
Verzorging en onderhoud
De eigenaar van de wagen moet de docu-
ment atie met
betr
ekking tot het inbouwen
van extra uitrusting bewaren en als hij de wa-
gen gaat verschroten overhandigen bij de
overdracht van de wagen. Op deze manier
wordt gegarandeerd dat de wagens met deze
uitrustingen op een milieuvriendelijke wijze
worden gerecycled. ATTENTIE
Onjuist uitgevoerde reparaties of wijzigingen
ku nnen s
chade aan en storingen in de werk-
ing van de wagen veroorzaken en van invloed
zijn op de werking van de hulpsystemen voor
de bestuurder. Dit kan ernstige ongevallen
tot gevolg hebben.
● Reparaties en wijzigingen aan de wagen
mogen al
leen door een gespecialiseerde
werkplaats worden uitgevoerd. Reparatie van en storingen in airbag-
sy
s
t
eem Neem tijdens reparaties en technische wijzi-
gin
g
en de
SEAT-richtlijnen in acht! ››› Wijzigingen en reparaties van voorbumpers,
por
tier
en,
voorstoelen, en reparaties aan het
dak of de carrosserie mogen alleen door een
gespecialiseerde werkplaats worden uitge-
voerd. In deze wagenonderdelen bevinden
zich onderdelen en sensoren van het airbag-
systeem. Wanneer u werkzaamheden aan de airbags
uitvoer
t en systeemonderdelen vanwege an-
dere reparatiedoeleinden uit- en inbouwt,
kunnen onderdelen van het airbagsysteem
worden beschadigd. Dat kan tot gevolg heb-
ben dat de airbags in geval van een aanrij-
ding niet goed of helemaal niet werken.
Om de beschermende werking van de air-
bags niet te beïnvloeden en te voorkomen
dat uitgebouwde onderdelen lichamelijk let-
sel en milieuvervuiling veroorzaken, moeten
de voorschriften in acht genomen worden.
Deze voorschriften zijn bekend bij de gespe-
cialiseerde werkplaatsen.
Als de ophanging van de wagen gewijzigd
wordt, kan dit in geval van een botsing gevol-
gen hebben voor de werking van het airbag-
systeem. Als er bijvoorbeeld combinaties van
wielen en banden gebruikt worden die niet
goedgekeurd zijn door SEAT, als de wagen
minder hoog wordt, de ophanging stijver
wordt gemaakt en de terugslagveren, veerpo-
ten, schokdempers, enz. worden gewijzigd,
kunnen de door de sensoren van de airbags
gemeten en aan het regelapparaat doorgege-
ven resultaten, gewijzigd worden. Sommige
wijzigingen aan de ophanging kunnen bij-
voorbeeld de door de sensoren gemeten
kracht laten toenemen waardoor het airbag-
systeem bij botsingen geactiveerd wordt;
krachten die onder normale omstandigheden
niet geregistreerd zouden zijn en waarbij de
airbags niet geactiveerd zouden zijn. Andere wijzigingen kunnen de door de sensoren ge-
regi
streerde krachten laten afnemen, waar-
door de airbags niet geactiveerd worden
wanneer dat wel zou moeten gebeuren. ATTENTIE
Onjuist uitgevoerde reparaties of wijzigingen
ku nnen s
chade aan en storingen in de werk-
ing van de wagen veroorzaken en van invloed
zijn op de werking van het airbagsysteem. Dit
kan ernstige of fatale ongevallen tot gevolg
hebben.
● Reparaties en wijzigingen aan de wagen
mogen al
leen door een gespecialiseerde
werkplaats worden uitgevoerd.
● De airbagmodules mogen niet gerepareerd
worden:
ze moeten worden vervangen.
● Bouw nooit airbagonderdelen in die gerecy-
cled of
afkomstig zijn van gebruikte wagens. ATTENTIE
Een wijziging van de ophanging van de wa-
gen, w aar
onder ook het gebruik van combina-
ties van niet-goedgekeurde wielen en ban-
den, kan de werking van de airbags beïnvloe-
den waardoor het risico op ernstige of dode-
lijke verwondingen bij ongevallen toeneemt.
● Bouw nooit onderdelen van de ophanging
in waarv
an de eigenschappen niet exact over-
eenkomen met de eigenschappen van de oor-
spronkelijke wagenonderdelen.
