Page 47 of 291
Sleutels, portieren en ruiten45Achterste zijruiten
Kantel om de achterste zijruiten deelste openen de hendel en duw deze
helemaal in om de ruiten in de open
stand te blokkeren.
Achterruitverwarming Samen met de buitenspiegelverwar‐
ming in te schakelen door het indruk‐
ken van e.
De verwarming werkt bij een draai‐
ende motor en wordt na korte tijd
automatisch uitgeschakeld.
Afhankelijk van de klimaatregeling zit
e mogelijk op een andere plek.Voorruitverwarming
Deze functie verwarmt de voorruit
langs de onderkant en langs de
bestuurderszijde van de voorruit.
Zo komen eventueel aan de voorruit
vastgevroren ruitenwisserbladen met
deze functie snel los van de voorruit. De functie gaat tevens sneeuwopho‐
ping tegen bij gebruik van de voorrui‐ twissers.
De verwarming werkt door op , te
drukken. De led in de toets licht op.
De verwarming werkt bij een draai‐
ende motor en wordt afhankelijk van
de omgevingstemperatuur uitgescha‐
keld.
Page 48 of 291
46Sleutels, portieren en ruitenAls u weer op , drukt, stopt de
verwarming met werken. De led in de toets dooft.
Zonnekleppen
Om verblinding te vermijden kunnen
de zonnekleppen worden neerge‐
klapt en opzij worden gedraaid.
Afdekkingen van eventueel in de
zonnekleppen aanwezige make-
upspiegels tijdens het rijden gesloten houden.
Aan de achterkant van de zonneklep
zit een kaartjeshouder.Rolschermen
Om het zonlicht op de tweede zitrij te
verminderen, trekt u het scherm aan
de handgreep omhoog en haakt u het
vast aan de bovenkant van de portier‐ opening.
Dak
Panoramadak
Zonnescherm
Druk N achteraan in: het zonne‐
scherm wordt geopend zolang u de
schakelaar bedient.
Druk N vooraan in: het zonnescherm
wordt gesloten zolang u de schake‐
laar bedient.
Page 49 of 291

Stoelen, veiligheidssystemen47Stoelen,
veiligheidssysteme
nHoofdsteunen .............................. 47
Voorstoelen .................................. 48
Stoelpositie ................................ 48
Stoelverstelling .......................... 49
Rugleuning neerklappen ...........50
Armsteun ................................... 52
Verwarming ............................... 53
Achterbank ................................... 53
Zitplaatsen tweede zitrij .............53
Zitplaatsen derde zitrij ...............55
Veiligheidsgordels .......................57
Driepuntsgordel ......................... 58
Airbagsysteem ............................. 60
Frontaal airbagsysteem .............64
Zijdelings airbagsysteem ...........64
Gordijnairbagsysteem ...............65
Airbag deactiveren ....................65
Kinderveiligheidssystemen ..........67
Inbouwposities kinderveilig‐ heidssystemen ......................... 70Hoofdsteunen
Stand9 Waarschuwing
Alleen met correct ingestelde
hoofdsteunen rijden.
De bovenzijde van de hoofdsteun moet op gelijke hoogte zijn als de
bovenzijde van het hoofd. Is dit bij
zeer lange personen niet mogelijk,
dan de hoofdsteun in de hoogste
stand zetten (bij zeer kleine personen
de hoofdsteun juist in de laagste
stand zetten).
Instellen
Hoofdsteunen van voorstoelen
Hoogteverstelling
Trek de hoofdsteun omhoog of druk
op de pal en duw deze omlaag.
Verwijderen
Druk de pal in en trek de desbetref‐
fende hoofdsteun omhoog eruit.
Page 50 of 291

48Stoelen, veiligheidssystemenHoofdsteunen van achterbank
Hoogteverstelling
Trek de hoofdsteun omhoog of duw
deze omlaag.
Verwijderen
Druk de pal in en trek de desbetref‐
fende hoofdsteun omhoog eruit.
Voorstoelen
Stoelpositie9 Waarschuwing
Alleen met een correct ingestelde
stoel rijden.
9 Waarschuwing
Stoelen nooit tijdens het rijden
verstellen, omdat ze ongecontro‐
leerd kunnen bewegen.
9 Gevaar
Altijd op minstens 25 cm afstand
van het stuurwiel zitten zodat de
airbag veilig in werking kan treden.
9 Waarschuwing
Nooit voorwerpen onder de stoe‐
len plaatsen.
● Met zitvlak zo ver mogelijk tegen de rugleuning zitten. De afstand
tot de pedalen zo instellen dat de
benen bij het intrappen van de
pedalen licht gebogen zijn. De
passagiersstoel voor zo ver
mogelijk naar achteren schuiven.
● Zithoogte zo instellen, dat u rondom een goed zicht hebt en
alle instrumenten goed kunt afle‐ zen. Tussen hoofd en dakframe
moet minstens een handbreed
tussenruimte zitten. Uw dijen
dienen licht op de zitting rusten,
zonder druk uit te oefenen.
Page 54 of 291
52Stoelen, veiligheidssystemen
Trek om de zitting omhoog te brengenaan de handel en breng de zitting
omhoog tegen de rugleuning totdat
deze vergrendelt.
FlexOrganizer voor opbergen 3 82.
Scheidingsrooster bagageruimte
voor opbergen 3 85.
Zitbank passagierszijde voorin
opklappen
Zet de rugleuning weer rechtop door
de stoel omhoog te trekken totdat
deze vastklikt.
Zet de zitting weer in de oorspronke‐
lijke stand door tegen de hendel te
duwen en de zitting neer te laten
totdat deze vastklikt.9 Waarschuwing
Wanneer de passagiersstoel voor
in de opgeklapte stand is, moet het airbagsysteem voor de passagier
voor worden gedeactiveerd.
Airbag deactiveren 3 65.
Armsteun
De armsteun is opklapbaar.
U verwijdert de armsteun door deze
op te klappen en in de afgebeelde
stand te draaien.
Trek daarna de armsteun uit de
rugleuning.
Breng de armsteun aan door deze in
de rugleuning vast te klikken. Duw en
klap de armsteun recht omhoog. Trek
de armsteun iets eruit en klap deze
omlaag.
Page 94 of 291

92Instrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en
bedieningsorganenBedieningsorganen ......................93
Stuurwielverstelling ...................93
Stuurbedieningsknoppen ...........93
Verwarmd stuurwiel ...................93
Claxon ....................................... 94
Wis- en wasinstallatie voorruit ...94
Wis- en wasinstallatie achterruit .................................. 96
Buitentemperatuur .....................96
Klok ........................................... 97
Elektrische aansluitingen ...........97
Inductief opladen .......................98
Aansteker .................................. 99
Asbakken ................................... 99
Waarschuwingslampen, meters
en controlelampen .....................100
Instrumentengroep ..................100
Snelheidsmeter .......................101
Kilometerteller ......................... 101
Dagteller .................................. 101
Toerenteller ............................. 102
Brandstofmeter ........................102
Koelvloeistoftemperatuurme‐ ter ........................................... 103Peilsensor motorolie................103
Service-display ........................ 103
Controlelampen .......................104
Richtingaanwijzers ..................104
Gordelverklikker ......................105
Airbag en gordelspanners .......105
Airbag-deactivering .................106
Laadsysteem ........................... 106
Storingsindicatielamp ..............106
Service-indicatie ......................106
Schakel motor uit .....................106
Systeemcontrole ......................107
Rem- en koppelingssysteem ...107
Handrem .................................. 107
Elektrische handrem ................107
Elektrische handrem defect .....107
Antiblokkeersysteem (ABS) .....108
Schakelen ................................ 108
Overbelastingsindicator ...........108
Systeem voor gecontroleerde afdaling ................................... 108
Lane keep assist .....................108
Elektronische stabiliteitsregeling en Traction Control-systeem ..108
Koelvloeistoftemperatuur .........109
Voorverwarming ......................109
Uitlaatfilter ............................... 109
AdBlue ..................................... 109
Drukverliesdetectiesysteem ....109
Motoroliedruk ........................... 110Te laag brandstofpeil ...............110
Autostop .................................. 110
Rijverlichting ............................ 110
Groot licht ................................ 110
Dimlicht .................................... 110
Grootlichtassistentie ................111
LED-koplampen .......................111
Mistlampen voor ......................111
Mistachterlicht ......................... 111
Regensensor ........................... 111
Cruise control .......................... 111
Adaptieve cruise control ..........111
Voorligger gedetecteerd ..........111
Dodehoeksysteem ...................111
Actief noodstopsysteem ..........112
Snelheidsbegrenzer ................112
Portier open ............................. 112
Displays ..................................... 112
Driver Information Center ........112
Info-Display ............................. 115
Head-updisplay .......................116
Achteruitkijkscherm .................118
Boordinformatie ......................... 119
Geluidssignalen .......................119
Persoonlijke instellingen ............120
Telematicaservices ....................124
Opel Connect .......................... 124
Page 96 of 291
94Instrumenten en bedieningsorganenClaxon
j indrukken.
Wis- en wasinstallatie
voorruit
Voorruitwissers met verstelbaar
wisintervalHI:snelLO:langzaamINT:intervalwissenOFF:uit
Hendel omlaag in de stand 1x duwen
om wissers één slag te laten maken
wanneer de voorruitwisser uitgescha‐
keld is.
Niet inschakelen wanneer de voorruit bevroren is.
Uitschakelen in wasstraten.
Om de intervalwisfunctie te activeren
de volgende keer dat u het contact
inschakelt, moet u de hendel omlaag in de stand OFF duwen en terughalen
naar INT.
Instelbaar wisinterval
Wisserhendel in stand INT.
Draai aan het stelwiel om het gewen‐
ste wisinterval in te stellen.
Page 97 of 291

Instrumenten en bedieningsorganen95Voorruitwisser met regensensorHI:snelLO:langzaamAUTO:automatische wisfunctie
met regensensorOFF:uit
In de stand AUTO registreert de
regensensor de hoeveelheid neer‐ slag op de voorruit en stuurt automa‐
tisch de wissnelheid van de voorrui‐
twisser aan. Bij uitschakeling van het
contact wordt de automatisch
wisfunctie gedeactiveerd. Om de
automatische wisfunctie te activeren
de volgende keer dat u het contact
inschakelt, moet u de hendel omlaag
in de stand OFF duwen en terughalen
naar AUTO .
Hendel omlaag in de stand 1x duwen
om wissers één slag te laten maken
wanneer de voorruitwisser uitgescha‐ keld is.
Niet inschakelen wanneer de voorruit
bevroren is.
Uitschakelen in wasstraten.
Instelbare gevoeligheid van de
regensensor
Aan stelwiel draaien om de gevoelig‐
heid in te stellen.
Ga na of de sensor niet bedekt is
3 42, 3 10.
Controlelampje < 3 94.
Voorruitsproeiers
Hendel naar u toe trekken. Er wordt
sproeiervloeistof op de voorruit
gespoten en de ruitenwisser maakt enkele slagen.
Sproeiervloeistof 3 224.