
5-75
Rijden met uw auto
5
Beperkingen van het systeem
De Forward Collision-Avoidance
Assist (FCA) is ontworpen om de
voorligger of een voetganger op de
weg te signaleren door middel van
radarsignalen en cameraherkenning.
De bestuurder wordt gewaarschuwd
dat een aanrijding zeer waarschijnlijk
is en, indien nodig, wordt een
noodstop uitgevoerd.
In bepaalde gevallen wordt de
voorligger of de voetganger mogelijkniet gesignaleerd door de
radarsensor of de camera. In deze
gevallen werkt het FCA -systeem
mogelijk niet goed. In de volgende
situaties wordt de werking van de
FCA mogelijk beperkt en moet de
bestuurder zeer goed opletten.•Het FCA-systeem wordt
mogelijk niet geactiveerd als
de bestuurder het rempedaalintrapt om een aanrijding te
voorkomen.
•De remregeling kan
onvoldoende zijn, met
mogelijk een aanrijding tot
gevolg, als een voorligger
plotseling stopt. Let altijd zeergoed op.
•Inzittenden kunnen letsel oplopen als de auto plotseling
stopt doordat het FCA-
systeem geactiveerd is. Let
zeer goed op.
•Het FCA-systeem werkt alleen
om voorliggers en
voetgangers voor de auto tesignaleren.
•Het FCA-systeem werkt niet
wanneer de auto achteruitrijdt.
•Het FCA-systeem is niet
ontworpen om andere
objecten, zoals dieren, op deweg te signaleren.
•Het FCA-systeem signaleert
geen auto's in de
naastgelegen rijstrook.
•Het FCA-systeem signaleert
geen naderend verkeer van
links en rechts.
•Wanneer de bestuurder de
zijkant van een geparkeerde
auto (bijvoorbeeld in een
doodlopende straat) nadert,kan dit niet door het FCA-
systeem worden gesignaleerd.
Bewaar in deze gevallen altijd
voldoende afstand tot de
voorligger, zodat u de auto
veilig tot stilstand kunt brengenen trap indien nodig hetrempedaal in om de rijsnelheid
te verlagen.
WAARSCHUWING

5-76
Rijden met uw auto
Signaleren van voertuigen
De werking van de sensor wordt
mogelijk in de volgende gevallen
beperkt:
• De radarsensor of camera wordtgeblokkeerd door een vreemd
voorwerp o.i.d.
• De lens van de camera wordt gehinderd door een getinte of
gecoate voorruit, een beschadigde
voorruit of verontreinigingen (sticker,
insect, enz.) op de voorruit
• Slecht weer, zoals hevige regen of sneeuw, hinderen het blikveld van
de radarsensor of camera
• Elektromagnetische golven zorgen voor interferentie
• De door de radarsensor ontvangen gereflecteerde signalen zijn ergonregelmatig
• De herkenning door de radar/camerasensor is beperkt
• De voorligger is te smal om te worden gesignaleerd (bijvoorbeeld
een motorfiets, fiets, enz.) • De voorligger is te breed om door
het cameraherkenningssysteem te
worden gesignaleerd (bijvoorbeeld
de aanhanger van een trekker, enz.)
• Het zichtveld van de bestuurder is niet goed verlicht (te donker, te veel
reflectie of te veel tegenlicht
waardoor het zichtveld wordtgehinderd)
• De voorligger heeft de achterlichten niet ingeschakeld
• De helderheid van het omgevingslicht verandert plotseling,
bijvoorbeeld wanneer u een tunnel
in- of uitrijdt
• Wanneer licht van een straatlantaarn of tegemoetkomende
auto op een nat wegdek of een plas
op de weg wordt gereflecteerd
• Het blikveld voor wordt gehinderd door de schittering van de zon
• De voorruit is beslagen; een helder zicht op de weg is niet mogelijk
• De voorligger rijdt onregelmatig • De auto rijdt op een onverharde of
slechte weg of op een weg met
plotselinge veranderingen inhellingshoek.
• Als er met de auto gereden wordt in de buurt van gebieden met
metalen constructies, zoals bij
wegwerkzaamheden, spoorwegen,enz.
• De auto rijdt in een gebouw, zoals een parkeergarage
• Slechte wegomstandigheden zorgen voor overmatige trillingen
tijdens het rijden
• De herkenning door de sensor wijzigt plotseling wanneer over een
verkeersdrempel wordt gereden
• De auto voor nadert de rijrichting van opzij
• De auto voor staat dwars op de rijrichting stil
• De voorligger rijdt naar u toe of rijdt achteruit
• U zich op een rotonde bevindt en er een auto voor u rijdt

5-77
Rijden met uw auto
5
- Rijden in bochten
De prestaties van het FCA-systeem
worden mogelijk beperkt bij het
rijden op een bochtige weg.
Op bochtige wegen wordt de andere
auto op dezelfde rijstrook niet
herkend en presteert het FCA-
systeem mogelijk minder goed.
Mogelijk wordt hierdoor onnodig
alarm geslagen of geremd of wordt
er geen alarm geslagen of niet
geremd wanneer dit nodig is. Ook wordt in bepaalde gevallen op
een bochtige weg de voorliggermogelijk niet gesignaleerd door de
radarsensor voor of het
cameraherkenningssysteem.
Bewaar in deze gevallen altijd
voldoende afstand tot de voorligger,
zodat u de auto veilig tot stilstand
kunt brengen en trap indien nodig
het rempedaal in om de rijsnelheid te
verlagen.
Mogelijk herkent het FCA-systeem
bij het rijden op een bochtige weg
een voertuig op de andere rijstrook.
In dit geval alarmeert het systeem de bestuurder mogelijk onnodig en
wordt onnodig geremd.
Let tijdens het rijden altijd op de weg-
en rijomstandigheden. Trap indiennodig het rempedaal in om de
rijsnelheid te verlagen en een veilige
tussenafstand te bewaren.
Trap daarnaast indien nodig het
gaspedaal in om te voorkomen datde auto onnodig door het systeem
decelereert.
Controleer of de wegomstandigheden
een veilige werking van de FCA
mogelijk maken.
OAE056101OAE056100

5-79
Rijden met uw auto
5
- Uw voorligger signaleren
Als uw voorligger een grote, naar
achteren uitstekende lading heeft of
een grotere bodemvrijheid heeft dan
uw auto, moet u extra goed opletten.
Mogelijk wordt de naar achteren
uitstekende lading niet door het FCA-
systeem gesignaleerd. Bewaar in
deze gevallen altijd voldoendeafstand tot het object dat het dichtst
voor u is, zodat u de auto veilig tot
stilstand kunt brengen en trap indiennodig het rempedaal in om uw
rijsnelheid te verlagen.
Signaleren van voetgangers
De werking van de sensor wordt
mogelijk in de volgende gevallen
beperkt:
• De voetganger wordt niet goed gesignaleerd door het
cameraherkenningssysteem als de
voetganger bijvoorbeeld voorover
buigt of niet volledig rechtop loopt
• De voetganger beweegt zeer snel of verschijnt plotseling in het
detectiegebied van de camera
• De voetganger draagt kleding die wegvalt tegen de achtergrond,
waardoor deze moeilijk door het
cameraherkenningssysteem kan
worden gesignaleerd
• De buitenverlichting is te fel (bijvoorbeeld bij het rijden in fel
zonlicht of de schittering van de
zon) of te donker (bijvoorbeeld 'snachts op het platteland)
• Het is moeilijk om de voetganger te signaleren en te onderscheiden
van andere objecten in de buurt,
bijvoorbeeld wanneer er een groep
voetgangers of een grote groepmensen is • Er wordt een object gesignaleerd
dat een vergelijkbare vorm heeftals het menselijk lichaam
• De voetganger is klein
• De voetganger is lichamelijk gehandicapt
• De herkenning door de sensor is beperkt
• De radarsensor of camera wordt geblokkeerd door een vreemd
voorwerp o.i.d.
• Slecht weer, zoals hevige regen of sneeuw, hinderen het blikveld van
de radarsensor of camera
• Wanneer licht van een straatlantaarn of
tegemoetkomende auto op een nat
wegdek of een plas op de weg
wordt gereflecteerd.
• Het blikveld voor wordt gehinderd door de schittering van de zon.
• De voorruit is beslagen; een helder zicht op de weg is niet mogelijk.
• Slechte wegomstandigheden zorgen voor overmatige trillingen
tijdens het rijden.
OOS057022

5-80Informatie
In sommige gevallen wordt het FCA-
systeem mogelijk uitgeschakeld
wanneer het systeem wordt
blootgesteld aan elektromagnetische
interferentie.
i
Rijden met uw auto
•Probeer nooit de werking van het FCA -systeem te testen.
Anders kunt u ernstig letseloplopen.
•Als de voorbumper, de
voorruit, de radar of de
camera vervangen of
gerepareerd is, adviseren we
u de auto te laten controlerendoor een officiële Hyundai-
dealer.
•Gebruik de Forward Collision-
Avoidance Assist (FCA) niet
tijdens het slepen van eenauto.
Het gebruik van het FCA- systeem tijdens het slepen
kan de veiligheid van uw auto
of de auto die wordt gesleept
negatief beïnvloeden.
•Wees uiterst voorzichtig als
uw voorligger een grote, naar
achteren uitstekende lading
heeft of een groterebodemvrijheid heeft dan uwauto.
•Het FCA -systeem is
ontworpen om de voorligger te signaleren en in de gaten te
houden of om een voetgangerop de weg te signaleren door
middel van radarsignalen en
cameraherkenning. Het is niet
ontworpen om fietsen,motorfietsen of kleinere
objecten op wielen, zoals
bagagetassen, winkelwagens
of kinderwagens te signaleren.
WAARSCHUWING

5-81
Rijden met uw auto
5
Het Lane Keeping Assist-systeem
(LKA) signaleert met behulp van een
camera bij de voorruit
rijstrookmarkeringen op de weg en
assisteert de bestuurder bij het
besturen van de auto om de auto op
de rijstrook te houden.
Als het systeem signaleert dat de
auto zijn rijstrook dreigt te verlaten,
wordt de bestuurder zichtbaar en
hoorbaar gewaarschuwd, terwijl
tegelijkertijd een lichte
tegenstuurkracht wordt uitgeoefend,
om te proberen te voorkomen dat de
auto buiten de rijstrook terechtkomt.De bestuurder dient echter niet
volledig op het systeem te
vertrouwen, maar altijd zelf
controle te houden over het
stuurwiel om op de rijstrook te
blijven.
•Door rijomstandigheden of
omgevingsfactoren kan het
LKA-systeem worden
uitgeschakeld of niet goed
werken. Wees altijd voorzichtigtijdens het rijden.
•Haal de camera van het LKA-
systeem niet uit elkaar,
bijvoorbeeld om de ruit extra tetinten of coatings of
accessoires aan te brengen.Als u de camera uit elkaar hebt
gehaald en weer in elkaar hebt
gezet, adviseren we u de
kalibratie van het systeem te
laten controleren door een
officiële Hyundai-dealer.
•Als u de voorruit, de camera
van het LKA-systeem of
bijbehorende delen van het
stuurwiel hebt vervangen,
adviseren we u de kalibratie
van het systeem te laten
controleren door een officiële
Hyundai-dealer.
LANE KEEPING ASSIST-SYSTEEM (LKA) (INDIEN VAN TOEPASSING)
Het Lane Keeping Assist-
systeem (LKA) is geen
vervanging voor een veilig
rijgedrag, maar dient slechts als
hulpmiddel.Het is de
verantwoordelijkheid van de
bestuurder om altijd de
omgeving in de gaten te houdenen het stuurwiel te bedienen.
WAARSCHUWING
Neem bij het gebruik van het
Lane Keeping Assist-systeem
(LKA) altijd de volgende
voorzorgsmaatregelen in acht:
•Draai het stuurwiel niet plotseling wanneer het
stuurwiel mede wordt bedienddoor het systeem.
•Het LKA-systeem voorkomt dat
de bestuurder onbedoeld de
rijstrook verlaat door de
besturing te ondersteunen.
WAARSCHUWING
OOS057033

5-82
Rijden met uw auto
Werking LKA
In-/uitschakelen van het LKA- systeem:
Druk met het contact in stand ON op
de toets van het LKA-systeem op het
dashboard, links van het stuurwiel. Het controlelampje in het
instrumentenpaneel zal in eerste
instantie wit branden. Dit geeft aandat het LKA-systeem in de status
READY (gereed) en NOT ENABLED
(niet ingeschakeld) staat.
•Het systeem herkent
rijstrookmarkeringen via eencamera en bedient het
stuurwiel. Als de
rijstrookmarkeringen moeilijk
te herkennen zijn, werkt het
systeem daardoor mogelijkniet goed.
Raadpleeg “Beperkingen van het systeem”.
•Verwijder of beschadig geen
onderdelen die gerelateerd zijnaan het LKA-systeem.
•Het waarschuwingssignaal van
het LKA-systeem is mogelijkniet hoorbaar als het
geluidsvolume van hetaudiosysteem te hoog is
ingesteld.
•Plaats geen voorwerpen op het
dashboard die licht reflecteren,
zoals spiegels, wit papier enz.
Het systeem werkt mogelijk
niet goed wanneer zonlicht
wordt gereflecteerd.
•Houd het stuurwiel altijd vast wanneer het LKA-systeem is
ingeschakeld. Als u blijftrijden terwijl u het stuurwiel
niet vasthoudt nadat de
waarschuwing "Houd uwhanden op het stuur" is
gegeven, wordt het systeem
automatisch uitgeschakeld.
•Het stuurwiel wordt niet
continu bediend; als derijsnelheid te hoog is wanneer
u van rijstrook wisselt, wordt
de auto mogelijk niet door het
systeem bediend. De
bestuurder moet zich altijdaan de snelheidslimiethouden als het systeem
gebruikt wordt.
•Als u objecten aan het
stuurwiel bevestigt, assisteerthet systeem de besturing
mogelijk niet goed of werkt de
waarschuwing handen van
het stuur mogelijk niet goed.
•Als met een aanhanger rijdt moet u het LKA-systeem
uitschakelen.
OOS057034

5-86
Rijden met uw auto
Waarschuwingslampje en -melding
Check LKA
Bij een storing in het systeem
verschijnt er gedurende enkele
seconden een melding. Als het
probleem blijft bestaan, gaat het
controlelampje storing LKA-systeem
branden.
Controlelampje storing LKA-systeem
Het controlelampje
storing LKA-systeem
(geel) zal gaan brandenals het LKA-systeem niet
goed werkt. We adviseren u hetsysteem te laten controleren door
een officiële Hyundai-dealer.
Handel bij een probleem met het
systeem als volgt:
• Zet de motor uit en vervolgens weer aan en schakel het systeem in.
• Controleer of het contact in stand ON staat.
• Controleer of het systeem wordt beïnvloed door het weer (mist,
zware regenval, enz.).
• Controleer of de lens van de camera vuil is.
Is het probleem niet opgelost, dan
raden we u aan het systeem door
een officiële HYUNDAI-dealer na te
laten kijken.
In de volgende gevallen zal het
LKA-systeem zich niet in de status
ENABLED (ingeschakeld) bevinden
en wordt het stuurwiel niet bediend:
• De richtingaanwijzer is aan voordat er van rijstrook gewisseld wordt.
Als u van rijstrook wisselt zonder
de richtingaanwijzer te gebruiken,
wordt het stuurwiel mogelijkbediend.
• Er wordt niet in het midden van de rijstrook gereden wanneer het
systeem is ingeschakeld of direct
na het wisselen van rijstrook.
• De ESC (elektronische stabiliteits- regeling) of het VSM (VehicleStability Management) is
geactiveerd.
• De auto maakt een scherpe bocht.
• De rijsnelheid is lager dan 60 km/h of hoger dan 180 km/h.
• De auto wisselt abrupt van rijstrook.
• De auto remt plotseling af.
• Er is slechts één rijstrook- markering gesignaleerd.
• De rijstrook zeer breed of smal is.
• De auto maakt een scherpe bocht.
• De auto remt plotseling af.
OOS057084R