● Gebruik nooit combinaties van banden en
velg
en die niet door SEAT zijn goedgekeurd. 259
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Aanwijzingen
Zendapparatuur naderhand inbouwen Om zendapparatuur in de wagen te kunnen
ge
bruik
en, is een buitenantenne nodig.
Het naderhand inbouwen van elektrische of
elektronische apparaten is onderhevig aan
de goedkeuring ervan voor de wagen. In be-
paalde gevallen kan daardoor de wettelijke
goedkeuring voor uw wagen worden inge-
trokken.
SEAT heeft voor uw wagen het gebruik van
zendapparatuur onder de volgende voor-
waarden vrijgegeven:
● De buitenantenne moet op deskundige wij-
ze w or
den ingebouwd.
● Een maximaal zendvermogen van 10 watt.
All
een met een buitenantenne wordt het opti-
male bereik van de apparaten bereikt.
Wanneer u zendapparatuur met een zendver-
mogen van meer dan 10 watt wilt gebruiken,
neem dan contact op met een gespecialiseer-
de werkplaats. Zij zijn vertrouwd met de tech-
nische mogelijkheden van de installatie.
SEAT raadt u aan de Technische Dienst te
raadplegen.
Houd rekening met de wettelijke bepalingen
en de aanwijzingen en inbouwinstructies van
zendapparatuur. ATTENTIE
Als de zendapparatuur los vervoerd wordt of
niet g oed i
s vastgemaakt, kan deze bij bruusk
remmen, plotselinge manoeuvres, of een on-
geval door het interieur van de wagen worden
geslingerd en letsel veroorzaken.
● Zendapparatuur moet tijdens het rijden al-
tijd op de juist
e wijze en buiten het werkings-
gebied van de airbags worden bevestigd, of
op een veilige plaats worden opgeslagen. ATTENTIE
Als u zendapparatuur gebruikt die niet op de
buit en
antenne aangesloten is, kan het maxi-
mum elektromagnetische stralingsniveau in
de wagen overschreden worden. Hetzelfde
gebeurt als de buitenantenne verkeerd geïn-
stalleerd is.
● Gebruik alleen zendapparatuur in de wagen
als
deze aangesloten is op een volgens de in-
structies aangesloten buitenantenne. Door regelapparaten in geheugen op-
g
e
s
lagen informatie Uw wagen bevat in de fabriek ingebouwde
el
ektr
oni
sche regelapparaten die onder an-
dere het motormanagement en de versnel-
lingsbak regelen. De regelapparaten contro-
leren daarnaast de goede werking van het
uitlaatgassysteem en het airbagsysteem. Deze elektronische regelapparaten analyse-
ren hierv
oor onder het rijden constant de wa-
gengegevens. Als er storingen of afwijkingen
met betrekking tot de theoretische waarden
optreden, worden alleen die gegevens in het
geheugen opgeslagen. In het algemeen geldt
dat de storingen worden aangeduid via de
controlelampjes in het instrumentenpaneel.
Deze gegevens kunnen alleen met speciale
apparaten worden geraadpleegd en geanaly-
seerd.
Omdat de gegevens in het geheugen worden
opgeslagen, kunnen de gespecialiseerde
werkplaatsen de storingen detecteren en ver-
helpen. In het geheugen kunnen onder ande-
re de volgende gegevens zijn opgeslagen:
● Gegevens over de motor en de versnel-
lings
bak
● Snelheid
● Rijrichting
● Remkracht
● Detectie van veiligheidsgordel
De in de wag
en geïntegreerde regelappara-
ten nemen in geen geval de in de wagen ge-
voerde gesprekken op.
In wagens met noodoproepfunctie via de mo-
biele telefoon of andere aangesloten appara-
ten kan de huidige positie worden doorgege-
ven. Als het regelapparaat een ongeval regi-
streert waarbij de airbags geactiveerd zijn,
260

Verzorging en onderhoud
dan kan het systeem automatisch een sig-
n aal
s
turen. Dit hangt van de netwerkbeheer-
der af. Normaal gesproken kunnen de signa-
len alleen verzonden worden in zones met
een groot bereik.
Geheugenmodule voor opslaan van ongeval-
gegevens (Event Data Recorder)
De wagen is niet uitgerust met een geheu-
genmodule voor het opslaan van ongevalge-
gevens.
