
Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
wielen en past de kracht aan de rijbaanom-
s t
andigheden aan. M
et de ASR kunt u een-
voudiger starten, gas geven of hellingen op-
rijden, ook in situaties waarin het wegdek
niet in goede staat verkeert.
De ASR kan handmatig worden geactiveerd
of gedeactiveerd ››› pag. 214.
Differentieel elektronisch vergrendelen (EDS)
Het EDS is beschikbaar wanneer de wagen
onder normale omstandigheden rechtuit
rijdt. Het EDS remt een doorslippend wiel af
en brengt de aandrijfkracht over op de ande-
re aangedreven wielen. Opdat de schijfrem
van het afgeremde wiel niet te warm wordt,
wordt het EDS bij buitengewoon sterke belas-
ting automatisch uitgeschakeld. Zodra de
rem is afgekoeld, wordt het EDS automatisch
weer ingeschakeld.
Elektronisch beheer van het aandrijfkoppel
(XDS)
Bij het nemen van een bocht maakt het diffe-
rentieelmechanisme van de aandrijfas het
mogelijk dat het buitenwiel sneller draait dan
het binnenwiel. Op deze wijze ontvangt het
wiel dat sneller draait (buitenwiel) minder
aandrijfkoppel dan het binnenwiel. Dit kan
veroorzaken dat in bepaalde omstandighe-
den het koppel afgeleverd aan het binnen-
wiel te hoog is en dit zou slippen veroorza-
ken. Het buitenwiel ontvangt daarentegen
minder aandrijfkoppel dan wat deze zou kun- nen overbrengen. Dit effect veroorzaakt een
algemeen
verlies van het wegvastheid aan
de zijkant in de vooras, die zich uit in onder-
stuur of "verlenging" van de baan.
Het XDS-systeem kan, via de sensoren en sig-
nalen van de ESC, dit effect waarnemen en
corrigeren.
De XDS remt via de ESC het binnenwiel, zodat
het effect van het teveel aan aandrijfkoppel
van dit wiel wordt opgeheven. Dit zal ertoe
leiden dat de door de bestuurder gekozen
lijn preciezer zal worden uitgevoerd.
Het XDS-systeem werkt in combinatie met de
ESC en blijft altijd actief, hoewel de aandrijfs-
lipregeling ASR uitgeschakeld zou zijn. ATTENTIE
Als u snel over bevroren, gladde of natte on-
dergr ond rijdt, d
an kunt u de controle over de
wagen verliezen, en kunnen u en de inzitten-
den ernstig gewond raken.
● Pas de snelheid en de rijstijl aan het zicht,
het we
gdek, het verkeer en de weersomstan-
digheden aan. Hoewel de remhulpsystemen
ABS, BAS, EDS, ASR en ESC meer veiligheid
bieden, moet u tijdens het rijden geen onno-
dige risico's nemen.
● De remhulpsystemen mogen de natuurkun-
dig bepaal
de grenzen niet overschrijden.
Zelfs met ESC en de andere systemen blijven
gladde en natte wegen gevaarlijk om op te rij-
den. ●
Als
u te snel op een natte ondergrond rijdt,
is het mogelijk dat de wielen het contact met
het wegdek verliezen waardoor "aquapla-
ning" ontstaat. Als de wagen eenmaal de grip
verloren heeft, kunt u de wagen niet meer af-
remmen, besturen of onder controle houden.
● De remhulpsystemen kunnen geen ongeval-
len v
oorkomen als u bijvoorbeeld geen veilige
afstand bewaart of te snel rijdt voor de be-
staande omstandigheden.
● Hoewel de remhulpsystemen zeer effectief
zijn en in moeilijk
e situaties helpen de wagen
onder controle te houden, onthoud altijd dat
de stabiliteit van de wagen afhankelijk is van
de grip van de banden.
● Geef bij het accelereren op een gladde weg
(bijv
oorbeeld bij ijs en sneeuw) voorzichtig
gas. Ondanks de remhulpsystemen kunnen
de wielen nog steeds slippen, waardoor de
bestuurder de controle over de wagen zou
kunnen verliezen. ATTENTIE
De effectiviteit van de ESC neemt aanzienlijk
af a l
s andere onderdelen en systemen die van
invloed zijn op de rijdynamiek niet adequaat
onderhouden worden, of niet correct werken.
