
158
Nadat de auto na het remmen volledig tot stilstand is gekomen en de auto voor u vrijwel direct weer wegrijdt, zorgt het systeem er voor dat de auto
geleidelijk wegrijdt. De auto versnelt tot de ingestelde snelheid is bereikt en houdt hierbij de ingestelde veiligheidsafstand aan.
Als het voertuig langer dan 3 seconden stilstaat, drukt u, zodra de verkeersomstandigheden dit toelaten, gewoon op de toets 4 of trapt u het gaspedaal
in om weer weg te rijden. De auto versnelt geleidelijk tot de ingestelde snelheid is bereikt.
Als de auto blijft stilstaan, wordt na ca. vijf minuten automatisch de elektrische parkeerrem aangetrokken. De bestuurder moet dan het gaspedaal
intrappen om weer weg te rijden.
Na het afremmen van de auto waardoor deze tot stilstand is gebracht, zorgt het systeem dat de auto blijft stilstaan; de snelheidsregelaar wordt onderbroken.
De bestuurder moet het gaspedaal intrappen om weg te rijden en ver volgens het systeem heractiveren door toets 2 , 3 of 4 in te drukken. Als de bestuurder
geen actie onderneemt nadat de auto tot stilstand is gekomen, wordt na ongeveer 5 minuten automatisch de elektrische parkeerrem geactiveerd.
Met de automatische transmissie EAT8 – Stop & Go-functie.
Waarschuwings- resp.
verklikkerlampjeWeergave Bijbehorende meldingAanwijzingen
of
(g r o e n) Automatisch weer wegrijden van de auto binnen 3
seconden nadat de auto tot stilstand is gekomen (indien
de omstandigheden dit toelaten).
of
(g r o e n) Om weer weg te rijden: geef
gas of druk op de toets II
Handmatig weer wegrijden met bevestiging van de
bestuurder wanneer er meer dan 3 seconden zijn
verstreken nadat de auto tot stilstand is gebracht (indien
de omstandigheden dit toelaten): door op de knop 4 te
drukken of het gaspedaal in te trappen.
Rijden

161
Neem contact op met het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats alvorens
de voorbumper te spuiten of de lak er van bij
te werken. Bepaalde laksoorten kunnen de
werking van de radar beïnvloeden.
Storing
Als de snelheidsregelaar
storingen vertoont, worden
streepjes weergegeven in plaats
van de ingestelde snelheid van
de snelheidsregelaar.
Als dit lampje gaat branden
in combinatie met een
waarschuwingsmelding en
een geluidssignaal, is er een
storing in het systeem.
De adaptieve snelheidsregelaar wordt
automatisch uitgeschakeld nadat het
gebruik van het noodreser vewiel of een
storing van de buitenste remlichten of de
remlichten van de aanhanger (bij gebruik
van een goedgekeurde trekhaak) is
gedetecteerd.
Lane Keeping System
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats. Met behulp van een boven aan de voorruit
geplaatste camera identificeert het systeem
rijstrookmarkeringen en houdt het de auto in
de door de bestuurder gekozen positie op de
rijstrook.
Deze functie is vooral geschikt voor het rijden
op snelwegen en autowegen.
Dit systeem is een hulpmiddel voor de bestuurder
die desondanks altijd zijn aandacht op het verkeer
moet blijven vestigen en de snelheidslimieten en
veiligheidsafstanden in acht moet nemen.
Het systeem kan het gedrag van andere
voertuigen niet beoordelen. De bestuurder moet
daarom op elk moment weer de controle over
de auto kunnen overnemen door het stuur wiel
steeds met beide handen vast te houden en de
voeten bij het rempedaal en het gaspedaal te
houden.
De functie kan een verminderde waakzaamheid
door verslapping van de aandacht of
vermoeidheid niet compenseren. Het is raadzaam
om elke twee uur pauze te nemen.
Voorwaarden voor de
werking
- De adaptieve snelheidsregelaar met Stop &
Go-functie moet zijn ingeschakeld.