In een geheugenmodule voor het opslaan
van ongevalgegevens wordt de wageninfor-
matie tijdelijk geregistreerd. Op deze manier
kan er bij een ongeval gedetailleerde infor-
matie over de oorzaak van het ongeval ver-
kregen worden. In wagens met airbagsys-
teem kunnen bijvoorbeeld gegevens over de
snelheid op het moment van de botsing, de
status van de gespen van de veiligheidsgor-
dels, de standen van de stoel en de active-
ringstijden van de airbags in het geheugen
worden opgeslagen. Het gegevensvolume is
afhankelijk van de fabrikant.
Alleen als de autobezitter toestemming
geeft, mag een geheugenmodule voor het
opslaan van ongevalgegevens worden inge-
bouwd. In sommige landen zijn er wetten die
dit regelen. Regelapparaten herprogrammeren
In het alg
emeen worden alle gegevens die
nodig zijn voor het beheren van onderdelen
in de regelapparaten opgeslagen. De pro-
grammering van sommige comfortfuncties,
zoals de knipperlichten, het afzonderlijk ope-
nen van portieren en de aanduidingen op het
scherm, kunnen met speciale apparaten die
in de gespecialiseerde werkplaatsen aanwe-
zig zijn worden gewijzigd. Als dit het geval is,
dan komen de informatie en beschrijvingen
uit het instructieboekje niet overeen met de
oorspronkelijke functies. SEAT raadt daarom
aan altijd elk type wijziging in het hoofdstuk
"Andere aantekeningen van de werkplaats"
van het Onderhoudsprogramma te raadple-
gen.
De technische dienst moet van elke wijziging
in de programmering op de hoogte worden
gebracht.
Storingsgeheugen van wagen uitlezen
In het interieur van de wagen bevindt zich
een diagnoseconnector voor het lezen van
het storingsgeheugen van de wagen. In het
storingsgeheugen worden de storingen en af-
wijkingen met betrekking tot de theoretische
waarden van de elektronische regelappara-
ten geregistreerd.
De diagnoseconnector bevindt zich in de voe-
tenruimte van de bestuurder, naast de hen-
del voor het openen van de motorkap, onder
een deksel. Het storingsgeheugen mag alleen door een
ges
pecialiseerde werkplaats geraadpleegd
en geactiveerd worden.
Mobiele telefoon in wagen gebruiken
zonder aans
luiten op buitenantenne Mobiele telefoons zenden radiogolven uit en
ontv
an
gen deze, zowel tijdens telefoonge-
sprekken als tijdens de wachtmodus. In hui-
dige wetenschappelijke publicaties wordt
vermeld dat radiogolven die bepaalde waar-
den overschrijden, schadelijk voor het men-
selijk lichaam kunnen zijn. Landen en inter-
nationale commissies hebben bereiken en
richtlijnen opgesteld met als doel de elektro-
magnetische straling afkomstig van mobiele
telefoons binnen bepaalde grenzen te hou-
den die niet schadelijk zijn voor de gezond-
heid. Toch zijn er geen onomstotelijke weten-
schappelijke bewijzen die aangeven dat
draadloze telefoons helemaal veilig zijn.
Daarom raden sommige deskundigen aan de
mobiele telefoon met mate te gebruiken tot
de resultaten van onderzoeken die nog lo-
pen, gepubliceerd worden.
Gebruikt u in de auto een mobiele telefoon
die niet op de buitenantenne voor telefoons
aangesloten is, dan kan de elektromagneti-
sche straling hoger zijn dan wanneer de mo-
biele telefoon aangesloten zou zijn op een »
261
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Aanwijzingen
ingebouwde antenne of een andere
aan g
e
sloten buitenantenne.
Als de wagen uitgerust is met een geschikt
handsfree apparaat, dan voldoet u aan de
wetgeving van vele landen die alleen het ge-
bruik van mobiele telefoons in wagens toe-
staan als dat met handsfree toestellen ge-
beurt.
Het in de fabriek ingebouwde handsfree sys-
teem is ontworpen voor gebruikt met conven-
tionele mobiele telefoons, en mobiele tele-
foons met Bluetooth-technologie. De mobiele
telefoons moeten in een geschikte telefoon-
houder worden geplaatst. Aan de andere
kant moet de telefoonhouder altijd volgens
de instructies op de basisplaat vastgeklikt
worden. Alleen op deze manier is de mobiele
telefoon goed op het dashboard vastge-
maakt, altijd binnen het bereik van de be-
stuurder en aangesloten op de buitenanten-
ne van de wagen.
Door de mobiele telefoon op een in de wagen
geïntegreerde antenne of op een op de mobi-
ele telefoon aangesloten buitenantenne aan
te sluiten, vermindert de elektromagnetische
straling die de telefoon uitzendt en bijgevolg
de effecten daarvan op het menselijk li-
chaam. Bovendien neemt de kwaliteit van de
verbinding ook toe.
Als u de mobiele telefoon zonder het hand-
sfree systeem in de wagen gebruikt, dan is
de mobiele telefoon niet stevig bevestigd en niet op de buitenantenne voor de telefoon
aange
sloten. Tevens wordt de telefoon via de
houder opgeladen. Ook kunnen de gevoerde
telefoongesprekken onderbroken worden en
zal de kwaliteit van de verbinding slechter
zijn.
Gebruik de mobiele telefoon alleen in de wa-
gen als de telefoon op een handsfree sys-
teem met buitenantenne aangesloten is. ATTENTIE
Als de mobiele telefoon los vervoerd wordt of
al s
niet goed is vastgemaakt, kan deze bij
bruusk remmen, plotselinge manoeuvres, of
een ongeval door het interieur van de wagen
worden geslingerd en letsel veroorzaken.
● Mobiele telefoons moeten tijdens het rijden
altijd op de juis
te wijze en buiten het wer-
kingsgebied van de airbags worden beves-
tigd, of op een veilige plaats worden opgesla-
gen. ATTENTIE
Als u een mobiele telefoon of zendapparatuur
ge bruikt
die niet op de buitenantenne aange-
sloten is, kan het maximum elektromagneti-
sche stralingsniveau in de wagen overschre-
den worden. Hetzelfde gebeurt als de buiten-
antenne verkeerd geïnstalleerd is.
● Houd tussen de antennes van de mobiele
telef
oon en een pacemaker een afstand aan
van ten minste 20 centimeter, omdat mobiele telefoons de goede werking van de pacema-
ker k
u
nnen beïnvloeden.
● Draag de mobiele telefoon nooit standby in
de borstz
ak direct op de pacemaker.
● Wanneer u denkt dat er interferentie is,
moet u de mob
iele telefoon direct uitschake-
len. 262

Verzorging en onderhoud
De wagenlak is zo sterk dat de wagen nor-
m aal
g
esproken in automatische wasinstalla-
ties kan worden gewassen. De werkelijke slij-
tage waaraan de lak echter blootstaat is af-
hankelijk van het type wasstraat. SEAT raadt
wasstraten zonder borstels aan.
Neem de volgende aanwijzingen in acht om
mogelijke bestaande wasrestanten van de
ruiten te verwijderen en te voorkomen dat de
ruitenwisserbladen gaan krassen ››› pag.
266, Ruiten en buitenspiegels schoonmaken .
Met de hand wassen
Als de wagen met de hand wordt gewassen,
eerst het vuil met ruim water laten weken en
vervolgens zo goed mogelijk afspoelen.
Daarna de wagen met een zachte spons, een
washand of een autoborstel met lichte druk
schoonmaken. Begin hiertoe bij het dak en
werk van boven naar beneden. Alleen bij
hardnekkig vuil shampoo gebruiken.
De spons of de washand vaak uitspoelen.
Wielen, dorpels en dergelijke als laatste
schoonmaken. Hiervoor een andere spons
gebruiken. ATTENTIE
Scherpe onderdelen van de wagen kunnen
ver w
ondingen veroorzaken.
● Bescherm uw handen en armen tegen
scherpe del
en, bijvoorbeeld bij het schoon- maken van de bodemplaat of de binnenzijde
van de w
ielk
asten. ATTENTIE
Vanwege de vochtigheid (en sneeuw in de
w int er) r
emt de wagen na het wassen minder
goed, waardoor de remweg toeneemt.
● "Droog ze en verwijder het ijs" door voor-
zichtig t
e remmen. Doe dit zonder andere
weggebruikers in gevaar te brengen en zon-
der verkeersregels te overtreden. VOORZICHTIG
● De t emper
atuur van het water mag niet ho-
ger zijn dan +60 °C (+140 °F).
● Was de wagen niet direct in de zon om
sch
ade aan de lak te voorkomen.
● Gebruik geen ruwe sponsen of iets soortge-
lijks
voor het verwijderen van de restanten
van insecten omdat u anders het oppervlak
zou kunnen beschadigen.
● Maak de koplampen nooit met een droge
spons
of doek schoon, maar gebruik een nat-
te doek of spons. Bij voorkeur zeepsop ge-
bruiken.
● Autowassen bij koud weer: wanneer u de
wagen met
een slang afspuit, moet u erop let-
ten de waterstraal niet direct op de sloten of
de naden van de portieren of van het dak te
richten. De sloten en naden kunnen namelijk
bevriezen! VOORZICHTIG
Neem de volgende punten in acht voordat u
met u w w
agen een automatische wasinstalla-
tie binnenrijdt, om schade aan de wagen te
voorkomen:
● Vergelijk de afstand tussen de wielen van
de wagen met
de afstand tussen de geleide-
rails van de wasstraat om de wielen en ban-
den niet te beschadigen!
● Schakel de regensensor en de functie Auto
Hold uit
voordat u met de wagen de wasstraat
inrijdt.
● Vergelijk de hoogte en de breedte van uw
wagen met
de doorrijhoogte en -breedte van
de wasinstallatie!
● Buitenspiegels inklappen. Buitenspiegels
die elektris
ch ingeklapt kunnen worden mo-
gen niet met de hand, maar alleen elektrisch
in en uit worden geklapt.
● Om de lak van de motorkap niet te bescha-
digen onders
teunt u de ruitenwisserbladen
nadat deze gedroogd zijn. Laat ze niet vallen!
● Vergrendel de achterklep om te voorkomen
dat de ac
hterklep in de wasstraat onverwacht
geopend wordt. Wassen met een hogedrukreiniger
Let bij het autowassen met een hogedrukrei-
nig
er be
s
list op de gebruiksaanwijzingen
voor de hogedrukreiniger. Let speciaal op de
druk en de afstand die de waterstraal ten »
265
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Aanwijzingen
opzichte van de carrosserie moet hebben
› ›
›
.
Houd v
o
ldoende afstand tot zacht materiaal,
zoals flexibele rubberen leidingen of isolatie-
materiaal, en tot de sensoren van de parkeer-
hulp De sensoren van de parkeerhulp bevin-
den zich in de achterbumper, en in geval van
uw wagen in de voorbumper ››› .
Ge bruik
in g
een geval rondstraalsproeikop-
pen of vuilfrezen ››› .
ATTENTIE
Als u hogedrukreinigers verkeerd gebruikt,
kan dit l
eiden tot permanente schade, zicht-
baar of niet, aan de banden en ander materi-
aal. Dit kan ernstige ongevallen tot gevolg
hebben.
● Zorg voor voldoende afstand tussen de rui-
tens
proeier en de banden.
● Maak de banden nooit met een rondstraals-
proeikop ("v
uilfrees") schoon. Zelfs wanneer
de spuitafstand betrekkelijk groot is en er
kort gespoten wordt, kunnen de banden -
zichtbaar of niet- hierdoor beschadigd wor-
den. ATTENTIE
Vanwege de vochtigheid (en sneeuw in de
wint er) r
emt de wagen na het wassen minder
goed, waardoor de remweg toeneemt.
● "Droog ze en verwijder het ijs" door voor-
zichtig t
e remmen. Doe dit zonder andere weggebruikers in gevaar te brengen en zon-
der v
erk
eersregels te overtreden. VOORZICHTIG
● De t emper
atuur van het water mag niet ho-
ger zijn dan +60 °C (+140 °F).
● Was de wagen niet direct in de zon om
sch
ade aan de lak te voorkomen.
● De sensoren in de bumper moeten schoon
en ijsvrij b
lijven om de goede werking van de
parkeerhulp en het inparkeersysteem te kun-
nen garanderen. Bij het schoonmaken met
hogedrukreinigers of dampstralers alleen
kort direct sproeien en altijd een afstand van
meer dan 10 cm aanhouden.
● Maak bevroren of met sneeuw bedekte rui-
ten niet met
een hogedrukreiniger schoon.
● Autowassen bij koud weer: wanneer u de
wagen met
een slang afspuit, moet u erop let-
ten de waterstraal niet direct op de sloten of
de naden van de portieren of van het dak te
richten. De sloten en naden kunnen namelijk
bevriezen! Af fabriek gemonteerde kleeffolies
De volgende aanwijzingen moeten gevolgd
w
or
den om s
chade aan de kleeffolies te voor-
komen:
● Niet wassen met hogedrukapparaten. ●
Geen glas- of
ijsschraper gebruiken om de
folies vrij te maken van ijs of sneeuw.
● De kleeffolies niet polijsten.
● Geen vuile doeken of sponzen gebruiken.
● Bij voorkeur wassen met een zachte spons
en zac
hte, neutrale zeep.
Ruiten en buitenspiegels schoonma-
ken Ruiten en buitenspiegels schoonmaken
M
aak
de ruit
en en buitenspiegels met een
universele glasreiniger op alcoholbasis
schoon.
Droog de glazen oppervlakken met een scho-
ne zeem of met een lap zonder pluisjes. Op
een zeem waarmee de lak is afgenomen blij-
ven smerige resten verzorgingsmiddel ach-
ter. Daarmee zouden de ruiten vuil gemaakt
kunnen worden.
Verwijder rubber-, olie-, vet- of kitresten met
een ruitenreiniger of siliconenverwijderaar
››› .
W a
sr
esten verwijderen
Wasstraten en andere verzorgingsproducten
kunnen op alle glazen oppervlakken wasres-
ten achterlaten. Deze resten kunnen alleen
met een speciaal product of schoonmaak-
doekje verwijderd worden. Door resten was
266

Aanwijzingen
Polijsten
A l
l
een als de lak van uw wagen dof is gewor-
den en als u met conserveringsmiddelen
geen glans meer kunt verkrijgen, is polijsten
nodig.
Als het toegepaste polijstmiddel geen be-
waarmiddelen bevat, moet vervolgens een
conserveringsmiddel worden aangebracht. VOORZICHTIG
● Om sc h
ade te voorkomen, moet u mat ge-
lakte delen of kunststof delen niet met po-
lijstmiddelen of vaste was behandelen.
● De delen van de lak van de wagen niet in
een zanderig
e of stoffige omgeving polijsten
als de lak vies is. Chromen delen schoonmaken
Chromen delen met een vochtige doek
s
c
hoonm
aken. SEAT raadt aan de vlekken en
viezigheid op het oppervlak met een product
voor het behandelen van verchroomde delen
schoon te maken. Polijst de verchroomde de-
len met een zachte en droge doek. VOORZICHTIG
Om ervoor te zorgen dat een chroomopper-
vlak g
een krassen krijgt:
● Geen conserveringsmiddelen met schuren-
de werkin
g aanbrengen. ●
Het op per
vlak van de chromen delen niet in
een zanderige of stoffige omgeving schoon-
maken of polijsten.
● Vieze oppervlakken niet polijsten. Geanodiseerde oppervlakken verzor-
gen en s
c
hoonmaken Het is moeilijk om in een oogopslag een ge-
anodiseer
d op
pervlak van aluminium te on-
derscheiden; bijvoorbeeld het rooster van de
radiateur. Deze oppervlakken moeten echter
niet als aluminium behandeld worden. Ge-
bruik in geen geval ruwe sponsen of iets
soortgelijks voor het verwijderen van de res-
tanten van insecten.
● Gebruik een schone, niet-pluizende met
wat er bev
ochtigde doek om de geanodiseer-
de oppervlakken schoon te maken.
● Gebruik bij sterke vervuiling een speciaal
verz
orgingsproduct zonder oplosmiddelen. VOORZICHTIG
Ga als volgt te werk om de geanodiseerde op-
pervl akk
en niet te beschadigen:
● Geen producten die oplosmiddelen bevat-
ten, ge
bruiken.
● Geen polijstmiddelen of vaste was gebrui-
ken. ●
Geen con ser
veringsmiddelen met schuren-
de werking aanbrengen.
● De geanodiseerde oppervlakken niet in een
zanderige of
stoffige omgeving polijsten.
● Vieze oppervlakken niet polijsten. Velgen schoonmaken
Stalen velgen schoonmaken
Hardnekk
ig r
emslijpsel kan met een indu-
striereiniger worden verwijderd. Maak daar-
om de banden regelmatig met een aparte
spons schoon.
Beschadigingen aan de lak van de velgen
moeten worden verholpen voordat er roest
kan ontstaan.
Lichtmetalen velgen onderhouden en
schoonmaken
Strooizout en remslijpsel ongeveer elke twee
weken van de lichtmetalen velgen afspoelen.
Wielen vervolgens met een zuurvrij reini-
gingsmiddel schoonmaken. SEAT raadt aan
de wielen elke drie maanden met vaste was
grondig in te wrijven.
Als strooizout en remslijpsel niet regelmatig
worden afgespoeld, wordt het lichtmetaal
aangetast.
Als reinigingsmiddel een zuurvrij reinigings-
middel voor lichtmetalen velgen gebruiken.
268

Verzorging en onderhoud
Een lakpolijstmiddel of andere schurende
mid del
en mog
en bij het onderhoud van de
wielen niet worden gebruikt.
Als de beschermende laklaag (bijv. door
steenslag) is beschadigd, moet de laklaag zo
spoedig mogelijk worden hersteld.
Afdichtrubbers onderhouden De afdichtrubbers van portieren, ruiten, enz.
blij
v
en soepeler, sluiten beter af en gaan lan-
ger mee, als deze regelmatig met een conser-
veringsmiddel voor rubber (bijv. siliconens-
pray) worden behandeld.
Verwijder voor de behandeling met een zach-
te doek stof en vuil van de afdichtrubbers.
Portierslotcilinder ontdooien Om portierslotcilinders te ontdooien advi-
seer
t
SEAT u de originele SEAT-spray te ge-
bruiken, die voor een vette en corrosieweren-
de laag zorgt. VOORZICHTIG
Als u voor het ontdooien van de portierslotci-
linders pr
oducten gebruikt met ontvetter, dan
kan de portierslotcilinder gaan roesten. Onderstel van wagen beschermen
De onderzijde van de wagen is tegen chemi-
sc
he en mec
hanische invloeden beschermd.
De beschermende laag van het onderstel kan
tijdens het rijden beschadigd raken. Daarom
adviseert SEAT u om de beschermende laag
aan de onderzijde van de wagen en van het
onderstel vóór en na het koude jaargetijde
regelmatig te controleren en zo nodig te laten
bijwerken. ATTENTIE
De extra bescherming voor het onderstel van
de wag en, of
de antiroestproducten kunnen
vlam vatten door het hete uitlaatsysteem of
door andere hete motordelen.
● Breng nooit een bodembeschermingslaag
of corr
osiewerend middel op uitlaten, kataly-
satoren, hitteschilden of andere wagenonder-
delen die heel heet kunnen worden aan. Reiniging van de motorruimte
De motorruimte van elke wagen is een ge-
v
aarlijk
g
ebied ›››
pag. 284.
Het schoonmaken van de motorruimte mag
alleen door deskundig personeel worden uit-
gevoerd. Als het schoonmaken niet goed uit-
gevoerd wordt, kan de roestwerende be-
scherming aangetast worden en kunnen
sommige elektrische onderdelen beschadigd raken. Daarnaast kan er via de waterkast di-
rect w
ater in het interieur terecht komen ››› .
A l
s
de motorruimte erg vies is, laat dan een
gespecialiseerde werkplaats de motorruimte
op een professionele manier schoonmaken.
SEAT raadt u aan de Technische Dienst te
raadplegen.
Waterkast
De waterkast bevindt zich in de motorruimte,
tussen de voorruit en de motor, onder een af-
dekking met gaten. Via de waterkast wordt
de buitenlucht met de verwarming en de air-
conditioning naar het interieur geleid.
Regelmatig moeten bladresten en andere los-
se voorwerpen met een stofzuiger of met de
hand van het deksel van de waterkast wor-
den verwijderd. ATTENTIE
Bij werkzaamheden aan de motor of in de mo-
torruimt e k
unt u letsel of brandwonden oplo-
pen, of ongevallen of brand veroorzaken.
● Bestudeer voordat u de werkzaamheden
star
t eerst wat u moet doen en welke algeme-
ne veiligheidsmaatregelen u moet nemen
››› pag. 284.
● SEAT raadt aan om daarvoor een gespeciali-
seerde werkp
laats te raadplegen. » 269
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid