
Infotainmentsysteem127Selecteer de gewenste zender.
Categorieën
Tal van radiozenders zenden een
PTY-code uit die het uitgezonden
programmatype aangeeft (bijv.
nieuws). Sommige zenders wijzigen
afhankelijk van de inhoud die op dat
moment wordt uitgezonden ook de
PTY-code.
Het Infotainmentsysteem slaat deze
zenders, gesorteerd op programma‐
type, in de desbetreffende categorie‐
lijst op.
Let op
De lijstoptie voor categorieën is
alleen beschikbaar voor de FM- en
DAB-golfband.
Selecteer Menu en vervolgens het
tabblad Zoek naar audio om naar een
zender van een bepaald programma‐ type te zoeken. Selecteer FM-
categorieën of DAB-categorieën .
Er verschijnt een lijst met momenteel beschikbare programmatypes.Selecteer het gewenste programma‐
type. Er verschijnt een lijst met
zenders die een programma van het
geselecteerde type uitzenden.
Selecteer de gewenste zender.
Zenderlijsten bijwerken
Als de zenders in de golfbereik-speci‐
fieke zenderlijst niet meer worden
ontvangen, moeten de zenderlijsten worden bijgewerkt.
Selecteer Menu gevolgd door het
tabblad Zoek naar audio . Selecteer
afhankelijk van het frequentiebereik
FM-stations bijwerken , DAB-stations
bijwerken of AM-stations bijwerken .
Let op
Bij het bijwerken van een lijst van
een zender op een specifiek
frequentiebereik wordt de overeen‐
komstige categorielijst ook bijge‐
werkt.
Het toestel zoekt naar zenders en er verschijnt een bijbehorend bericht.Na het zoeken verschijnt de betref‐
fende zenderlijst.Favorieten
U kunt favoriete audiobronnen hand‐
matig in de favorietenlijst opslaan. In
de favorietenlijst kunnen maximaal
15 favorieten worden opgeslagen.
Een zender opslaan
Activeer de gewenste golfband en
zender.
Activeer het tabblad < om de favor‐
ietenlijst weer te geven. Houd het
item op de lijst enkele seconden inge‐ drukt. De huidige actieve frequentie
of zender wordt als lijstitem opgesla‐
gen.

128InfotainmentsysteemU kunt ook t op het scherm of in een
lijst selecteren. De favoriet wordt
opgeslagen en de schermtoets
verandert in s.
U verwijdert een zender door het
betreffende lijstitem naar rechts te
schuiven. De favoriet wordt uit de
favorietenlijst verwijderd.
Of tik op s. De favoriet wordt uit de
lijst verwijderd en de schermtoets
verandert in t.
Zenders ophalen
Activeer het tabblad < om de favor‐
ietenlijst weer te geven.
Selecteer op het scherm de voorkeu‐ zeknop waaronder de gewenste radi‐ozender opgeslagen is.
Radio Data System (RDS) Is een dienst voor FM-zenders die
ervoor zorgt dat de gewenste zender aanzienlijk sneller wordt gevonden en
zonder problemen wordt ontvangen.Voordelen van RDS
● Op het display verschijnt de programmanaam van de zender
in plaats van de frequentie.
● Tijdens het zoeken naar zenders
stemt het infotainmentsysteem
alleen af op RDS-zenders.
● Het infotainmentsysteem stemt altijd af op de zendfrequentie van
de ingestelde zender met de
beste ontvangst via AF (alterna‐
tieve frequentie).
● Afhankelijk van de ontvangen zender geeft het infotainment‐
systeem radioteksten weer met
bijv. informatie over het actuele
programma.
RDS-configuratie De RDS-functies kunnen worden
gebruikt wanneer RDS is geacti‐
veerd.
Activeer de FM-golfband. Selecteer Menu om het betreffende golfband‐
specifieke submenu te openen en
selecteer het tabblad Audio instelling.
Activeer of deactiveer RDS.
Verkeersinformatie Verkeersinformatiezenders zijn RDS-
zenders die verkeersinformatie
uitzenden. Als verkeersinformatie is
ingeschakeld, wordt de actieve audi‐
obron voor de duur van het verkeers‐ bericht onderbroken.
Activeer de FM-golfband. Selecteer Menu om het betreffende golfband‐
specifieke submenu te openen.
Druk op de schermtoets naast
Verkeersprogramma om de functie te
activeren of deactiveren.