-
D
e auto moet op een rijstrook met duidelijke
markeringen aan weerszijden rijden.
-
H
et ESP-systeem moet in werkende staat zijn.
-
H
et ASR-systeem mag niet uitgeschakeld zijn.
-
E
r is geen aanhanger aangekoppeld.
-
E
r wordt geen noodreser vewiel gebruikt.
-
D
e auto mag niet worden blootgesteld aan
krachtige zijwaartse versnellingen.
-
D
e richtingaanwijzers mogen niet
ingeschakeld zijn.
Inschakelen/uitschakelen
De status van het systeem blijft na het afzetten
van het contact in het geheugen opgeslagen.
F Druk op deze toets wanneer de adaptieve snelheidsregelaar met de Stop & Go-functie is
geactiveerd.
6
Rijden

162
De kleur van het symbool hangt af van de
bedrijfsstatus van het systeem:(grijze kleur)
Er wordt niet aan alle
werkingsvoorwaarden voldaan, de
werking van de functie is onderbroken.
(groene kleur)
Er wordt aan alle
werkingsvoorwaarden voldaan, het
systeem is in werking.
(oranje kleur)
Er is een storing in het systeem.
Dit wordt bevestigd door:
- H et branden van het groene lampje van de toets.
-
D
e weergave van het volgende symbool op het
instrumentenpaneel.
Als de bestuurder geen gebruik meer wil maken
van het systeem, kan dit worden gedeactiveerd
door nogmaals op de toets te drukken.
Het lampje van de toets gaat uit en het symbool
op het instrumentenpaneel gaat uit.
Systeem in werking
De bestuurder moet het stuur wiel goed vasthouden.
Als het systeem in werking is, wordt het pictogram
groen weergegeven: het systeem bestuurt de auto
door middel van kleine stuurbewegingen en houdt
deze in de door de bestuurder gekozen positie op de
rijstrook. De bestuurder kan de bewegingen in het stuur wiel
voelen.
Deze positie hoeft niet het midden van de rijstrook
te zijn.
De bestuurder kan de positie van de auto te allen
tijde wijzigen door aan het stuur wiel te draaien. Als
de bestuurder van mening is dat de positie van de
auto correct is, moet hij, ter wijl hij het stuur wiel met
beide handen vasthoudt, minder kracht uitoefenen
op het stuur wiel zodat het systeem de besturing kan
overnemen. De auto gaat dan niet automatisch in
het midden van de rijstrook rijden.
Pauzeren/onderbreken van
het systeem
Indien dit op basis van de
verkeersomstandigheden of de staat
van de weg nodig is, moet de bestuurder
ingrijpen door aan het stuur wiel te draaien
om het systeem tijdelijk te pauzeren.
Het systeem wordt ook gepauzeerd als
het rempedaal wordt ingetrapt om de
snelheidsregelaar te pauzeren.
Als het systeem vaststelt dat de bestuurder
het stuur wiel niet voldoende stevig vast
heeft, geeft het een reeks waarschuwingen
die steeds dringender worden. Als de
bestuurder niet reageert, wordt de werking
van het systeem onderbroken.
Automatisch pauzeren:
-
I
ngrijpen van het ESP-systeem,
-
L
angere tijd geen detectie van een van de
rijstrookmarkeringen. In dit geval kan het
actieve Lane Departure Warning System
de taak overnemen. Het systeem wordt
automatisch weer geactiveerd als aan de
werkingsvoorwaarden wordt voldaan.
Door een actie van de bestuurder:
onderbreking
-
in
schakelen van de richtingaanwijzers,
-
o
verschrijden van de rijstrookmarkeringen,
-
t
e stevig vasthouden van het stuur wiel of
draaien aan het stuurwiel,
-
re
mpedaal (onderbreking tot de
snelheidsregelaar weer wordt ingeschakeld)
of gaspedaal ingetrapt (onderbreking tijdens
de periode dat het pedaal is ingetrapt).
-
pa
uzeren van de snelheidsregelaar,
-
u
itschakelen van de ASR-functie.
Nadat het systeem is onderbroken doordat
het stuur wiel te lang onvoldoende stevig
is vastgehouden, moet de bestuurder de
functie opnieuw activeren door op de toets
te drukken.
Rijden

166
Dit rijhulpsysteem heeft drie functies:
- D istance Alert (waarschuwing bij een
dreigende aanrijding),
-
I
ntelligente noodremassistentie,
-
A
ctive Safety Brake (automatisch
noodremsysteem).
De auto is voorzien van een multifunctionele
camera boven aan de voorruit en, afhankelijk
van de uitvoering, van een radar in de
vo o r b u m p e r. Dit systeem is ontwikkeld om de
bestuurder te ondersteunen en de
veiligheid te verbeteren.
De bestuurder moet zelf altijd het verkeer
in de gaten blijven houden en zich aan de
verkeersregels houden.
Ondanks de aanwezigheid van dit systeem
moet de bestuurder waakzaam blijven. Zodra het systeem een mogelijk obstakel
detecteert, wordt het remcircuit voorbereid
op een automatische remactie. Er kan dan
een zwak geluid hoorbaar zijn en mogelijk
lijkt de auto wat af te remmen.
Uitschakelen/inschakelen
Standaard wordt het systeem automatisch
ingeschakeld als de motor wordt gestart.
Dit systeem kan uit- of ingeschakeld
worden via het menu Rijden /Auto
van het touchscreen.
Het uitschakelen van het systeem
wordt aangegeven door het branden
van dit verklikkerlampje, in combinatie
met de weergave van een melding.
Werkingsvoorwaarden en
-beperkingen
Het ESP-systeem mag niet defect zijn.
Het ASR-systeem mag niet uitgeschakeld zijn.
Alle passagiersgordels moeten zijn
vastgemaakt.
De auto moet met een gestabiliseerde snelheid
op een weinig bochtige weg rijden. Het systeem werkt in de volgende situaties
mogelijk minder goed of helemaal niet:
-
s
lecht zicht (slecht verlichte weg,
sneeuwval, zware regenval, dichte mist
e n z .),
-
v
erblinding (koplampen van
tegenliggers, laagstaande zon,
reflecties op nat wegdek, uitrijden van
een tunnel, snelle overgangen tussen
schaduw en licht enz.),
-
d
e camera of de radar is bedekt met
modder, ijs, sneeuw, condensatie, enz.
Op uitvoeringen met alleen een camera,
geeft deze melding aan dat de camera
is afgedekt: " Camera rijhulpsystemen:
beperkt zicht, zie handleiding ".
Onder deze omstandigheden werkt het
detectiesysteem mogelijk minder goed.
Reinig de voorruit, met name het gedeelte
vóór de camera, regelmatig.
De binnenkant van de voorruit kan ook
beslaan ter hoogte van de camera. Bij
vochtige en koude weersomstandigheden
moet u de voorruit regelmatig
ontwasemen.
Laat geen sneeuw op de motorkap of op
het dak liggen, omdat de detectiecamera
erdoor kan worden afgedekt.
Ver wijder modder, sneeuw enz. van de
voorbumper vooral in de buurt van de
radar.
Rijden

171
Actief Lane Departure
Warning System
Het systeem detecteert met behulp van een
camera aan de bovenzijde van de voorruit
rijstrookmarkeringen en bermranden van
de weg (afhankelijk van de uitvoering)
en corrigeert de koers van de auto door
de bestuurder te waarschuwen zodra
overschrijding van de rijstrookmarkering of
bermrand dreigt (afhankelijk van de uitvoering).
Dit systeem is met name nuttig op snelwegen
en autowegen.
Voorwaarden voor de
werking
De snelheid van de auto moet liggen tussen 65
km/h en 180 km/h.
De bestuurder moet beide handen aan het
stuurwiel houden.
De koersafwijking moet plaatsvinden zonder
dat de richtingaanwijzers worden ingeschakeld.
Het ESP-systeem moet ingeschakeld en
storingsvrij zijn.Dit systeem is een hulpmiddel voor de
bestuurder die echter te allen tijde zijn
aandacht op het verkeer moet blijven
vestigen. De bestuurder behoudt onder alle
omstandigheden de controle over de auto.
Het systeem assisteert de bestuurder
uitsluitend als de auto ongewild de rijstrook
dreigt te verlaten. Het systeem heeft geen
invloed op de afstand tot de voorligger, de
snelheid en de remwerking.
De bestuurder moet altijd beide handen
aan het stuur wiel houden zodat hij kan
ingrijpen zodra het systeem dit niet meer
kan (bijvoorbeeld wanneer er geen
rijstrookmarkeringen meer op de weg zijn
aangebracht).
Zorg er voor dat u de verkeersregels in
acht neemt en iedere twee uur een pauze
neemt.
Werking
Zodra het systeem signaleert dat ongewild een
van de gedetecteerde rijstrookmarkeringen of
bermranden van de weg overschreden dreigt te
worden, corrigeert het de koers van de auto tot
de auto weer netjes de rijstrook volgt.
De bestuurder kan daarbij merken dat het
stuurwiel wordt verdraaid.
Dit lampje knippert gedurende de
koerscorrectie. Als de bestuurder niet wil dat de koers
wordt gecorrigeerd, kan hij de correctie
verhinderen door het stuurwiel stevig
vast te houden (bijvoorbeeld bij een
uitwijkmanoeuvre).
De correctie wordt onderbroken zodra de
richtingaanwijzers worden ingeschakeld.
Zolang de richtingaanwijzers zijn ingeschakeld
en gedurende enkele seconden nadat ze zijn
uitgeschakeld, beschouwt het systeem elke
afwijking van de koers als vrijwillig en zal het
geen correcties uitvoeren.
Wanneer echter het dodehoekbewaking is
ingeschakeld en de bestuurder van rijstrook
gaat wisselen terwijl een ander voertuig in
de dode hoek wordt gesignaleerd, zal het
systeem ondanks het inschakelen van de
richtingaanwijzers toch een koerscorrectie
uitvoeren.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over het dodehoekbewaking .
6
Rijden

173
Status van
de functieLampjeWeergave en/of
bijbehorend bericht Aanwijzingen
AAN
(g r o e n)Rijstrookmarkering gedetecteerd.
Snelheid hoger dan 65 km/h.
AAN (oranje)/(groen)Het systeem corrigeert de koers op
basis van de zijde van de rijstrook
die
overschreden dreigt te worden
(oranje lijn).
AAN
(oranje)/(groen)
"Neem de controle over de
auto over".-
A
ls het systeem tijdens de correctie
detecteert dat de bestuurder
het stuurwiel enkele seconden
heeft losgelaten, onderbreekt
het systeem de correctie om de
besturing weer over te laten aan de
bestuurder.
-
A
ls het systeem tijdens de
correctie vaststelt dat de
correctie onvoldoende zal zijn
om het overschrijden van de
rijstrookmarkering (oranje lijn) te
voorkomen, wordt de bestuurder
gewaarschuwd dat hij de
koerscorrectie moet voltooien.Werkingslimieten
Het systeem gaat in de volgende gevallen
automatisch over in de wachtstand:
-
h
et ESP is uitgeschakeld of bezig met een
ingreep,
-
s
nelheid lager dan 65 km/h of hoger dan
180 km/h,
-
a
anhanger aangekoppeld,
-
d
etectie van het gebruik van een
noodreser vewiel (dit wordt niet onmiddellijk
gedetecteerd, daarom is het raadzaam de
functie in dat geval uit te schakelen),
-
d
etectie van sportief rijgedrag, intrappen
van het rempedaal of gaspedaal,
-
e
r wordt gereden op een weg zonder
wegmarkeringen,
-
d
e richtingaanwijzers zijn ingeschakeld,
-
i
n een bocht wordt de binnenste
rijstrookmarkering overschreden,
-
i
n een scherpe bocht,
-
w
anneer de bestuurder niet reageert op een
correctie.
6
Rijden

180
Dit systeem dient ter ondersteuning van
de bestuurder die zelf echter altijd attent
moet blijven.
De door de camera('s) geproduceerde
beelden kunnen door het reliëf worden
ver vormd.
Bij zonnig weer of onvoldoende omgevingslicht
kunnen er schaduwzones ontstaan; het beeld
is dan donkerder en minder contrastrijk.
Aanbevelingen over
onderhoud
Zorg er bij slecht of winters weer voor dat de
sensoren en camera's niet bedekt raken met
modder, ijs of sneeuw.
Controleer geregeld of de lenzen van de
camera's schoon zijn.
Reinig de camera's indien nodig met een
zachte en droge doek.
Houd tijdens het wassen van de auto het
uiteinde van de hogedrukspuit op minimaal
30
centimeter van de camera's en sensoren.
Visiopark 1
Beeld van de camera achter
De bij de kentekenplaatverlichting
gemonteerde camera achter is actief als de
achteruitversnelling is ingeschakeld en de
snelheid niet hoger is dan 10 km/h.
De functie wordt uitgeschakeld:
-
a
utomatisch, als de snelheid hoger wordt
dan ongeveer 10
km/h,
-
a
utomatisch, als de achterklep wordt
geopend,
-
a
ls uit de achteruitversnelling wordt
geschakeld (het beeld wordt dan nog
7
seconden weergegeven),
-
a
ls op het rode kruis in de linkerbovenhoek
van het touchscreen wordt gedrukt.
Standaardweergave
Het gebied achter de auto wordt weergegeven
op het scherm.
De blauwe lijnen 1 geven de breedte van
de auto weer met uitgeklapte spiegels; ze
verplaatsen zich afhankelijk van de stand van
het stuurwiel.
De rode lijn 2 geeft een afstand van 30 cm
vanaf de achterbumper weer; de twee blauwe
lijnen 3 en 4 een afstand van respectievelijk 1
en 2 meter.
Deze weergave is beschikbaar in de stand
AUTO of door deze te selecteren in het menu
voor het veranderen van de weergave.
Rijden

183
Ingezoomde weergave
De obstakels kunnen verder weg lijken
dan ze in werkelijkheid zijn.
Tijdens het manoeuvreren moet u met de
buitenspiegels de zijkanten van de auto in
de gaten houden.
De parkeerhulp voor en achter geeft
bovendien extra informatie over de
omgeving van de auto.
Stand AUTO
De rode lijn 2 geeft een afstand van 30 cm
vanaf de voorbumper weer; de twee blauwe
lijnen 3 en 4 een afstand van respectievelijk 1
en 2 meter.
Deze weergave is beschikbaar in de stand
AUTO of door deze te selecteren in het menu
voor het veranderen van de weergave.
De camera registreert de omgeving tijdens het
manoeuvreren om een samengesteld beeld
van bovenaf van de voorzijde van de auto en
van zijn nabije omgeving te creëren zodat de
obstakels rondom de auto goed zichtbaar zijn.
Deze weergave is beschikbaar in de stand
AUTO of door deze te selecteren in het menu
voor het veranderen van de weergave.Deze stand is standaard geactiveerd.
Als een obstakel wordt genaderd, wordt dankzij
de sensoren in de voorbumper automatisch
overgeschakeld van de weergave van de
omgeving vóór de auto (standaard) naar de
weergave van het beeld van bovenaf van de
auto (zoom).180°-weergave
Wanneer u vooruitrijdend een parkeerplaats
verlaat, kunt u dankzij de 180°-weergave
voertuigen, voetgangers of fietsers zien
aankomen.
Het is raadzaam deze weergave niet tijdens de
gehele manoeuvre te gebruiken.
De weergave heeft drie zones: links A
, centraal
B en rechts C .
Deze weergave is alleen beschikbaar door
deze te selecteren in het menu voor het
veranderen van de weergave.
6
Rijden