Het gaat hierbij met name, maar niet alleen,
om de remmen, de banden en andere al ver-
melde systemen.
● Houd er altijd rekening mee dat het aan-
pas
sen en inbouwen van andere onderdelen » 213
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Bedienen
in de wagen invloed kan hebben op de werk-
ing
v
an de systemen ABS, BAS, ASL, EDL en
ESC.
● Als u de ophanging van de wagen aanpast,
of comb
inaties van niet-goedgekeurde vel-
gen/banden gebruikt, dan kan dit invloed
hebben op de werking van de systemen ABS,
BAS, ASL, EDL en ESC en de effectiviteit van
die systemen.
● De effectiviteit van de ESC wordt ook be-
paal
d door het gebruik van geschikte banden
››› pag. 300. Let op
● All
een als alle vier de wielen dezelfde ban-
den hebben, kunnen de ESC en de ASR cor-
rect werken. Een verschillende afrolomtrek
van de banden kan tot een niet-gewenste ver-
mindering van het motorvermogen leiden.
● Bij een storing in het ABS vallen ook de
ESC, de ASR en het ED
S uit.
● Het is mogelijk dat u geluiden hoort op het
moment dat
deze systemen in werking zijn. ASR in- en uitschakelen
Afb. 205
Deel van de middenconsole: knop
v oor h
andm
atig in- of uitschakelen van ASR
(wagens met ESC). De Elektronische Stabiliserings Controle
(E
SC) om
v
at de systemen ABS, EDS en ASR
en werkt enkel met ingeschakelde motor.
U kunt de ASR bij draaiende motor uitschake-
len door de knop OFF
› ›
› afb
. 205 in te druk-
ken. De ASR (en andere systemen) worden al-
leen uitgeschakeld wanneer de benodigde
aandrijving niet bereikt wordt:
● Bij het rijden in een dik pak sneeuw of bij
losse onder
grond (grind, etc.).
● Bij het "bevrijden" van een vastzittende wa-
gen.
Sch
akel de ASR vervolgens opnieuw in door
de toets
OFF
› ›
› afb
. 205 in te drukken. Starthulpsystemen
Inleidin
g tot thema ATTENTIE
De intelligente techniek van de starthulpsys-
temen k an de n
atuurkundig bepaalde gren-
zen niet overwinnen. Ondanks de gemakken
die de starthulpsystemen bieden, mag u door
deze systemen nooit risico's lopen.
● Onbedoelde bewegingen van de wagen
kunnen ern
stig letsel veroorzaken.
● De starthulpsystemen kunnen de oplet-
tendheid v
an de bestuurder nooit vervangen.
● Pas uw snelheid en rijstijl steeds aan de
staat
van het terrein of de weg, de weersom-
standigheden en de verkeerssituatie aan.
● Het starthulpsysteem kan de wagen niet al-
tijd op een helling s
taande houden of de wa-
gen op steile hellingen afremmen, bijvoor-
beeld op een gladde of bevroren ondergrond. 214

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
Let op
Als de dynamische onderstelregeling niet
werkt
zoals in dit hoofdstuk beschreven
wordt, laat het systeem dan in een gespecia-
liseerde werkplaats nakijken. Let op
Als er een storing in de dynamische onder-
st elr
egeling optreedt, knipperen op de toets
C en S. Het rijcomfort kan tijdens de storing
negatief beïnvloed zijn. Laat het systeem
door een gespecialiseerde werkplaats contro-
leren. Bandenspanningscontrolesys-
t
eem
In l
eiding tot thema De bandenspanningsindicator controleert tij-
den
s
het
rijden met behulp van de ABS-sen-
soren de bandenspanning van de vier ban-
den. De sensoren controleren de afrolomtrek
en de trillingen van elke band. De banden-
spanningsindicator geeft tijdens het rijden
een waarschuwing af als het systeem een
aanzienlijke daling van de bandenspanning
in een of meer van de banden waarneemt.
