlicht
worden de koplampen automatisch ingeschakeld.
Lichtschakelaar in stand 8: mistach‐
terlicht kan alleen in combinatie met
voorste mistlampen worden inge‐
schakeld.
Het mistachterlicht is gedeactiveerd
wanneer er een aanhanger of een
stekker is aangesloten op het contact, bijv. wanneer een fietsdrager is
geplaatst.
Parkeerlichten
Bij het parkeren kunnen de parkeer‐
lichten aan één kant worden inge‐
schakeld:
1. Contact uitschakelen.
2. Richtingaanwijzerhendel volledig omhoog- (parkeerlichten rechts)
of omlaaghalen (parkeerlichten links).
Bevestiging door een geluidssignaal
en het bijbehorende controlelampje
van de richtingaanwijzer.
Achteruitrijlichten
Het achteruitrijlicht gaat branden
wanneer het contact aanstaat en de auto in de achteruitversnelling staat.
Beslagen lampglazen De binnenkant van de lampenglazen
kan bij koud en vochtig weer, bij
hevige regen of na een wasbeurt
korte tijd beslaan. De condens
verdwijnt na korte tijd vanzelf, om dit
te versnellen de verlichting inschake‐
len.
Page 137 of 291

Klimaatregeling135KlimaatregelingKlimaatregelsystemen...............135
Verwarmings- en ventilatiesysteem ....................135
Airconditioning ......................... 136
Elektronisch klimaatregelsysteem ............... 139
Parkeerverwarming .................143
Luchtroosters ............................. 145
Verstelbare luchtroosters ........145
Vaste luchtroosters ..................146
Koeling handschoenenkastje ..146
Onderhoud ................................. 147
Luchtinlaat ............................... 147
Airconditioning regelmatig aanzetten ............................... 147
Service .................................... 147Klimaatregelsystemen
Verwarmings- en
ventilatiesysteem
Bedieningsorganen voor: ● temperatuur n
● luchtverdeling l, M en K
● ventilatorsnelheid Z
● luchtrecirculatie u
● achterruit- en buitenspiegelver‐ warming e
● stoelverwarming ß
Verwarmbare achterruit e 3 45.
Verwarmbare buitenspiegels e
3 40.
Verwarmde stoelen ß 3 53.
Temperatuur
Temperatuur aanpassen door n op
de gewenste temperatuur te draaien.HI:warmLO:koud
De verwarming werkt pas optimaal als de motor de normale bedrijfstem‐
peratuur heeft bereikt.
Luchtverdeling
l:naar de voorruit en de voorste
zijruitenM:naar hoofdhoogte via de verstel‐
bare luchtroostersK:naar de voetenruimte en voorruit
Alle combinaties zijn mogelijk.
Luchtdebiet
Pas de luchtopbrengst aan door x op
de gewenste snelheid te draaien.
Page 138 of 291

136Klimaatregelingrechtsom:vergrotenlinksom:verkleinen
Luchtrecirculatiesysteem u
Luchtrecirculatiemodus met u
inschakelen. Het led-lampje in de
knop brandt om activering aan te
geven.
Luchtrecirculatiemodus weer met u
uitschakelen.
9 Waarschuwing
Als het luchtrecirculatiesysteem is
ingeschakeld, vermindert de lucht‐verversing. Bij het gebruik zonder
koeling neemt de luchtvochtigheid
toe waardoor de ruiten van
binnenuit kunnen aandampen. De kwaliteit van de binnenlucht neemt
na verloop van tijd af, wat tot
vermoeidheidsverschijnselen bij de inzittenden kan leiden.
Wanneer de omgevingslucht warm
en zeer vochtig is, kan de voorruit aan de buitenkant beslaan wanneer er
koude lucht tegenaan stroomt. Als de
voorruit aan de buitenkant aandampt, moet u de ruitenwisser aanzetten en
l uitzetten.
Ontwasemen en ontdooien
● Druk op l: de lucht wordt in de
richting van de voorruit geleid.
● Draaiknop voor temperatuur n in
hoogste stand zetten.
● Aanjagersnelheid x op hoogste
stand zetten.
● Verwarming achterruit e inscha‐
kelen.
● Zijdelingse luchtroosters openen naar wens en op de zijruiten rich‐ten.
Achterruit-, voorruit- en buitenspie‐
gelverwarming b 3 45.
Verwarmde stoelen ß 3 53.
Airconditioning
Bedieningsorganen voor: ● temperatuur n
● luchtverdeling l, M en K
Page 139 of 291

Klimaatregeling137●luchtdebiet x
● koeling A/C
● luchtrecirculatie q
● achterruit- en buitenspiegelver‐ warming e
Verwarmbare achterruit e 3 45.
Verwarmbare buitenspiegels e
3 40.
Temperatuur n
Temperatuur aanpassen door n op
de gewenste temperatuur te draaien.HI:warmLO:koud
De verwarming werkt pas optimaal als de motor de normale bedrijfstem‐
peratuur heeft bereikt.
Luchtverdeling l,
M ,
K
l:naar de voorruit en de voorste
zijruitenM:naar hoofdhoogte via de verstel‐
bare luchtroostersK:naar de voetenruimte
Alle combinaties zijn mogelijk.
Luchtdebiet x
Pas de luchtopbrengst aan door x op
de gewenste snelheid te draaien.rechtsom:versnellenlinksom:vertragen
Koeling A/C
Druk op A/C om naar koeling om te
schakelen. Het led-lampje in de knop brandt om activering aan te geven.
Koeling werkt alleen bij een draai‐
ende motor en ingeschakelde venti‐
lator.
Druk opnieuw op A/C om koeling uit
te schakelen.
De airconditioning koelt en ontvoch‐
tigt (droogt) de lucht wanneer de
buitentemperatuur iets boven het
vriespunt ligt. Er kan zich dan
condens vormen en onder de auto op
de grond druppelen.
Als geen koeling of droging gewenst
is, moet u omwille van het brandstof‐
verbruik de koeling uitschakelen.
Geactiveerde koeling kan een Auto‐
stop verhinderen. Stop/Start-systeem 3 153.
Luchtrecirculatiesysteem q