
Bedienen
●
Als u t
e snel op een natte ondergrond rijdt,
is het mogelijk dat de wielen het contact met
het wegdek verliezen waardoor "aquapla-
ning" ontstaat. Als de wagen eenmaal de grip
verloren heeft, kunt u de wagen niet meer af-
remmen, besturen of onder controle houden.
● De remhulpsystemen kunnen geen ongeval-
len voork
omen als u bijvoorbeeld geen veilige
afstand bewaart of te snel rijdt voor de be-
staande omstandigheden.
● Hoewel de remhulpsystemen zeer effectief
zijn en in moeilijke s
ituaties helpen de wagen
onder controle te houden, onthoud altijd dat
de stabiliteit van de wagen afhankelijk is van
de grip van de banden.
● Geef bij het accelereren op een gladde weg
(bijvoorbeel
d bij ijs en sneeuw) voorzichtig
gas. Ondanks de remhulpsystemen kunnen
de wielen nog steeds slippen, waardoor de
bestuurder de controle over de wagen zou
kunnen verliezen. ATTENTIE
De effectiviteit van de ESC neemt aanzienlijk
af al s
andere onderdelen en systemen die van
invloed zijn op de rijdynamiek niet adequaat
onderhouden worden, of niet correct werken.
Het gaat hierbij met name, maar niet alleen,
om de remmen, de banden en andere al ver-
melde systemen.
● Houd er altijd rekening mee dat het aan-
passen en inbou
wen van andere onderdelen
in de wagen invloed kan hebben op de werk- ing van de systemen ABS, BAS, ASL, EDL en
ESC.
●
Als
u de ophanging van de wagen aanpast,
of combin
aties van niet-goedgekeurde vel-
gen/banden gebruikt, dan kan dit invloed
hebben op de werking van de systemen ABS,
BAS, ASL, EDL en ESC en de effectiviteit van
die systemen.
● De effectiviteit van de ESC wordt ook be-
paald door het
gebruik van geschikte banden
››› pag. 302. Let op
● All een a
ls alle vier de wielen dezelfde ban-
den hebben, kunnen de ESC en de ASR cor-
rect werken. Een verschillende afrolomtrek
van de banden kan tot een niet-gewenste ver-
mindering van het motorvermogen leiden.
● Bij een storing in het ABS vallen ook de
ESC, de ASR en het EDS
uit.
● Het is mogelijk dat u geluiden hoort op het
moment dat dez
e systemen in werking zijn. ASR in- en uitschakelen
Afb. 205
Deel van de middenconsole: knop
v oor h
andm atig in- of
uitschakelen van ASR
(wagens met ESC). De Elektronische Stabiliserings Controle
(E
SC) om
vat
de systemen ABS, EDS en ASR
en werkt enkel met ingeschakelde motor.
U kunt de ASR bij draaiende motor uitschake-
len door de knop OFF
› ›
› afb . 205 in te druk-
k
en. De ASR (en andere systemen) worden al-
leen uitgeschakeld wanneer de benodigde
aandrijving niet bereikt wordt:
● Bij het rijden in een dik pak sneeuw of bij
losse ondergr
ond (grind, etc.).
● Bij het "bevrijden" van een vastzittende wa-
gen.
Schak
el de ASR vervolgens opnieuw in door
de toets
OFF
› ›
› afb . 205 in te drukken.
216

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
Let op
Als de dynamische onderstelregeling niet
werkt z
oals in dit hoofdstuk beschreven
wordt, laat het systeem dan in een gespecia-
liseerde werkplaats nakijken. Let op
Als er een storing in de dynamische onder-
stelr e
geling optreedt, knipperen op de toets
C en S. Het rijcomfort kan tijdens de storing
negatief beïnvloed zijn. Laat het systeem
door een gespecialiseerde werkplaats contro-
leren. Bandenspanningscontrolesys-
t
eem
In leidin
g tot themaDe bandenspanningsindicator controleert tij-
den
s
het rijden met
behulp van de ABS-sen-
soren de bandenspanning van de vier ban-
den. De sensoren controleren de afrolomtrek
en de trillingen van elke band. De banden-
spanningsindicator geeft tijdens het rijden
een waarschuwing af als het systeem een
aanzienlijke daling van de bandenspanning
in een of meer van de banden waarneemt.