Het systeem waarschuwt u over de daling van
de bandenspanning via het lampje , in
combinatie met een akoestisch signaal, en een tekstbericht in het display van het instru-
mentenpaneel
. Als u het bestuurdersportier
opent, vindt u aan de binnenkant van de stijl
een sticker waarop de vulspanning van de
banden wat maximaal toelaatbare belasting
per goedgekeurde band voor de wagen in
kwestie betreft, vermeld staat. Als u op de in-
stelknop van de bandenspanningsindicator
drukt, kunt u de bandenspanning vergelijken
zodat de te controleren bandenspanning
overeenkomt met de huidige bandenspan-
ning ››› pag. 245.
Toepasselijk gebruik van instelknop ››› pag.
245. ATTENTIE
Als u de wielen en banden verkeerd gebruikt,
kan de b anden
spanning plotseling afnemen,
het loopvlak loslaten of de band zelfs explo-
deren.
● Controleer de bandenspanning regelmatig
en zor
g dat de banden altijd tot de aangege-
ven bandenspanning gevuld zijn. Als de ban-
denspanning te laag is, kunnen de banden te
heet worden en kunnen de loopvlakken losla-
ten en zelfs exploderen.
● Als de banden koud zijn, moet u ervoor zor-
gen dat
de bandenspanning altijd gelijk is
aan de bandenspanning die op de sticker ver-
meld is ››› pag. 304.
● Controleer wanneer de banden koud zijn re-
gelmatig de b
andenspanning. Pas indien no-
dig de bandenspanning van de op de wagen ingebouwde banden aan aan die van de ban-
dens
p
anning bij koude banden.
● Controleer regelmatig of de banden slijtage
vert
onen of beschadigd zijn.
● Overschrijd nooit de snelheid en maximum
toelaat
bare belasting voor het type band van
uw wagen. ATTENTIE
Als u de instelknop van de bandenspannings-
indic ator niet
correct gebruikt, is het moge-
lijk dat de indicator verkeerde waarschuwin-
gen afgeeft, of dat, ook al bestaat er het risi-
co dat de bandenspanning te laag is, dit niet
aanduidt ››› pag. 245. VOORZICHTIG
● Als
de ventieldoppen niet geplaatst zijn,
kunnen de ventielen van de banden bescha-
digd raken. Zorg er daarom voor dat de ven-
tieldoppen dezelfde zijn als de ventieldoppen
uit de serie en dat ze correct vastgeschroefd
zijn. Gebruik geen metalen ventieldoppen
››› pag. 245.
● Beschadig de ventielen niet wanneer u de
banden wi
sselt ››› pag. 245. Milieu-aanwijzing
Als de bandenspanning te laag is, neemt het
brand s
tofverbruik en slijtage van de banden
toe. » 243
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Bedienen
Let op
● Ver tr
ouw niet alleen maar op het banden-
spanningscontrolesysteem. Controleer de
banden regelmatig om er zeker van te zijn dat
de bandenspanning correct is en dat de ban-
den niet beschadigd zijn (steken, sneden,
scheuren en bulten). Haal het voorwerp uit de
band, mits dit niet in de band zelf vastzit.
● Het bandenspanningscontrolesysteem is in
de fabriek in
gesteld op de aanbevolen ban-
denspanning. Deze vindt u op de sticker aan
de binnenkant van de stijl ››› afb. 251. Elementen van bandenspanningsindi-
c
at
or
Bandenspanningsindicator met toets.
Zie ››› pag. 245.
Controlelampje in het instrumentenpaneel.
Toets SET in middenconsole.
Controle van afrolomtrek van alle banden met ABS-
sensoren (indirecte meting).
Instelbare bandenspanning voor normale en volle la-
ding.
Toets voor bijwerken van systeem na wijzigen van
bandenspanning. Controlelampje
Knippert of brandt
De bandenspan-
ning van een
band is aanzien-
lijk gedaald ten
opzichte van de
door de bestuur-
der ingestelde
bandenspan-
ning
››› pag.
245. Zet de wagen stil!
Verlaag de
snelheid onmiddellijk! Breng de wa-
gen tot stilstand zodra dit op een
veilige wijze mogelijk is. Voorkom
bruuske manoeuvres en abrupt rem-
men!