Infotainmentsysteem129Als er een verkeersbericht op de
betreffende zender wordt uitgezon‐
den, verschijnt er een bericht.
Druk op het scherm of druk op m om
de melding te onderbreken en naar de laatst geactiveerde functie te
gaan.
Regio-instelling
Soms zenden RDS-zenders regio‐
naal verschillende programma's op
verschillende frequenties uit.
Als de regio-instelling geactiveerd is,
worden er zo nodig andere frequen‐
ties met dezelfde regionale program‐
ma's geselecteerd. Is de regio-instel‐
ling uitgeschakeld, worden alterna‐
tieve frequenties voor de zenders
geselecteerd zonder rekening te
houden met regionale programma's.
Activeer de FM-golfband. Selecteer
Menu om het betreffende golfband‐
specifieke submenu te openen en
selecteer het tabblad Audio instelling.
Activeer of deactiveer Regionaal.
Digital Audio Broadcasting
DAB zendt radiozenders digitaal uit.DAB-zenders worden aangeduid met de programmanaam i.p.v. met de
zendfrequentie.
Algemene informatie ● Met DAB kunnen verschillende programma's (diensten) op
dezelfde frequentie worden
uitgezonden (ensemble).
● Naast hoogwaardige diensten voor digitale audio is DAB ook in
staat om programmagerela‐
teerde gegevens en een veelheid aan andere dataservices uit te
zenden, inclusief reis - en
verkeersinformatie.
● Zolang een bepaalde DAB- ontvanger een signaal van een
zender op kan vangen (ook al is
het signaal erg zwak), is de
geluidsweergave gewaarborgd.
● Bij een slechte ontvangst wordt het volume automatisch lager
gezet om onaangename gelui‐
den te voorkomen.
Als het DAB-signaal te zwak is
om door de radio te worden
opgevangen, wordt de weergave
geheel onderbroken. Ditprobleem kan worden vermeden
door in het DAB-menu DAB aan
DAB linken en / of DAB aan FM
linken te activeren (zie onder‐
staand).
● Interferentie door zenders op naburige frequenties (een
verschijnsel dat typisch is voor
AM- en FM-ontvangst) doet zich
bij DAB niet voor.
● Als het DAB-signaal door natuur‐
lijke obstakels of door gebouwen
wordt weerkaatst, verbetert dit de ontvangstkwaliteit van DAB,
terwijl AM- en FM-ontvangst in die gevallen juist aanmerkelijk
verzwakt.
● Als DAB-ontvangst is ingescha‐ keld, blijft de FM-tuner van het
infotainmentsysteem op de
achtergrond actief en zoekt dan
continu naar FM-zenders met de beste ontvangst. Als TP 3 128
geactiveerd is, worden er
verkeersberichten doorgegeven
van de FM-zender die de beste
ontvangst heeft. Deactiveer TP

130Infotainmentsysteemals DAB-ontvangst niet door FM-
verkeersberichten moet worden
onderbroken.
DAB-berichten
Naast hun muziekprogramma's
zenden veel DAB-zenders ook
diverse categorieën berichten uit. Als
u sommige of alle categorieën acti‐
veert, wordt de momenteel ontvan‐
gen DAB-service bij een bericht uit
deze categorieën onderbroken.
Activeer de DAB-golfband. Selecteer
Menu om het betreffende golfband‐
specifieke submenu te openen en
selecteer het tabblad Audio instelling.Selecteer DAB-aankondigingen om
een lijst met de beschikbare catego‐ rieën weer te geven.
Activeer alle of alleen de gewenste
berichtcategorieën. Er kunnen
verschillende berichtcategorieën
tegelijk worden geselecteerd.
DAB aan DAB linken Als deze functie geactiveerd is, scha‐
kelt het systeem over op dezelfde
service van een ander DAB-ensem‐
ble (indien beschikbaar) als het DAB-
signaal te zwak is om door de radio te
worden opgevangen.
Selecteer Menu om het betreffende
golfbandspecifieke submenu te
openen en selecteer het tabblad
Audio instelling .
Activeer of deactiveer DAB aan DAB
linken .
DAB aan FM linken Als deze functie geactiveerd is, scha‐ kelt het systeem over op eenzelfde
FM-zender van de actieve DAB-service (indien beschikbaar) als het
DAB-signaal te zwak is om door de
radio te worden opgevangen.
Selecteer Menu om het betreffende
golfbandspecifieke submenu te
openen en selecteer het tabblad
Audio instelling .
Activeer of deactiveer DAB aan FM
linken .
L-band
Via deze functie kunt u definiëren welke DAB-frequentiebereiken door
het infotainmentsysteem worden
ontvangen.
De L-band (normale en satellietradio) is een aanvullende radiofrequentie‐
band die u kunt ontvangen.
Selecteer Menu om het betreffende
golfbandspecifieke submenu te
openen en selecteer het tabblad
Audio instelling .
Activeer of deactiveer L-band.

146InfotainmentsysteemSnelkiesnummers gebruiken
Snelkiesnummers die op de mobiele
telefoon zijn opgeslagen, kunt u ook
met het toetsenblok van het telefoon‐
hoofdmenu kiezen.
Druk op p en selecteer 1 linksboven
in het scherm om het overzichts‐
scherm met de applicaties op te
roepen.
Selecteer Telefoon.
Houd het desbetreffende getal op het
toetsenblok ingedrukt om de oproep
te starten. Voor tweecijferige snel‐
kiestoetsen, selecteert u het eerste
cijfer en houd u vervolgens het
tweede cijfer ingedrukt.
Inkomend telefoongesprek
Een oproep aannemen
Als er bij een inkomende oproep een
audiomodus, bijv. de radio- of USB-
modus, actief is, wordt het geluid van
de audiobron onderdrukt en blijft dit
zo tot de oproep is beëindigd.
U beantwoordt de oproep door v in
het bericht bovenop het scherm te
selecteren of door op w op het stuur‐
wiel te drukken.Het tabblad Z verschijnt, met daarop
informatie over de oproep.
Een oproep weigeren
U weigert de oproep door @ in het
bericht bovenop het scherm te selec‐
teren of door op n op het stuurwiel
te drukken.
Privacy-instellingen
Wanneer er een oproep binnenkomt,
verschijnt er een bericht op de info‐
tainmentdisplay met de naam en het
nummer van de beller (indien
beschikbaar). Als Privacy is geacti‐
veerd, verschijnt informatie over de
beller alleen in de instrumentengroep.
Druk op p en selecteer 1 linksboven
in het scherm om het overzichts‐
scherm met de applicaties op te
roepen.
Selecteer Instellingen en vervolgens
Bluetooth telefoon . Activeer of deac‐
tiveer Privacy .
Functies tijdens het gesprek Tijdens een telefoongesprek
verschijnt het hoofdmenu op het
display.Handsfree-modus tijdelijk
deactiveren
Activeer m om het gesprek via de
mobiele telefoon te vervolgen.
Deactiveer m om terug te keren naar
de handsfree-modus.
Microfoon tijdelijk deactiveren
Activeer n om de microfoon uit te
schakelen.
Deactiveer n om de microfoon weer
te activeren.
Een oproep in de wacht zetten
Tijdens een actieve telefoonoproep
verandert de schermtoets t in
Wacht. .
Selecteer Wacht. om de oproep in de
wacht te zetten.
Telefoongesprek beëindigen
Selecteer @ om het gesprek te
beëindigen.
Voicemailbox
U kunt uw voicemailbox via het info‐ tainmentsysteem bedienen.

262KlantinformatieKlantinformatieKlantinformatie........................... 262
Conformiteitsverklaring ............262
REACH .................................... 263
Reparatie ongevalsschade ......264
Erkenning van software ...........264
Software-update ......................267
Gedeponeerde handelsmerken .......................268
Registratie van voertuigdata en
privacy ....................................... 268
Event Data Recorders (EDR) ..268
Radiofrequentie-identificatie (RFID) ..................................... 269Klantinformatie
Conformiteitsverklaring Radiozendsystemen
Deze auto heeft systemen die radio‐
golven versturen en/of ontvangen
volgens de Richtlijn 1999/5/EG of
2014/53/EU. De fabrikanten van de
onderstaande systemen verklaren
conformiteit volgens Richtlijn 1999/5/
EG of 2014/53/EU . De volledige tekst
van de EU-conformiteitsverklaring
voor elk systeem is beschikbaar
gesteld op het volgende interneta‐
dres: www.opel.com/conformity.
De importeur is
Opel / Vauxhall, Bahnhofsplatz,
65423 Ruesselsheim am Main,
Germany.
Antennemodule
Laird
8100 Industrial Park Drive, Grand
Blanc, MI 48439, USA
Bedrijfsfrequentie: n.v.t.
Maximale output: n.v.t.
Kathrein Automotive GmbHRoemerring 1, 31137 Hildesheim, Germany
Bedrijfsfrequentie: n.v.t.
Maximale output: n.v.t.
Elektronische sleutelzender
Denso Corporation
Waldeckerstrasse 11, 64546 Moerfel‐ den-Walldorf, Germany
Bedrijfsfrequentie: 433,92 MHz
Maximale output: -5,88 dBm
Elektronische sleutelontvanger
Denso Corporation
Waldeckerstrasse 11, 64546 Moerfel‐ den-Walldorf, Germany
Bedrijfsfrequentie: 125 kHz
Maximale output: -0,14 dBm
Startbeveiliging
Robert Bosch GmbH
Robert Bosch Platz 1, 70839 Gerlin‐
gen, Germany
Bedrijfsfrequentie: 125 kHz
Maximale output:
5,1 dBµA/m op 10 m

Klantinformatie269● reacties van de auto in bepaalderijsituaties (bijv. afgaan van
airbag, activering van stabiliteits‐ regeling)
● omgevingsomstandigheden (bijv. temperatuur)
Deze gegevens zijn uitsluitend tech‐
nisch en helpen bij het identificeren
en corrigeren van fouten en het opti‐
maliseren van boordfuncties.
Bewegingsprofielen die op afgelegde routes duiden, kunnen niet met deze
gegevens worden aangemaakt.
Als diensten worden gebruikt (bijv.
reparaties, serviceprocessen, garan‐
tiegevallen, kwaliteitsborging)
kunnen medewerkers van het servi‐
cenetwerk (met inbegrip van de fabri‐ kant) deze technische informatie
lezen in de gebeurtenis- en foutgege‐
vensopslagmodules waarbij speciale
diagnostische apparaten worden
gebruikt. Raadpleeg desgewenst
deze werkplaatsen voor meer infor‐
matie. Na het corrigeren van een fout
worden de gegevens gewist uit de
foutopslagmodule of worden ze cons‐ tant overschreven.Bij het gebruik van deze auto kunnen
er zich situaties voordoen waarin
deze technische gegevens in
verband met andere informatie (o.a.
ongevalmelding, schade aan de auto,
getuigenverklaringen) met een
persoon kunnen worden geassoci‐
eerd - mogelijk met behulp van een
expert.
Extra functies die contractueel zijn
overeengekomen met de klant (bijv.
locatie van auto in noodgevallen)
maken de overdracht van bepaalde
autogegevens uit de auto mogelijk.Radiofrequentie-
identificatie (RFID)
RFID-technologie wordt in sommige
voertuigen gebruikt voor functies
zoals de controle van de banden‐
spanning en de startbeveiliging. Het
wordt ook samen gebruikt met appa‐
raten zoals radiogestuurde handzen‐
ders voor het vergrendelen / ontgren‐ delen van de deuren en starten en
zenders in de auto voor het openen
van garagedeuren. RFID-technologie in Opel-voertuigen gebruikt geen
persoonlijke informatie, houdt ze niet
bij of koppelt deze niet aan andere
Opel-systemen die persoonlijke infor‐
matie bevatten.

271BBagageruimte ........................ 29, 61
Bagageruimte-afdekking .............62
Banden ...................................... 241
Bandenspanning .......................243
Bandenspanningscontrolesys‐ teem .................................. 83, 244
Bandenspanningswaarden ........261
Basisbediening ........................... 118
Batterijspanning ........................... 94
Bediening ................... 143, 161, 162
Externe apparaten ..................131
Menu ....................................... 118
Radio ....................................... 125
Telefoon .................................. 143
Bedieningselementen Infotainment-systeem ..............112
Stuurwiel ................................. 112
Bedieningsorganen ......................68
Bedieningspaneel Infotainment ..112
Bedrijfsmodi elektrisch voertuig ..161
Beginmenu ................................. 118
Bekerhouders .............................. 59
Bekleding .................................... 254
Bel Beltoon .................................... 143
Functies tijdens het gesprek ...143
Inkomend gesprek ..................143
Telefoongesprek initiëren ........143
Beladingsinformatie .....................65Beltoon
Beltoon wijzigen ......................143
Beltoonvolume ........................ 121
Beslagen lampglazen ................107
Bestandsindelingen Afbeeldingsbestanden ............131
Audiobestanden ......................131
Filmbestanden......................... 131
Bestuurdersondersteuningssys‐ temen ...................................... 171
Beveiliging van de auto ................30
Binnenverlichting .......................108
Blindehoeksysteem ....................190
Bluetooth Algemene informatie ...............131
Apparaat aansluiten ................131
Bluetooth-verbinding ...............140
Koppelen ................................. 140
Menu Streaming audio via
Bluetooth ................................. 133
Telefoon .................................. 143
Bluetooth-verbinding ..................140
Bolle vorm .................................... 32
Boordgereedschap .....................241
Boordinformatie ........................... 93
BringGo ...................................... 138
Buitenspiegels .............................. 32
Buitentemperatuur .......................71
Buitenverlichting .........................103C
Centrale vergrendeling ................21
Claxon ................................... 11, 69
Conformiteitsverklaring ...............262
Controlelampen ......................77, 80
Controle over de auto ................156
Controles .................................... 223
Cruise control ...................... 84, 171
D
DAB ............................................ 129
Dagrijlicht ................................... 106
Dakbelasting ................................. 65
Dakdrager .................................... 64
De botsingssticker ......................160
Diefstalalarmsysteem ..................30
Digital Audio Broadcasting .........129
Dimlicht of grootlicht ...................103
Display-instellingen ............135, 136
Draairichtingsgebonden banden 241
Driepuntsgordel ........................... 45
Driver Information Center .............85
E Economisch rijden ......................155
Efficiencymeter ............................. 77
Elektrisch bediende ruiten ...........35
Elektrische aandrijving .........14, 162
Elektrische aansluitingen .............72
Elektrische handrem .............82, 166
Elektrische handrem defect ..........82