Het systeem waarschuwt u over de daling van
de bandenspanning via het lampje , in
combinatie met een akoestisch signaal, en een tekstbericht in het display van het instru-
mentenpaneel. A
ls u het bestuurdersportier
opent, vindt u aan de binnenkant van de stijl
een sticker waarop de vulspanning van de
banden wat maximaal toelaatbare belasting
per goedgekeurde band voor de wagen in
kwestie betreft, vermeld staat. Als u op de in-
stelknop van de bandenspanningsindicator
drukt, kunt u de bandenspanning vergelijken
zodat de te controleren bandenspanning
overeenkomt met de huidige bandenspan-
ning ››› pag. 247.
Toepasselijk gebruik van instelknop ››› pag.
247. ATTENTIE
Als u de wielen en banden verkeerd gebruikt,
kan de banden s
panning plotseling afnemen,
het loopvlak loslaten of de band zelfs explo-
deren.
● Controleer de bandenspanning regelmatig
en zorg d
at de banden altijd tot de aangege-
ven bandenspanning gevuld zijn. Als de ban-
denspanning te laag is, kunnen de banden te
heet worden en kunnen de loopvlakken losla-
ten en zelfs exploderen.
● Als de banden koud zijn, moet u ervoor zor-
gen dat de b
andenspanning altijd gelijk is
aan de bandenspanning die op de sticker ver-
meld is ››› pag. 306.
● Controleer wanneer de banden koud zijn re-
gelmatig de banden
spanning. Pas indien no-
dig de bandenspanning van de op de wagen ingebouwde banden aan aan die van de ban-
densp
annin
g bij koude banden.
● Controleer regelmatig of de banden slijtage
vertonen of
beschadigd zijn.
● Overschrijd nooit de snelheid en maximum
toelaatb
are belasting voor het type band van
uw wagen. ATTENTIE
Als u de instelknop van de bandenspannings-
indic ator niet c
orrect gebruikt, is het moge-
lijk dat de indicator verkeerde waarschuwin-
gen afgeeft, of dat, ook al bestaat er het risi-
co dat de bandenspanning te laag is, dit niet
aanduidt ››› pag. 247. VOORZICHTIG
● Als de
ventieldoppen niet geplaatst zijn,
kunnen de ventielen van de banden bescha-
digd raken. Zorg er daarom voor dat de ven-
tieldoppen dezelfde zijn als de ventieldoppen
uit de serie en dat ze correct vastgeschroefd
zijn. Gebruik geen metalen ventieldoppen
››› pag. 247.
● Beschadig de ventielen niet wanneer u de
banden wis
selt ››› pag. 247. Milieu-aanwijzing
Als de bandenspanning te laag is, neemt het
brands t
ofverbruik en slijtage van de banden
toe. » 245
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten

Bedienen
Let op
● Vertr ou
w niet alleen maar op het banden-
spanningscontrolesysteem. Controleer de
banden regelmatig om er zeker van te zijn dat
de bandenspanning correct is en dat de ban-
den niet beschadigd zijn (steken, sneden,
scheuren en bulten). Haal het voorwerp uit de
band, mits dit niet in de band zelf vastzit.
● Het bandenspanningscontrolesysteem is in
de fabriek ing
esteld op de aanbevolen ban-
denspanning. Deze vindt u op de sticker aan
de binnenkant van de stijl ››› afb. 251. Elementen van bandenspanningsindi-
c
at
or
Bandenspanningsindicator met toets.
Zie ››› pag. 247.
Controlelampje in het instrumentenpaneel.
Toets SET in middenconsole.
Controle van afrolomtrek van alle banden met ABS-
sensoren (indirecte meting).
Instelbare bandenspanning voor normale en volle la-
ding.
Toets voor bijwerken van systeem na wijzigen van
bandenspanning. Controlelampje
Knippert of brandt
De bandenspan-
ning van een
band is aanzien-
lijk gedaald ten
opzichte van de
door de bestuur-
der ingestelde
bandenspan-
ning
››› pag.