Controleer of alle banden alsmede
de bandenspanning daarvan. Ver-
vang de beschadigde banden.
Storing in het
systeem.
Als de bandenspanning correct is en
het lampje na het uit- en inschake-
len van het contact blijft branden,
ga dan naar een gespecialiseerde
werkplaats. Laat het systeem nakij-
ken. Wanneer het contact wordt ingeschakeld,
g
aan sommig
e c
ontrole- en waarschuwings-
lampjes enkele seconden aan terwijl ze een
werkingscontrole uitvoeren. Na enkele secon-
den gaan de lampjes uit. ATTENTIE
Veiligheidsaanwijzingen ›››
in Controle- en
waar s
chuwingslampjes op pag. 108 in acht
nemen. ATTENTIE
Als de bandenspanning verschillend of te
laag i s, k
an een van de banden kapot gaan en kunt u de controle over de wagen verliezen,
wat
k
an leiden tot een ernstig of dodelijk on-
geval.
● Als het lampje gaat br
anden, zet de wa-
gen dan onmiddellijk stil en controleer de
banden.
● Als de bandenspanning van de banden ver-
schi
llend of te laag is, kunnen de banden
sneller slijten, neemt de stabiliteit van de wa-
gen af en neemt de remweg toe.
● Als de bandenspanning van de banden ver-
schi
llend of te laag is, kan een van de banden
kapot gaan en exploderen, waardoor u de
controle over de wagen kunt verliezen.
● De bestuurder is er verantwoordelijk voor
dat a
lle banden van de wagen de correcte
bandenspanning hebben. De aanbevolen
bandenspanning vindt u op een sticker ››› afb.
251.
● Het bandenspanningscontrolesysteem
werkt a
lleen correct als alle banden in koude
toestand de correcte bandenspanning heb-
ben.
● Als de bandenspanning niet correct is, kun-
nen de banden bes
chadigd raken en kan dit
leiden tot ongevallen. Controleer of de ban-
denspanning van alle banden altijd overeen-
stemt met de lading van de wagen.
● Vul voordat u gaat reizen de banden altijd
eerst
met lucht aan tot de correcte banden-
spanning.
● Als de bandenspanning te laag is, komen
de banden onder druk t
e staan en worden ze
heet waardoor de loopvlakken beschadigd 244

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
kunnen raken en de banden kunnen explode-
ren.
●
Bij hog e s
nelheden en een overbeladen wa-
gen ku
nnen de banden heet worden en explo-
deren, waardoor u de controle over de wagen
kunt verliezen.
● Een te lage of te hoge bandenspanning ver-
kort
de levensduur van de banden, en heeft
een ongunstige uitwerking op het rijgedrag
van de wagen.
● Als de band niet "lek" is en niet noodzake-
lijkerw
ijs onmiddellijk vervangen moet wor-
den, rijd dan met lage snelheid naar de
dichtstbijzijnde gespecialiseerde werkplaats
en laat de bandenspanning controleren en
aanpassen. Bandenspanningsindicator
Afb. 228
Deel van de middenconsole: toets
v an b anden
spanningsindicator. De bandenspanningsindicator vergelijkt met
de ABS-
sen
sor
en de omwentelingen en dus
het loopoppervlak van iedere band. Als de af-
rolomtrek van een band verandert, geeft de
bandenspanningsindicator dit in het instru-
mentenpaneel aan. Het loopoppervlak van
een band kan variëren:
● Als de bandenspanning onvoldoende is.
● Als de bandenstructuur beschadigd is.
● Als de wagen onevenwichtig geladen is.
● Als de banden van een as meer last dragen
(bijv
. bij het rijden met aanhangwagen).
● Als de wagen met sneeuwkettingen rijdt.
● Als het wiel van een as werd vervangen.
De banden
spanningsindicator kan onder
bepaalde omstandigheden vertraagd reage-
ren of niets aanduiden (bijv. bij sportief rij-
den, besneeuwde wegen of onverharde we-
gen).
Bandenspanningsindicator aanpassen
Houd na het wijzigen van de bandenspan-
ning of het verwisselen van een of meerdere
wielen, en bij ingeschakeld contact, de toets
››› afb. 228 van de bandenspanningsindica-
tor ingedrukt tot een akoestisch bevesti-
gingssignaal weerklinkt. Doe dit bijvoorbeeld
ook wanneer u de voor- en achterwielen om-
wisselt ››› afb. 250. Als de wielen een zware lading moeten dra-
gen (rijden met aanh
angwagen, zware la-
ding), moet u de bandenspanning vergroten
tot de aanbevolen maximum bandenspan-
ning ››› pag. 300. Druk op de toets van de
bandenspanningsindicator om de nieuwe
spanningswaarde te bevestigen. Let op
Wanneer u sneeuwkettingen gebruikt, kan er
een fout e aan
wijzing worden weergegeven
omdat door de kettingen de wielomtrek toe-
neemt. 245
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Trekhaak voor aanhangwagen en aanhangwagen
Bijzonderheden bij het rijden met aanhang-
w ag
en
● Bij een aanh
angwagen met oplooprem
e
erst zacht , daarna stevig remmen. Zo voor-
komt u remstoten door blokkerende wielen
van de aanhangwagen.
● Als gevolg van het totaalgewicht van de wa-
gen/aanhan
gwagen, neemt de remweg toe.
● Voor steile hellingen een lagere versnelling
kiezen
zodat de motor als rem kan fungeren.
Als u dit niet doet, kan het remsysteem over-
verhit raken en niet meer goed werken.
● Het zwaartepunt van de wagen en de rijei-
gens
chappen veranderen als gevolg van de
lading van de aanhangwagen en het grotere
gewicht van de wagen/aanhangwagen.
● Als de trekkende wagen leeg is en de aan-
hang
wagen beladen is, is de verdeling van
de lading onvoldoende. Als u onder deze
voorwaarden reizen moet, rijd dan voorzich-
tig en verminder overeenkomstig de snel-
heid.
Starten met aanhangwagen op helling
Rekening houdend met de helling en het to-
taalgewicht van de trekkende wagen/aan-
hangwagen, is het mogelijk dat bij het star-
ten van de wagen en aanhangwagen ze
enigszins"naar achtgeren lopen".
Start als volgt met het op hellingen trekken
van een aanhangwagen: ●
Rempedaal
intrappen en ingetrapt houden.
● Druk de toets een keer in om de elektro-
ni s
c
he parkeerrem uit te schakelen ››› pag.
194.
● Druk de toets in en houd de toets naar
ac ht
er
en ingedrukt om de wagen/aanhang-
wagen en het elektronische parkeersysteem
uit te schakelen.
● Met schakelbak: trap het koppelingspedaal
helemaal
in.
● Schakel de eerste versnelling of rijstand D
›››
pag. 200, Schakelen in.
● Haal de voet van het rempedaal.
● Ga nu langzaam rijden. Laat hiertoe het
koppelin
gspedaal langzaam los (met auto-
matische versnellingsbak).
● Laat de toets alleen los als de motor
v o
l
doende energie voor het verplaatsen van
de wagen/aanhangwagen levert. ATTENTIE
Als u op de verkeerde manier aan de aan-
han g
wagen trekt, kunt u de controle over de
wagen verliezen, met hierdoor ernstige gevol-
gen.
● Rijden met aanhangwagen of zware of gro-
te v
oorwerpen transporteren, kan gemakke-
lijk rijeigenschappen wijzigen en de remweg
vergroten.
● Rijd altijd anticiperend rond en voorzichtig.
Rem iets
eerder. ●
Pa s
de snelheid en de rijstijl aan het zicht,
het wegdek, het verkeer en de weersomstan-
digheden aan. Verminder snelheid, vooral op
steile hellingen.
● Geef voorzichtig gas. Voorkom bruuske ma-
noeuvre
s en plotseling remmen.
● Neem voorzorgsmaatregelen wanneer u
vooruit rijdt
. Ga onmiddellijk langzamer rij-
den als u merkt dat de aanhangwagen kan-
telt.
● Probeer in geen geval de wagen met aan-
hang
wagen weer "recht te krijgen" door te
accelereren.
