
83
Aanbrengen
F Plaats het linker uiteinde van het oprolmechanisme in de uitsparing 1 achter
de stoel linksachter.
F
D
uw de knop B naar binnen en bevestig het
oprolmechanisme in de uitsparing 2 rechts.
F
L
aat de knop los om het
bagageafdekscherm te bevestigen.
F
R
ol het bagageafdekscherm uit tot het kan
worden vastgezet aan de achterstijlen.
Bagagenet voor hoge
belading
(SW)
Het biedt bescherming voor de inzittenden
bij zeer krachtig afremmen.
Zitrij 1
F Klap de achterbank neer.
F V erwijder de hoofdsteunen van de achterbank.
F
P
laats de oprolautomaat van het net boven
de twee rails (op de achterzijde van de
neergeklapte achterbank).
F
S
chuif de twee rails B in de uitsparingen A en
druk de oprolautomaat van links naar rechts om
deze te blokkeren.
F
R
ol het net voor hoge belading uit zonder het
strak te spannen.
F
P
laats een van de uiteinden van de metalen
stang van het net in de desbetreffende bovenste
bevestiging 1.
F
D
ruk de metalen stang van het net in en trek
hem vervolgens omhoog om het andere uiteinde
in de andere bovenste bevestiging 1 te plaatsen.
F
C
ontroleer of het net goed is bevestigd en
gespannen.
Dit vaste net, dat aan de specifieke bovenste
en onderste bevestigingen wordt vastgemaakt,
zorgt er voor dat de auto tot aan het dak kan
worden beladen:
-
a
chter de voorstoelen (1e zitrij) wanneer de
achterbank is neergeklapt,
-
a
chter de achterbank (2e zitrij) wanneer de
bagageafdekking is verwijderd.
Bij een noodstop of een aanrijding kunnen op
het bagageafdekscherm geplaatste voorwerpen
veranderen in gevaarlijke projectielen.
Laat de achterbank altijd neergeklapt wanneer
de oprolautomaat van het net op de rugleuning
van de neergeklapte achterbank is bevestigd.
3
Ergonomie en comfort

84
Zitrij 2
F Rol de bagageafdekking op en ver wijder deze vervolgens.
F
K
lap de achterbank neer.
F
P
laats het linker uiteinde van de
oprolautomaat van het net in de zijsteun 3
vanuit de linkerzijde van het interieur.
F
P
laats het rechter uiteinde van de
oprolautomaat van het net in de zijsteun 4
vanuit de rechterzijde van het interieur.
F
D
ruk op beide zijden om de oprolautomaat
vast te zetten; de rode indicators mogen niet
zichtbaar zijn.
F
R
ol het net vanuit de bagageruimte uit.
F
P
laats een van de uiteinden van de metalen
stang van het net in de desbetreffende
bovenste bevestiging 2 .
F
T
rek aan de metalen stang van het net om
het andere uiteinde in de andere bovenste
bevestiging 2 te plaatsen.
12V-aansluiting
F Aansluiten van een 12V-apparaat (max. vermogen: 120 W): ver wijder het kapje en
sluit een geschikte adapter aan.
F
Z
et het contact aan.
Het aansluiten van elektrische apparatuur
die niet door PEUGEOT is goedgekeurd,
zoals een lader met USB-aansluitingen,
kan leiden tot storingen in de werking
van de elektrische componenten van de
auto, zoals een slechte radio-ontvangst of
storingen in de weergave van de displays.
Sjorogen
Berline
Verplaatsen van een van de verplaatsbare sjorogen:
F H oud de knop ingedrukt en verschuif het sjoroog
in de rail.
F
L
aat de knop los om het sjoroog te vergrendelen
wanneer dit zich in de gewenste positie bevindt.
F Controleer of het net goed is bevestigd en gespannen.
F
Z
et de achterbankleuningen rechtop en
vergrendel ze.
SW
De bagageruimte heeft vier sjorogen om de
bagage met verschillende typen bagagenetten
te bevestigen.
Bij de SW zijn twee van de sjorogen op een
vaste positie bevestigd en zijn de twee andere
sjorogen verplaatsbaar in rails.
Neem voor meer informatie over de diverse
netten contact op met het PEUGEOT-netwerk.
Ergonomie en comfort

93
De modus "Night Vision" van het
instrumentenpaneel moet geactiveerd zijn om
het beeld van de infraroodcamera permanent te
kunnen weergeven.
De permanente weergave verdwijnt nadat het
contract wordt afgezet of als er niet aan de
voorwaarden wordt voldaan.
Werking
De functie kan worden geactiveerd/
gedeactiveerd in het menu Rijden/
Auto van het touchscreen.
Als aan alle werkingsvoorwaarden
is voldaan, gaat dit lampje groen
branden: de weergave op het
instrumentenpaneel (indien de
modus "Night Vision" is geselecteerd)
en de activering van waarschuwingen
zijn beschikbaar.
Als aan bepaalde werkingsvoorwaarden
(snelheid of temperatuur) niet wordt
voldaan, gaat het lampje oranje
branden: alleen de weergave op het
instrumentenpaneel is beschikbaar
(in
de modus "Night Vision").
Zolang het omgevingslicht te sterk is of
het dimlicht niet is ingeschakeld, zijn de
waarschuwingen niet beschikbaar.
Het camerabeeld wordt in grijstinten op het
instrumentenpaneel weergegeven, waarbij
warme objecten lichter zijn dan koude objecten.
Wanneer voetgangers of dieren worden
gedetecteerd, worden ze in een geel kader
weergegeven.
Wanneer het systeem de kans op
een aanrijding met een voetganger
of een dier detecteert, geeft
het een waarschuwing: op het
instrumentenpaneel wordt een van
deze symbolen weergegeven. Het
betreffende silhouet wordt rood
omkaderd.
Als de modus "Night Vision" niet is geselecteerd,
verschijnt de waarschuwing in een pop-upvenster.
In het geval van een waarschuwing kan
de bestuurder direct ingrijpen via een
uitwijkmanoeuvre of door te remmen.
Werkingslimieten
Het systeem werkt in de volgende situaties
mogelijk minder goed of helemaal niet:
-
a
ls het zicht slecht is (bij sneeuwval, zware
regenval of dichte mist),
-
a
ls de camera wordt bedekt door sneeuw,
modder of stof,
-
a
ls de camera bekrast is door het
herhaaldelijk wassen van de auto in een
wasstraat met roterende borstels,
-
b
ij een zeer hoge buitentemperatuur,
-
a
an de top of de voet van een steile helling.
-
o
p zeer bochtige wegen,
-
i
n een bocht,
-
n
a een aanrijding, waardoor de instellingen
van de camera verstoord zijn of de camera
beschadigd is.
-
a
ls de grille opnieuw gespoten is, maar
niet door het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
4
Verlichting en zicht

95
De ruitensproeiers zijn in de uiteinden van elke
ruitenwisserarm geïntegreerd.
Er zijn extra sproeiers onder het centrale punt
van elke ruitenwisserarm aangebracht.
De ruitensproeier vloeistof wordt over de
gehele lengte van het ruitenwisserblad op de
voorruit gesproeid. Dit zorgt voor beter zicht en
een lager verbruik van ruitensproeiervloeistof.
In sommige gevallen, afhankelijk van de
samenstelling of kleur van de vloeistof en het
omgevingslicht is het sproeien van de vloeistof
nauwelijks merkbaar.
Bedien de ruitensproeiers niet als het
reservoir van de ruitensproeiervloeistof
leeg is; kans op beschadiging van
de ruitenwisserbladen. Bedien de
ruitensproeiers alleen als er geen risico
is van bevriezing van de vloeistof op de
voorruit; hierdoor zou het zicht namelijk
kunnen afnemen. Gebruik 's winters altijd
producten die voldoende tegen vorst
beschermd zijn. Vul nooit bij met water.
Ruitenwisser achter (SW)
Draai voor selectie van de ruitenwisser achter
de ring tot het gewenste symbool tegenover de
markering staat.Uit.
Interval.
Sproeien en wissen.
Ruitensproeier achter
Wanneer de ruitensproeiers stoppen, wissen
de ruitenwissers nog één keer.
F
D
raai de ring in de richting van het
dashboard.
De ruitensproeiers en ruitenwissers werken
zolang de ring wordt gedraaid.
Wanneer de ruitensproeiers stoppen, wissen
de ruitenwissers nog één keer.
Achteruitversnelling
Als de ruitenwissers vóór zijn geactiveerd op het
moment dat u de achteruitversnelling inschakelt,
treedt ook de ruitenwisser achter in werking. Deze functie kan geactiveerd of
gedeactiveerd worden via het menu
Rijden/Auto
van het touchscreen.
Deze functie is standaard geactiveerd.
Schakel de automatische werking van de
ruitenwisser achter uit bij sneeuwval, strenge
vorst of als een fietsendrager op de trekhaak
is bevestigd. Dit kan worden uitgevoerd via
het menu Rijden/Auto van het touchscreen.
Speciale stand van de
ruitenwissers vóór
In deze stand kunnen de ruitenwisserbladen
worden gereinigd of ver vangen. De stand kan
tevens 's winters (ijs, sneeuw) worden gebruikt
om de ruitenwisserbladen los te zetten van de
voorruit.
Om een goede werking van de
ruitenwisserbladen te behouden adviseren
wij u:
-
e
r voorzichtig mee om te gaan,
-
z
e regelmatig te reinigen met zeepsop,
-
z
e niet te gebruiken om een stuk
karton tegen de voorruit te houden,
-
z
e te ver vangen zodra ze tekenen van
slijtage vertonen.
4
Verlichting en zicht

99
Automatisch inschakelen
van de alarmknipperlichten
Bij een noodstop schakelen de alarmknipperlichten,
afhankelijk van de remvertraging die optreedt,
automatisch in. De alarmknipperlichten blijven
knipperen totdat er opnieuw gas wordt gegeven.
U kunt de alarmknipperlichten echter ook
uitschakelen door de knop op het dashboard in te
drukken.
Claxon
F Druk op het middelste gedeelte van het stuur met bedieningstoetsen.
Noodoproep of
pechhulpoproep
Peugeot Connect SOS** Afhankelijk van de geografische dekking van de functie "Peugeot Connect SOS" en de functie
"Peugeot Connect Assistance" en van de officiële
landstaal die door de eigenaar van de auto is
gekozen.
De lijst van de landen waar het systeem werkzaam
i
s en de lijst van beschikbare PEUGEOT
CONNECT-diensten kunt u bij uw verkooppunt
opvragen of op de website voor uw land bekijken.
Druk in geval van nood langer
dan 2 seconden op deze toets.
Het knipperen van de LED
en het
gesproken bericht
bevestigen dat de oproep is
verstuurd naar
de alarmcentrale
"Peugeot
Connect SOS"*.
Door nogmaals op deze knop te drukken wordt
de oproep geannuleerd en gaat de LED uit.
De LED blijft branden (zonder te knipperen)
wanneer de verbinding tot stand is gebracht.
Aan het einde van het gesprek gaat het lampje uit.
* In overeenstemming met de algemene gebruiksvoor waarden, die u bij uw
verkooppunt kunt opvragen, en de
technische beperkingen van het systeem
"Peugeot Connect SOS" lokaliseert onmiddellijk
uw auto, spreekt u toe in uw landstaal** en
roept indien nodig de hulp in van de bevoegde
hulpdiensten**. In landen waar de alarmcentrale
niet operationeel is of wanneer de lokalisatie
uitdrukkelijk is geweigerd, wordt de oproep Als onafhankelijk van de activering van
de airbags een aanrijding is gedetecteerd
door de airbagregeleenheid, wordt
automatisch een noodoproep verzonden.
Werking van het systeem
Bij het aanzetten van het contact gaat het lampje
3 seconden branden. Dit duidt op een goede
werking van het systeem.
Het lampje blijft rood branden: er is een storing
in het systeem.
Het lampje knippert rood: de noodbatterij moet
worden vervangen.
In beide gevallen is het mogelijk dat de
noodoproep of pechhulpoproep niet meer werkt.
Neem zo snel mogelijk contact op met een
gekwalificeerde werkplaats. meteen doorgestuurd naar de hulpdiensten
(112), zonder lokalisatie van de auto.
5
Veiligheid

100
Bij een storing in het systeem kan er wel
met de auto worden gereden.
Peugeot Connect
Assistance
** Afhankelijk van de geografische dekking van de functie "Peugeot Connect SOS" en
de functie "Peugeot Connect Assistance",
en van de officiële landstaal die door de
eigenaar van de auto is gekozen.
De lijst van de landen waar het systeem
werkzaam is en de lijst van beschikbare
PEUGEOT CONNECT-diensten kunt u bij uw
verkooppunt opvragen of op de website voor
uw land bekijken. Druk langer dan 2 seconden op
deze toets voor het aanvragen
van hulp bij het stranden van de
auto.
Een gesproken bericht bevestigt dat de oproep
is verstuurd**.
Geolokalisatie
U kunt de geolokalisatie weer inschakelen door
gelijktijdig op de toetsen "Peugeot Connect SOS"
en "Peugeot Connect Assistance" te drukken
en ver volgens op de toets "Peugeot Connect
Assistance" te drukken om te bevestigen. Wanneer u uw auto buiten het PEUGEOT-
netwerk hebt gekocht, raden wij u aan de
aanwezigheid van deze diensten bij het
netwerk te laten controleren en eventueel
configureren. In een meertalig land kunt
u het systeem laten configureren in de
officiële landstaal van uw voorkeur.
Om technische redenen, zoals het
verbeteren van de PEUGEOT CONNECT-
diensten voor de klant, behoudt de
fabrikant zich het recht voor om op elk
willekeurig moment het telematicasysteem
in de auto te wijzigen. Indien u gebruikmaakt van de dienst
Peugeot Connect Packs met SOS-pakket
en pechhulpser vice, beschikt u over
aanvullende diensten via uw persoonlijke
pagina op de landelijke website.
Door deze toets meteen opnieuw in te drukken,
wordt de oproep geannuleerd.
Dit wordt bevestigd door een gesproken bericht.
Elektronisch
stabiliteitsprogramma (ESP)
Begrippen
U kunt de geolokalisatie uitschakelen door
gelijktijdig op de toetsen "Peugeot Connect SOS"
en "Peugeot Connect Assistance" te drukken
en ver volgens op de toets "Peugeot Connect
Assistance" te drukken om te bevestigen. Het elektronische stabiliteitsprogramma (ESP)
omvat de volgende systemen:
-
A
ntiblokkeersysteem (ABS) en
elektronische remdrukregelaar (EBD).
-
N
oodremassistentie (BAS).
-
A
ntispinregeling (ASR).
-
D
ynamische stabiliteitscontrole (DSC).
-
A
anhangerstabiliteitscontrole (TSA)
Antiblokkeersysteem (ABS) en
elektronische remdrukregelaar
(EBD)
Deze systemen zorgen tijdens het remmen
voor een betere stabiliteit en bestuurbaarheid
van uw auto en voor een betere controle in
bochten, vooral op een slecht of glad wegdek.
Het ABS voorkomt het blokkeren van de wielen
in het geval van een noodstop.
De EBD verdeelt de remdruk over de wielen.
Veiligheid

102
U kunt het systeem uitschakelen
via het menu Rijden/Auto van het
touchscreen.
Ter bevestiging licht dit lampje op het
instrumentenpaneel op en wordt er
een melding weergegeven.
Opnieuw inschakelen
Het ASR-systeem wordt automatisch weer
ingeschakeld als het contact opnieuw wordt
aangezet of als een snelheid van 50
km/h
wordt bereikt.
Bij snelheden tot 50
km/h kunt u het systeem
handmatig weer inschakelen.
U kunt het systeem inschakelen
via het menu Rijden/Auto van het
touchscreen.
Ter bevestiging gaat dit lampje op
het instrumentenpaneel uit en er
verschijnt een melding.
Storing
Als dit verklikkerlampje gaat
branden in combinatie met een
melding en een geluidssignaal, duidt
dit op een storing in het systeem. ASR/DSC
Deze systemen zorgen voor meer
veiligheid tijdens het rijden. De bestuurder
mag zich echter nooit laten verleiden tot
het nemen van meer risico's of te hard
rijden.
In situaties die tot gladheid kunnen
leiden (regen, sneeuw, ijzel) wordt de
kans dat de wielen hun grip verliezen
groter. Het is voor uw veiligheid dus van
het grootste belang dat de systemen
altijd ingeschakeld zijn, zeker als de
omstandigheden gevaarlijker worden.
De goede werking van deze systemen
wordt verzekerd door de naleving van
de voorschriften van de fabrikant met
betrekking tot de wielen (banden en
velgen), onderdelen van het remsysteem,
elektronische onderdelen alsmede van
de montageprocedures die door het
PEUGEOT-netwerk worden toegepast.
Voor een maximale effectiviteit van deze
systemen onder winterse omstandigheden
adviseren wij u winterbanden te
gebruiken.
Zorg er dan voor dat alle vier de
wielen zijn voorzien van hetzelfde
type winterband dat voor uw auto is
gehomologeerd.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om de systemen te
laten controleren.
Aanhangerstabiliteits-
controle (TSA)
Bij het trekken van een aanhanger vermindert
dit systeem de kans op slingeren van de auto
en de aanhanger.
Werking
Het systeem wordt automatisch ingeschakeld
als het contact wordt aangezet.
Het elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)
moet storingsvrij zijn.
Dit systeem, dat werkt tussen 60 km/h en
160 km/h, grijpt, zodra het detecteert dat de
aanhanger begint te slingeren, in op de remmen
om de aanhanger te stabiliseren, waarbij het
systeem indien nodig het motorvermogen
vermindert om de auto te vertragen.
De ingreep wordt gesignaleerd door
het knipperen van dit verklikkerlampje
op het instrumentenpaneel en het
branden van de remlichten.
Raadpleeg voor de gewichten en
aanhangergewichten de rubriek "Technische
gegevens" of het kentekenbewijs van uw auto.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer veiligheid tijdens het rijden met een
trekhaaksysteem .
Veiligheid

103
Storing
Als een storing in het systeem optreedt,
gaat dit lampje branden op het
instrumentenpaneel in combinatie met
een melding en een geluidssignaal.
Wanneer u in dat geval verder rijdt met de
aanhanger, verminder dan u snelheid en rijd
voorzichtig!
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om het systeem te
laten controleren.De aanhangerstabiliteitscontrole
vergroot de veiligheid onder normale
rijomstandigheden en wanneer de
adviezen met betrekking tot het rijden
met een aanhanger in acht worden
genomen. Het systeem mag de
bestuurder niet verleiden tot het nemen
van extra risico's bij het trekken van
een aanhanger (overbelading, onjuiste
kogeldruk, versleten banden of een te lage
bandenspanning, versleten remmen enz.)
of het rijden met een te hoge snelheid (in
Nederland max. 90 km/h).
In bepaalde gevallen kan het slingeren
van de aanhanger niet worden
gedetecteerd door het ESP-systeem,
met name bij het trekken van een lichte
aanhanger.
Bij het rijden op een glad of slecht wegdek
kan het systeem niet voorkomen dat de
aanhanger slingert of uitbreekt.
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordels vóór
De veiligheidsgordels vóór zijn voorzien van
een pyrotechnische gordelspanner en een
spankrachtbegrenzer.
Deze systemen zorgen voor extra
bescherming van de bestuurder en passagier
bij frontale en zijdelingse aanrijdingen.
Bij een krachtige aanrijding zorgen de
pyrotechnische gordelspanners er voor dat de
veiligheidsgordels stevig tegen de lichamen
van de inzittenden worden getrokken.
De pyrotechnische gordelspanners zijn actief
zodra het contact wordt aangezet.
De spankrachtbegrenzer beperkt de kracht
waarmee de gordel tegen het lichaam van
de inzittenden getrokken wordt en bevordert
daarmee de veiligheid.
Vast maken
F Trek aan de gordel en steek de gesp in de gordelsluiting.
Losmaken
F Druk op de rode knop van de gordelsluiting.
F H oud de gordel vast ter wijl deze zich oprolt.
Veiligheidsgordels achter
F Controleer of de gordel goed is vastgemaakt door even aan de riem te trekken.
Iedere zitplaats achter heeft een driepunts
veiligheidsgordel met een oprolautomaat.
De veiligheidsgordels van de buitenste
zitplaatsen zijn voorzien van een
gordelspanner en een spankrachtbegrenzer.
Wanneer u zware voor werpen in de
bagageruimte vervoert, moeten de
veiligheidsgordels van de achterzitplaatsen zijn
vastgemaakt.
5
Veiligheid