247. Zet de wagen stil!
Verlaag de
snelheid onmiddellijk! Breng de wa-
gen tot stilstand zodra dit op een
veilige wijze mogelijk is. Voorkom
bruuske manoeuvres en abrupt rem-
men!
Controleer of alle banden alsmede
de bandenspanning daarvan. Ver-
vang de beschadigde banden.
Storing in het
systeem.
Als de bandenspanning correct is en
het lampje na het uit- en inschake-
len van het contact blijft branden,
ga dan naar een gespecialiseerde
werkplaats. Laat het systeem nakij-
ken. Wanneer het contact wordt ingeschakeld,
g
aan sommig
e contr
ole- en waarschuwings-
lampjes enkele seconden aan terwijl ze een
werkingscontrole uitvoeren. Na enkele secon-
den gaan de lampjes uit. ATTENTIE
Veiligheidsaanwijzingen ››› in Controle- en
waars c
huwingslampjes op pag. 110 in acht
nemen. ATTENTIE
Als de bandenspanning verschillend of te
laag is, k an een
van de banden kapot gaan en kunt u de controle over de wagen verliezen,
wat k
an l
eiden tot een ernstig of dodelijk on-
geval.
● Als het lampje gaat branden,
zet de wa-
gen dan onmiddellijk stil en controleer de
banden.
● Als de bandenspanning van de banden ver-
schil
lend of te laag is, kunnen de banden
sneller slijten, neemt de stabiliteit van de wa-
gen af en neemt de remweg toe.
● Als de bandenspanning van de banden ver-
schil
lend of te laag is, kan een van de banden
kapot gaan en exploderen, waardoor u de
controle over de wagen kunt verliezen.
● De bestuurder is er verantwoordelijk voor
dat al
le banden van de wagen de correcte
bandenspanning hebben. De aanbevolen
bandenspanning vindt u op een sticker ››› afb.
251.
● Het bandenspanningscontrolesysteem
werkt al
leen correct als alle banden in koude
toestand de correcte bandenspanning heb-
ben.
● Als de bandenspanning niet correct is, kun-
nen de banden besc
hadigd raken en kan dit
leiden tot ongevallen. Controleer of de ban-
denspanning van alle banden altijd overeen-
stemt met de lading van de wagen.
● Vul voordat u gaat reizen de banden altijd
eerst met
lucht aan tot de correcte banden-
spanning.
● Als de bandenspanning te laag is, komen
de banden onder druk te s
taan en worden ze
heet waardoor de loopvlakken beschadigd 246

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
kunnen raken en de banden kunnen explode-
ren.
●
Bij hoge s nelheden en een o
verbeladen wa-
gen kunnen de b
anden heet worden en explo-
deren, waardoor u de controle over de wagen
kunt verliezen.
● Een te lage of te hoge bandenspanning ver-
kort de l
evensduur van de banden, en heeft
een ongunstige uitwerking op het rijgedrag
van de wagen.
● Als de band niet "lek" is en niet noodzake-
lijkerwij
s onmiddellijk vervangen moet wor-
den, rijd dan met lage snelheid naar de
dichtstbijzijnde gespecialiseerde werkplaats
en laat de bandenspanning controleren en
aanpassen. Bandenspanningsindicator
Afb. 228
Deel van de middenconsole: toets
v an b anden
s
panningsindicator. De bandenspanningsindicator vergelijkt met
de ABS-
sen
soren de om
wentelingen en dus
het loopoppervlak van iedere band. Als de af-
rolomtrek van een band verandert, geeft de
bandenspanningsindicator dit in het instru-
mentenpaneel aan. Het loopoppervlak van
een band kan variëren:
● Als de bandenspanning onvoldoende is.
● Als de bandenstructuur beschadigd is.
● Als de wagen onevenwichtig geladen is.
● Als de banden van een as meer last dragen
(bijv. b
ij het rijden met aanhangwagen).
● Als de wagen met sneeuwkettingen rijdt.
● Als het wiel van een as werd vervangen.
De bandens
panningsindicator kan onder
bepaalde omstandigheden vertraagd reage-
ren of niets aanduiden (bijv. bij sportief rij-
den, besneeuwde wegen of onverharde we-
gen).
Bandenspanningsindicator aanpassen
Houd na het wijzigen van de bandenspan-
ning of het verwisselen van een of meerdere
wielen, en bij ingeschakeld contact, de toets
››› afb. 228 van de bandenspanningsindica-
tor ingedrukt tot een akoestisch bevesti-
gingssignaal weerklinkt. Doe dit bijvoorbeeld
ook wanneer u de voor- en achterwielen om-
wisselt ››› afb. 250. Als de wielen een zware lading moeten dra-
gen (rijden met aanhan
gwagen, zware la-
ding), moet u de bandenspanning vergroten
tot de aanbevolen maximum bandenspan-
ning ››› pag. 302. Druk op de toets van de
bandenspanningsindicator om de nieuwe
spanningswaarde te bevestigen. Let op
Wanneer u sneeuwkettingen gebruikt, kan er
een foute aan w
ijzing worden weergegeven
omdat door de kettingen de wielomtrek toe-
neemt. 247
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten

Trekhaak voor aanhangwagen en aanhangwagen
Bijzonderheden bij het rijden met aanhang-
w ag
en
● Bij een aanh an
gwagen met oplooprem
eers
t zacht , daarna stevig remmen. Zo voor-
komt u remstoten door blokkerende wielen
van de aanhangwagen.
● Als gevolg van het totaalgewicht van de wa-
gen/aanhang
wagen, neemt de remweg toe.
● Voor steile hellingen een lagere versnelling
kiezen z
odat de motor als rem kan fungeren.
Als u dit niet doet, kan het remsysteem over-
verhit raken en niet meer goed werken.
● Het zwaartepunt van de wagen en de rijei-
gensc
happen veranderen als gevolg van de
lading van de aanhangwagen en het grotere
gewicht van de wagen/aanhangwagen.
● Als de trekkende wagen leeg is en de aan-
hangw
agen beladen is, is de verdeling van
de lading onvoldoende. Als u onder deze
voorwaarden reizen moet, rijd dan voorzich-
tig en verminder overeenkomstig de snel-
heid.
Starten met aanhangwagen op helling
Rekening houdend met de helling en het to-
taalgewicht van de trekkende wagen/aan-
hangwagen, is het mogelijk dat bij het star-
ten van de wagen en aanhangwagen ze
enigszins"naar achtgeren lopen".
Start als volgt met het op hellingen trekken
van een aanhangwagen: ●
Rempedaal intr
appen en ingetrapt houden.
● Druk de toets een keer in om de elektro-
ni s
che p
arkeerrem uit te schakelen ››› pag.
197.
● Druk de toets in en houd de toets naar
ac ht
eren in
gedrukt om de wagen/aanhang-
wagen en het elektronische parkeersysteem
uit te schakelen.
● Met schakelbak: trap het koppelingspedaal
helemaal in.
● Sc
hakel de eerste versnelling of rijstand D
››› p
ag. 202, Schakelen in.
● Haal de voet van het rempedaal.
● Ga nu langzaam rijden. Laat hiertoe het
koppeling
spedaal langzaam los (met auto-
matische versnellingsbak).
● Laat de toets alleen los als de motor
v o
ldoende ener
gie voor het verplaatsen van
de wagen/aanhangwagen levert. ATTENTIE
Als u op de verkeerde manier aan de aan-
hang w
agen trekt, kunt u de controle over de
wagen verliezen, met hierdoor ernstige gevol-
gen.
● Rijden met aanhangwagen of zware of gro-
te voor
werpen transporteren, kan gemakke-
lijk rijeigenschappen wijzigen en de remweg
vergroten.
● Rijd altijd anticiperend rond en voorzichtig.
Rem iets eer
der. ●
Pas de s
nelheid en de rijstijl aan het zicht,
het wegdek, het verkeer en de weersomstan-
digheden aan. Verminder snelheid, vooral op
steile hellingen.
● Geef voorzichtig gas. Voorkom bruuske ma-
noeuvres
en plotseling remmen.
● Neem voorzorgsmaatregelen wanneer u
vooruit rijdt. G
a onmiddellijk langzamer rij-
den als u merkt dat de aanhangwagen kan-
telt.
● Probeer in geen geval de wagen met aan-
hangw
agen weer "recht te krijgen" door te
accelereren.
● Houd u aan de snelheidslimieten voor wa-
gens met
en zonder aanhangwagen. Stabilisatie van wagen/aanhangwa-
g
en De stabilisatie van de trekkende wagen en
aanh
an
gw
agen is een uitbreiding van de
Elektronische Stabiliserings Controle (ESC)
en helpt samen met het tegensturingssys-
teem de "slingerbeweging" van de aanhang-
wagen te verminderen.
U kunt zien dat de stabilisator van de wagen
en aanhangwagen geactiveerd zijn aan het
controlelampje van de ESC in het instru-
mentenpaneel dat twee seconden langer dan
het controlelampje van het ABS blijft bran-
den. »
255
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten

Verzorging en onderhoud
● Ge bruik
re
gelmatig en na het reinigen van
het leer een verzorgingsmiddel met bescher-
ming tegen zonlicht en impregnerende werk-
ing. Deze producten voeden het leer, verho-
gen de soepelheid, geven het leer de moge-
lijkheid te ademen en stoten vocht af. Tegelij-
kertijd vormen deze een dunne bescher-
mingslaag.
● Reinig het leer elke 2 à 3 maanden en ver-
wijder vlekk
en zodra deze optreden.
● Behandel het leer elke 6 maanden met een
gesc
hikt leeronderhoudsmiddel.
● Breng de reinigings- en verzorgingsproduc-
ten in de minimale
vereiste hoeveelheid aan
met een droge katoenen of wollen doek die
niet pluist. Breng reinigings- en verzorgings-
producten nooit rechtstreeks aan op het leer.
● Vlekken zoals inkt van een balpen, gewone
inkt, lippenstif
t of schoensmeer indien moge-
lijk direct verwijderen.
● Onderhoud van leerkleur. Voor behoud van
de kleur een spec
iale kleurcrème aanbrengen
voor leer volgens voorschrift.
● Opwrijven met een zachte doek.
Schoonmaken
S
EAT raadt aan een licht bevochtigde katoe-
nen of wollen doek te gebruiken voor alge-
mene schoonmaaktaken.
Vermijd in het algemeen dat het leer te nat
wordt resp. dat water in de naden binnen-
dringt. Voor het reinigen
van de leren bek
leding
moet u het volgende in acht nemen ››› pag.
273, Reinigen van de bekleding van zittingen
met verwarming, elektrisch verstelbare zit-
tingen of airbagonderdelen . VOORZICHTIG
● Het leer m ag in g
een geval met oplosmid-
delen, vloerwas, schoenpoets, vlekkenverwij-
deraar en dergelijke worden behandeld.
● Als de vlek al geruime tijd aanwezig is en is
binnengedr
ongen in het leer, dan kan deze
niet meer worden verwijderd.
● Als een vloeistof gemorst wordt, veeg deze
dan onmiddellijk
met een absorberende doek
weg zodat de vloeistof niet in het leer of de
naden kan trekken.
● Als de wagen lang in de open lucht stil-
staat, dan r
aden wij aan het leer tegen direct
zonlicht te beschermen om verbleken te voor-
komen. Let op
Lichte verkleuringen van het leer door het ge-
bruik z ijn norm
aal. Kunstlederen bekleding schoonmaken
Voor het reinigen van de kunstleren bekle-
din
g moet u het
volgende in acht nemen
››› pag. 273, Reinigen van de bekleding van zittingen met verwarming, elektrisch verstel-
bare z
ittingen of airbagonderdelen .
Gebruik voor het schoonmaken van kunstle-
ren bekleding alleen water en neutrale
schoonmaakmiddelen. VOORZICHTIG
Het kunstleer mag nooit met oplosmiddelen,
vloerwa s, s
choenpoets, vlekkenverwijderaar
en dergelijke worden behandeld. Deze ver-
harden het materiaal waardoor het kunstleer
voortijdig beschadigd wordt. Opbergvakken, bekerhouder en asbak
s
c
hoonm ak
en Opbergvakken en bekerhouder schoonma-
k
en
Sommig e opberg
vakken en bekerhouders
beschikken over een uitneembaar rubberen
mat.
● Gebruik een schone, niet-pluizende doek
met water bev
ochtigde doek om de onderde-
len schoon te maken.
● Wanneer dat niet voldoende is, neem uw
toevlucht t
ot een speciaal oplossingsvrij
kunststofreinigings- en onderhoudsmiddel.
Asbak schoonmaken
● Verwijder de asbak en leeg hem. »
275
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten

Controleren en bijvullen
●
Schak el
steeds uw mobiele telefoon en ra-
dio-installatie of andere elektronische appa-
raten uit voordat u begint te tanken. Elektro-
magnetische golven kunnen vonken
produceren en brand veroorzaken.
● Stap nooit in de wagen terwijl u tankt. Als
het absoluut
nodig zou zijn om in te stappen,
sluit dan het portier en raak een metalen op-
pervlak aan voordat u het vulpistool opnieuw
aanraakt. Op deze manier voorkomt u dat er
vonken ontstaan door elektrostatische ontla-
ding. Tijdens het tanken kunnen vonken
brand veroorzaken.
● Het tanken of vullen van jerrycans in de
buurt
van open vuur, vonken of voorwerpen
die langzaam branden (bijvoorbeeld sigaret-
ten) is ten strengste verboden.
● Voorkom elektrostatische ladingen en elek-
tromagnetis
che straling tijdens het tanken.
● Neem de veiligheidsvoorschriften van het
tankst
ation in acht.
● Mors nooit brandstof in de wagen of de ba-
gageruimte. ATTENTIE
SEAT u raadt in verband met de veiligheid aan
geen jerr y
can in de wagen mee te nemen.
Vooral bij een ongeval kan brandstof of res-
ten van brandstof uit de jerrycan lopen en
ontsteken, ook wanneer de jerrycan leeg is.
Dit kan leiden tot explosies, brand en licha-
melijk letsel. ●
Indien het abso luut
nodig zou zijn brand-
stof in een jerrycan te moeten vervoeren,
houd dan rekening met het volgende:
–Plaats de jerrycan voor het vullen nooit in
of op de wagen (bijv. in de bagageruimte
of op de achterklep). Tijdens het vullen
kunnen de gassen van de brandstof ont-
steken door de elektrostatische lading.
– Zet de jerrycan altijd op de grond wan-
neer u deze vult.
– Steek het vulpistool zo ver mogelijk in de
vulopening van de jerrycan.
– Als u een metalen jerrycan gebruikt, dan
moet het vulpistool de jerrycan aanraken
wanneer deze gevuld wordt, om elektro-
statische ladingen te voorkomen.
– Neem de wettelijke voorschriften over het
gebruik, de opslag en het vervoer van jer-
rycans in acht.
– Let erop dat de jerrycan voldoet aan de
fabricagenormen, bijv. ANSI of
ASTM F852-86. VOORZICHTIG
● Verw ijder onmid
dellijk gemorste brandstof
op de wagenlak om de wielkast, band en lak
niet te beschadigen.
● Het tanken van benzine in een dieselmotor
of vic
e versa kan de motor en het brandstof-
systeem ernstig beschadigen. Dergelijke sto-
ringen zijn niet inbegrepen in de SEAT-garan-
tie. Indien u bij vergissing een verkeerd
brandstoftype tankt, mag u in geen geval de motor starten. Zelfs als u maar een kleine
hoeveelheid v
an de
verkeerde brandstof ge-
tankt hebt. Roep de hulp van vakmensen in.
Als de motor draait, kan de samenstelling van
de verkeerde brandstof ervoor zorgen dat het
brandstofsysteem en de motor ernstig be-
schadigd raken.
● In wagens met dieselmotor mag nooit ben-
zine, kero
sine, verwarmingsolie of eender
welk ander brandstoftype dat niet uitdrukke-
lijk goedgekeurd is voor dieselmotoren ge-
tankt, of ermee gereden worden. Andere
brandstoftypen kunnen de motor en het
brandstoftoevoercircuit ernstig beschadigen,
waarvoor de SEAT-garantie elke verantwoor-
delijkheid afwijst. Milieu-aanwijzing
Brandstoffen kunnen het milieu verontreini-
gen. V an
g uitgelopen vloeistoffen op en lever
deze bij de desbetreffende inzamelingspun-
ten in. Let op
Bevat geen enkel noodmechanisme om de
tankkl ep t
e ontgrendelen. Roep indien nodig
de hulp in van gespecialiseerd personeel. 279
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten

Trefwoordenlijst
Trefwoordenlijst A
Aanbev o
len
versnelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 207
Aandrijfslipregeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
Aandrijfslipregeling (ASR) . . . . . . . . . . . . . 215, 216
Aanhaalmoment . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 315 wielbouten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48
Aanhangen beladen maximaal toelaatbaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 257
Aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 248 aanhangwagengewicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . 257
aankoppelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 252
aansluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 252
achterlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 249, 253
alarmsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 253
beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 254
bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 240
buitenspiegels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 250
dodehoekhulp (BSD) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 240
Functiecontrole . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 253
kabel van aanhangwagen . . . . . . . . . . . 249, 253
Kogeldruk . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 248
koplampen verstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 254
Led-achterlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . 249, 253
optisch parkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . 223
parkeerhulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 221
rijden met aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . 254
stabilisatie van wagen/aanhangwagen . . . . . 255
stang met kogelkop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 250
stang met kogelkop elektrisch ontgrendelen . 250
stopcontact . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 252
trekhaak voor aanhangwagen inbouwen . . . . 256
Aanhangwagengewichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . 314
Aantal plaatsen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 60
Aanwijzingen op het display . . . . . . . . . . . . . . . . 106 Aanwijzingen op het scherm
buitentemper atuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 107
service-intervalindicatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . 108
verkeerstekenherkenning . . . . . . . . . . . . . . . . 241
ABS zie Antiblokkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
Accessoires . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 259
Accu aansluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 300
accuvloeistofpeil controleren . . . . . . . . . . . . . 299
controle- en waarschuwingslampjes . . . . . . . . 299
laden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 300
loskoppelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 300
ontladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 194
ontlading . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 190
positieve pool voor starthulp . . . . . . . . . . . . . . . 54
starthulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54
stroomverbruikers automatisch uitschakelen 301
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 300
voorbereidingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 299
zuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 300
Accu van de wagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42, 298 hulp bij het starten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53
loskoppelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 109
Achterklep . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 noodsluiting en -opening . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
waarschuwingslampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128
zie ook Bagageruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128
Achterruitverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
Achteruitkijkspiegels buitenspiegels verstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . 146
Achteruitrijcamera . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 227 bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 229modus 1 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 230
modus 2 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 231
storing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 230 Achteruitrijhulp
displ ay . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 228
Gebruiksaanwijzingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 228
AdBlue bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 284
controle- en waarschuwingslampjes . . . . . . . . 283
informatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 284
minimale vulhoeveelheid . . . . . . . . . . . . . . . . 284specificatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 285
vulcapaciteit van tank . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 283
Afdichtrubbers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 271
Afmetingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 321
AFS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 137
Afstandsbediening zie Sleutels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 115
Afstandsbediening van de interieurvoorverwar- ming
de batterij vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 188
interieurvoorverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . 188
Afstandsregeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 231
Afstelling lichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 140
Afvoer airbagsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 278
wagens aan eind van levensduur . . . . . . . . . . 278
Airbagafdekkingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
Airbags zie Airbagsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
Airbagsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17, 70 activering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72
airbag voor de knieën . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
beschrijving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71
controlelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74
dashboard schoonmaken . . . . . . . . . . . . . . . . 276
gebruik van kinderzitjes . . . . . . . . . . . . . . . . 18, 75
hoofdairbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
reparaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 261
voorairbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17, 72 323