● Houd u aan de snelheidslimieten voor wa-
gens
met en zonder aanhangwagen. Stabilisatie van wagen/aanhangwa-
g
en De stabilisatie van de trekkende wagen en
aanh
an
g
wagen is een uitbreiding van de
Elektronische Stabiliserings Controle (ESC)
en helpt samen met het tegensturingssys-
teem de "slingerbeweging" van de aanhang-
wagen te verminderen.
U kunt zien dat de stabilisator van de wagen
en aanhangwagen geactiveerd zijn aan het
controlelampje van de ESC in het instru-
mentenpaneel dat twee seconden langer dan
het controlelampje van het ABS blijft bran-
den. »
253
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Verzorging en onderhoud
● Ge bruik
r
egelmatig en na het reinigen van
het leer een verzorgingsmiddel met bescher-
ming tegen zonlicht en impregnerende werk-
ing. Deze producten voeden het leer, verho-
gen de soepelheid, geven het leer de moge-
lijkheid te ademen en stoten vocht af. Tegelij-
kertijd vormen deze een dunne bescher-
mingslaag.
● Reinig het leer elke 2 à 3 maanden en ver-
wijder vl
ekken zodra deze optreden.
● Behandel het leer elke 6 maanden met een
ges
chikt leeronderhoudsmiddel.
● Breng de reinigings- en verzorgingsproduc-
ten in de minimal
e vereiste hoeveelheid aan
met een droge katoenen of wollen doek die
niet pluist. Breng reinigings- en verzorgings-
producten nooit rechtstreeks aan op het leer.
● Vlekken zoals inkt van een balpen, gewone
inkt, lippens
tift of schoensmeer indien moge-
lijk direct verwijderen.
● Onderhoud van leerkleur. Voor behoud van
de kleur een s
peciale kleurcrème aanbrengen
voor leer volgens voorschrift.
● Opwrijven met een zachte doek.
Schoonmak
en
SEAT raadt aan een licht bevochtigde katoe-
nen of wollen doek te gebruiken voor alge-
mene schoonmaaktaken.
Vermijd in het algemeen dat het leer te nat
wordt resp. dat water in de naden binnen-
dringt. Voor het reinigen
van de ler
en bekleding
moet u het volgende in acht nemen ››› pag.
271, Reinigen van de bekleding van zittingen
met verwarming, elektrisch verstelbare zit-
tingen of airbagonderdelen . VOORZICHTIG
● Het l eer m
ag in geen geval met oplosmid-
delen, vloerwas, schoenpoets, vlekkenverwij-
deraar en dergelijke worden behandeld.
● Als de vlek al geruime tijd aanwezig is en is
binneng
edrongen in het leer, dan kan deze
niet meer worden verwijderd.
● Als een vloeistof gemorst wordt, veeg deze
dan onmiddel
lijk met een absorberende doek
weg zodat de vloeistof niet in het leer of de
naden kan trekken.
● Als de wagen lang in de open lucht stil-
staat, d
an raden wij aan het leer tegen direct
zonlicht te beschermen om verbleken te voor-
komen. Let op
Lichte verkleuringen van het leer door het ge-
bruik z
ijn normaal. Kunstlederen bekleding schoonmaken
Voor het reinigen van de kunstleren bekle-
din
g moet u het
volgende in acht nemen
››› pag. 271, Reinigen van de bekleding van zittingen met verwarming, elektrisch verstel-
bare
zittingen of airbagonderdelen .
Gebruik voor het schoonmaken van kunstle-
ren bekleding alleen water en neutrale
schoonmaakmiddelen. VOORZICHTIG
Het kunstleer mag nooit met oplosmiddelen,
vloerw a
s, schoenpoets, vlekkenverwijderaar
en dergelijke worden behandeld. Deze ver-
harden het materiaal waardoor het kunstleer
voortijdig beschadigd wordt. Opbergvakken, bekerhouder en asbak
s
c
hoonm
aken Opbergvakken en bekerhouder schoonma-
k
en
Sommig e opber
gvakken en bekerhouders
beschikken over een uitneembaar rubberen
mat.
● Gebruik een schone, niet-pluizende doek
met wat
er bevochtigde doek om de onderde-
len schoon te maken.
● Wanneer dat niet voldoende is, neem uw
toevlucht
tot een speciaal oplossingsvrij
kunststofreinigings- en onderhoudsmiddel.
Asbak schoonmaken
● Verwijder de asbak en leeg hem. »
273
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Controleren en bijvullen
●
Sch ak
el steeds uw mobiele telefoon en ra-
dio-installatie of andere elektronische appa-
raten uit voordat u begint te tanken. Elektro-
magnetische golven kunnen vonken
produceren en brand veroorzaken.
● Stap nooit in de wagen terwijl u tankt. Als
het abso
luut nodig zou zijn om in te stappen,
sluit dan het portier en raak een metalen op-
pervlak aan voordat u het vulpistool opnieuw
aanraakt. Op deze manier voorkomt u dat er
vonken ontstaan door elektrostatische ontla-
ding. Tijdens het tanken kunnen vonken
brand veroorzaken.
● Het tanken of vullen van jerrycans in de
buurt
van open vuur, vonken of voorwerpen
die langzaam branden (bijvoorbeeld sigaret-
ten) is ten strengste verboden.
● Voorkom elektrostatische ladingen en elek-
tromagneti
sche straling tijdens het tanken.
● Neem de veiligheidsvoorschriften van het
tanks
tation in acht.
● Mors nooit brandstof in de wagen of de ba-
gageruimt
e. ATTENTIE
SEAT u raadt in verband met de veiligheid aan
geen j err
ycan in de wagen mee te nemen.
Vooral bij een ongeval kan brandstof of res-
ten van brandstof uit de jerrycan lopen en
ontsteken, ook wanneer de jerrycan leeg is.
Dit kan leiden tot explosies, brand en licha-
melijk letsel. ●
Indien het ab so
luut nodig zou zijn brand-
stof in een jerrycan te moeten vervoeren,
houd dan rekening met het volgende:
–Plaats de jerrycan voor het vullen nooit in
of op de wagen (bijv. in de bagageruimte
of op de achterklep). Tijdens het vullen
kunnen de gassen van de brandstof ont-
steken door de elektrostatische lading.
– Zet de jerrycan altijd op de grond wan-
neer u deze vult.
– Steek het vulpistool zo ver mogelijk in de
vulopening van de jerrycan.
– Als u een metalen jerrycan gebruikt, dan
moet het vulpistool de jerrycan aanraken
wanneer deze gevuld wordt, om elektro-
statische ladingen te voorkomen.
– Neem de wettelijke voorschriften over het
gebruik, de opslag en het vervoer van jer-
rycans in acht.
– Let erop dat de jerrycan voldoet aan de
fabricagenormen, bijv. ANSI of
ASTM F852-86. VOORZICHTIG
● Ver w
ijder onmiddellijk gemorste brandstof
op de wagenlak om de wielkast, band en lak
niet te beschadigen.
● Het tanken van benzine in een dieselmotor
of v
ice versa kan de motor en het brandstof-
systeem ernstig beschadigen. Dergelijke sto-
ringen zijn niet inbegrepen in de SEAT-garan-
tie. Indien u bij vergissing een verkeerd
brandstoftype tankt, mag u in geen geval de motor starten. Zelfs als u maar een kleine
hoeveelheid
v
an de verkeerde brandstof ge-
tankt hebt. Roep de hulp van vakmensen in.
Als de motor draait, kan de samenstelling van
de verkeerde brandstof ervoor zorgen dat het
brandstofsysteem en de motor ernstig be-
schadigd raken.
● In wagens met dieselmotor mag nooit ben-
zine, ker
osine, verwarmingsolie of eender
welk ander brandstoftype dat niet uitdrukke-
lijk goedgekeurd is voor dieselmotoren ge-
tankt, of ermee gereden worden. Andere
brandstoftypen kunnen de motor en het
brandstoftoevoercircuit ernstig beschadigen,
waarvoor de SEAT-garantie elke verantwoor-
delijkheid afwijst. Milieu-aanwijzing
Brandstoffen kunnen het milieu verontreini-
gen. V
ang uitgelopen vloeistoffen op en lever
deze bij de desbetreffende inzamelingspun-
ten in. Let op
Bevat geen enkel noodmechanisme om de
tankk l
ep te ontgrendelen. Roep indien nodig
de hulp in van gespecialiseerd personeel. 277
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid