
100Instrumenten en bedieningsorganen
De gewenste taal kiezen. De keuze
wordt aangeduid door een 6 voor de
menuoptie.
Bij systemen met gesproken aanwij‐
zingen verschijnt na de wijziging van
de taalinstelling op het display de vraag of de meldingstaal ook moet
worden gewijzigd, zie handleiding In‐
fotainment.
Maateenheden instellen
Selecteer de menuoptie Units in het
menu Instellingen . De lijst met moge‐
lijke eenheden wordt getoond. De ge‐
wenste eenheid selecteren.
De keuze wordt aangeduid door een
o voor de menuoptie.
Contrast (Graphic-Info-Display)
aanpassen
Selecteer de menuoptie Contrast in
het menu Instellingen . Nu verschijnt
het menu. De gewenste instelling be‐
vestigen.
Displaymodus instellen
Het display kan aan het omgevings‐
licht worden aangepast:
Selecteer de menuoptie Dag / Nacht
in het menu Instellingen. De moge‐
lijkheden worden getoond.
Automatisch ; Aanpassing afhankelijk
van de verlichting van de auto.

Klimaatregeling117x:uit1:minimumsnelheid4:maximumsnelheid
Ontwasemen en ontdooien● Luchtverdelingsschakelaar op l of J zetten
● Draaiknop voor temperatuur in hoogste stand zetten
● Ventilator op hoogste stand zet‐ ten
● Middelste ventilatieopeningen sluiten
● Zijdelingse luchtroosters openen en op de zijruiten richten
Achterruitverwarming Ü 3 32.
Airconditioning
Naast het verwarmings- en ventilatie‐ systeem kunnen de volgende functiesvia het airconditioningssysteem wor‐
den geregeld:
n:koeling4:luchtrecirculatieÜ:ontwasemen en ontdooien
Verwarmde stoelen ß 3 40.
Koeling n
Druk op n
om naar koeling om te
schakelen. De activering wordt aan‐
geduid doordat de led in de toets brandt. Koeling werkt alleen bij een
draaiende motor en ingeschakelde
aanjager van de klimaatregeling.
Druk opnieuw op n om koeling uit te
schakelen.
De airconditioning koelt en ontvoch‐
tigt (droogt) de lucht vanaf een bui‐
tentemperatuur die iets boven het
vriespunt ligt. Er kan zich dan con‐
dens vormen en onder de auto op de grond druppelen.
Als geen koeling of droging gewenst
is, ter besparing van brandstof de
koeling uitschakelen.
Geactiveerde koeling kan een Auto‐
stop verhinderen. Stop/Start-systeem 3 128.
Luchtrecirculatiesysteem 4
Luchtrecirculatiemodus met 4 in‐
schakelen. De activering wordt aan‐
geduid doordat de led in de toets brandt.
Recirculatiemodus uitschakelen door
weer op 4 te drukken.9Waarschuwing
Als het luchtrecirculatiesysteem is
ingeschakeld, vermindert de lucht‐verversing. Bij het gebruik zonder
koeling neemt de luchtvochtigheid
toe waardoor de ruiten van bin‐
nenuit kunnen aandampen. De
kwaliteit van de binnenlucht neemt
na verloop van tijd af, wat tot ver‐
moeidheidsverschijnselen bij de
inzittenden kan leiden.

124Rijden en bedieningRijden en bedieningRijtips......................................... 124
Economisch rijden ...................124
Controle over de auto ..............125
Sturen ...................................... 126
Starten en bediening .................126
Nieuwe auto inrijden ................126
Contactslotstanden ..................127
Motor starten ........................... 127
Uitrol-brandstofafsluiter ...........128
Stop/Start-systeem ..................128
Parkeren .................................. 130
Uitlaatgassen ............................. 131
Roetfilter .................................. 131
Katalysator .............................. 132
AdBlue ..................................... 133
Automatische versnellingsbak ...137
Versnellingsbakdisplay ............137
Keuzehendel ........................... 138
SPORT-modus ........................ 139
Handmatige modus .................139
Elektronische rijprogramma's ..140
Storing ..................................... 140
Stroomonderbreking ................140
Handgeschakelde versnellings‐
bak ............................................. 141Rijsystemen............................... 142
All-wheel drive ......................... 142
Remmen .................................... 144
Antiblokkeersysteem ...............144
Handrem .................................. 145
Remassistentie ........................146
Hellingrem ............................... 146
Rijregelsystemen .......................147
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) ...................................... 147
Systeem voor gecontroleerde afdaling ................................... 148
Automatische niveauregeling ..149
Bestuurdersondersteuningssys‐ temen ......................................... 149
Cruise control .......................... 149
Parkeerhulp ............................. 151
Brandstof ................................... 152
Brandstof voor dieselmotoren . 152
Tanken .................................... 153
Brandstofverbruik - CO 2-
uitstoot ................................... 154
Trekhaak .................................... 154
Algemene informatie ...............154
Rijgedrag en aanhangertips ....154
Aanhanger trekken ..................155
Aanhangerstabilisatie ..............158Rijtips
Economisch rijden
Zuinige stand
De brandstofbesparingsmodus is een functie voor een optimaal brandstof‐
verbruik. Deze beïnvloedt o.a. het
motorvermogen en -koppel, het acce‐
lereren en het aangegeven schakel‐
punt.
Handgeschakelde versnellingsbak

128Rijden en bedieningDe auto starten bij lage
temperaturen
Bij extreem lage temperaturen,
d.w.z. minder dan -20 °C moet de mo‐
tor wellicht zo'n 30 seconden rond‐
draaien voordat deze start.
Sleutel op stand START zetten en
vasthouden totdat de motor start. Startpogingen niet langer dan
30 seconden laten duren. Als de mo‐
tor niet start, 10 seconden wachten
alvorens de startprocedure te herha‐
len.
Nagaan of de motorolie de juiste vis‐
cositeit heeft, de juiste brandstof ge‐
bruikt is, er geen achterstallig onder‐
houd is en of de accu voldoende op‐
geladen is.
Opwarmen van de turbomotor
Bij het starten is het mogelijk dat het
beschikbare motorkoppel gedurende een korte tijd beperkt is, vooral wan‐
neer de motortemperatuur koud is.
Deze beperking is er om het smeer‐
systeem de motor volledig te laten be‐
schermen.Uitrol-brandstofafsluiter
De brandstoftoevoer wordt automa‐
tisch afgesloten bij het uitrollen,
d.w.z. wanneer u met een ingescha‐
kelde versnelling onder het rijden het
gas loslaat.
Stop/Start-systeem
Het Stop/Start-systeem helpt brand‐ stof besparen en uitlaatemissies be‐
perken. Wanneer de omstandighe‐
den het toelaten, schakelt het de mo‐
tor uit van zodra de auto langzaam
rijdt of stilstaat, bijv. voor een ver‐
keerslicht of in een file. Het start de
motor automatisch zodra u het kop‐
pelingspedaal bedient. Een accusen‐ sor zorgt ervoor dat een Autostop al‐leen wordt uitgevoerd, als de accu
voldoende opgeladen is om opnieuw
te kunnen starten.
Activering
Het Stop/Start-systeem is beschik‐
baar van zodra de motor is gestart, de
auto is vertrokken en er aan de hier‐
onder opgegeven omstandigheden
voldaan is.Deactivering
Schakel het stop-startsysteem manu‐ eel uit door op s te drukken. De
uitschakeling wordt aangeduid wan‐
neer de led in de knop uitgaat.
Brandstofbesparingsmodus 3 124.
Autostop Als de auto langzaam rijdt of stilstaat,
activeer dan een Autostop zoals hier‐ onder beschreven:
● Bedien het koppelingspedaal● Zet de hendel in de neutraalstand
● Laat het koppelingspedaal los
![OPEL ANTARA 2016.5 Gebruikershandleiding (in Dutch) 140Rijden en bediening]:Terugschakelen naar een lagere
versnelling.
Keuzehendel in de juiste richting tik‐
ken. Deze gaat dan terug naar de
middelste stand.
Schakelen in handgeschakelde mo‐
dus is OPEL ANTARA 2016.5 Gebruikershandleiding (in Dutch) 140Rijden en bediening]:Terugschakelen naar een lagere
versnelling.
Keuzehendel in de juiste richting tik‐
ken. Deze gaat dan terug naar de
middelste stand.
Schakelen in handgeschakelde mo‐
dus is](/manual-img/37/21457/w960_21457-141.png)
140Rijden en bediening]:Terugschakelen naar een lagere
versnelling.
Keuzehendel in de juiste richting tik‐
ken. Deze gaat dan terug naar de
middelste stand.
Schakelen in handgeschakelde mo‐
dus is mogelijk tijdens gas geven. Als
het motortoerental te laag is, zal de
versnellingsbak automatisch naar
een lagere versnelling schakelen,
zelfs in de handgeschakelde modus,
om te voorkomen dat de motor af‐
slaat.
Wordt bij een te lage snelheid een ho‐ gere versnelling geselecteerd of een
lagere versnelling bij een te hoge
snelheid, dan schakelt de auto niet.
In de handmatige modus wordt er bij
hoge toerentallen niet automatisch
naar een hogere versnelling opge‐ schakeld.
U kunt versnellingen overslaan door
de schakelhendel herhaaldelijk met
korte tussenpozen te bewegen.
Wanneer wordt gestopt, wordt auto‐
matisch de 1e versnelling ingescha‐
keld. Bij wegrijden op een gladde on‐
dergrond, de keuzehendel naar voren tikken om de 2e versnelling in te scha‐
kelen.
Om naar stand D terug te keren, de
keuzehendel terug naar rechts du‐ wen.
Elektronische
rijprogramma's
● Het bedrijfstemperatuurpro‐ gramma brengt de katalysator na
een koude start snel op tempera‐
tuur door het motortoerental te
verhogen.
Kickdown In zowel de automatische als dehandgeschakelde modus: bij het ge‐ heel intrappen van het gaspedaal
schakelt de versnellingsbak afhanke‐
lijk van het motortoerental naar een
lagere versnelling. Het volledige mo‐
torvermogen is beschikbaar voor ac‐
celeratie.
Brandstofbesparingsmodus 3 124.Storing
Bij een storing in de automatische
versnellingsbak brandt controle‐
lampje Z op de instrumentengroep
3 86 . Automatisch schakelen verloopt
moeilijker dan normaal of, in geval
van een ernstige storing, helemaal
niet plaatsvinden. Oorzaak van de
storing onmiddellijk door een werk‐
plaats laten verhelpen.
Als controlelampje g bij een draai‐
ende motor op de instrumentengroep
brandt, kan dit op een storing in de
versnellingsbakelektronica duiden
3 86 . De elektronica schakelt over op
een noodprogramma, het brandstof‐
verbruik kan toenemen en het rijge‐
drag kan slechter worden. De hulp
van een werkplaats inroepen.
Stroomonderbreking De koppeling wordt niet vrijgezet als
de accu ontladen is en een versnel‐
ling werd gekozen. Er kan niet meer met de auto worden gereden. De keu‐
zehendel kan niet uit de stand P of
N worden geschakeld.

142Rijden en bedieningBij bediening het koppelingspedaal
helemaal intrappen. Uw voet niet op
het pedaal laten rusten.Voorzichtig
Rijd bij voorkeur niet met de hand
voortdurend op de selectorhendel.
Brandstofbesparingsmodus 3 124.
Rijsystemen
All-wheel drive
All-wheel drive is een actief systeem
dat automatisch zonder tussenkomst
van de bestuurder werkt. Afhankelijk
van de omstandigheden schakelt de
auto over tussen tweewielaandrijving
en vierwielaandrijving, om de auto zo nodig meer trekkracht en stabiliteit te
geven.
Als de voorwielen beginnen door te
slippen, zullen de achterwielen indien
nodig automatisch de auto beginnen aan te drijven. Er gaat meer koppel
naar de wielen met de meeste tractie om te allen tijde een optimale grip te
garanderen. Bij intensief gebruik kan
er een gering inschakelgeluid hoor‐
baar zijn.
Dit systeem zorgt ervoor dat er met de
auto zowel op ruw terrein als op nor‐
male wegen kan worden gereden
zonder overdreven slijtage aan de
banden en de aandrijflijn te veroorza‐ ken of de bestuurbaarheid te ver‐slechteren.Controleer of de banden (inclusief de reserveband) de juiste bandenspan‐ning hebben 3 217 en geschikt zijn
voor de aanwezige rijomstandighe‐
den. Om het systeem optimaal te la‐
ten werken, mogen de banden
rondom geen verschil in slijtage ver‐
tonen.
Als controlelampje B onderweg op de
instrumentengroep oplicht, wordt de
all-wheel drive tijdelijk gedeactiveerd.
Als B voortdurend knippert, is er een
storing in het systeem; de hulp van
een werkplaats inroepen.
Controlelampje all-wheel drive B
3 88.
On-road rijden Door de extra trekkracht van auto's
met all-wheel drive levert bij een lastig
wegdek, met name bij hevige
sneeuwval en ijzel, meer grip op de
weg op. Auto's met all-wheel drive zijn echter niet "slipvast" en de remwegblijft even lang.
Bij auto's met all-wheel drive ligt het
zwaartepunt hoger dan bij conventio‐ nele auto's. Bochten altijd met de
juiste snelheid naderen. Bochten niet

Rijden en bediening155het voorste gedeelte van de aanhan‐
ger op de grond terechtkomt als deze
van de trekhaak loskomt. Kabel niet
over de grond laten slepen en vol‐
doende laten doorhangen om goed te kunnen keren. Bij de trekhaak mee‐
gelverde instructies opvolgen.
Alvorens een aanhangwagen aan te
koppelen, de kogel van de trekhaak
smeren. Bij gebruik van een trillings‐
demper die slingerbewegingen
dempt en op de koppelingskogel in‐ werkt, mag de kogel niet worden ge‐
smeerd. Voor aanhangers met een
geringe rijstabiliteit wordt het gebruik
van een frictie-trillingsdemper sterk
aanbevolen.
Niet sneller rijden dan 80 km/u, zelfs
niet in landen waar hogere snelheden
zijn toegestaan. Bergopwaarts niet
sneller dan 30 km/u rijden in de 1e
versnelling, of niet sneller dan
50 km/u in de 2e versnelling.
Als de aanhanger begint te slingeren, langzamer gaan rijden, niet tegenstu‐
ren en zo nodig krachtig remmen.
Bergafwaarts dezelfde versnelling in‐
schakelen als bergopwaarts en onge‐ veer dezelfde snelheid aanhouden.Bandenspanning instellen op de
waarde voor maximale belading
3 217.
Aanhanger trekken Trekgewicht
Het maximaal toelaatbare trekge‐
wicht hangt specifiek af van de auto
en de motor en mag niet worden over‐
schreden. Het werkelijke trekgewicht
is het verschilt tussen het werkelijke
totaalgewicht van de aanhanger en
het werkelijke kogelgewicht in aange‐
koppelde toestand.
Bij het controleren van het aanhan‐ gergewicht mogen bijgevolg alleen de wielen van de aanhanger, en niet het
neuswiel, op de weeginrichting wor‐
den geplaatst.
Het maximaal toelaatbare trekge‐
wicht staat in de autopapieren ver‐
meld. Het geldt normaal bij hellings‐
percentages tot maximaal 12%.
Het maximaal toelaatbare trekge‐
wicht geldt tot aan het aangegeven
hellingspercentage en tot een hoogte van 1000 meter boven de zeespiegel.Omdat het motorvermogen bij toene‐
mende hoogte door de lagere lucht‐
dichtheid daalt en het klimvermogen
daardoor afneemt, moet het maxi‐
maal toelaatbare treingewicht voor ie‐ dere 1000 meter aan hoogtetoename
met 10% worden verminderd. Bij het
rijden op wegen met een gering hel‐
lingspercentage (minder dan 8%, bijv.
snelwegen) hoeft het maximaal toe‐
laatbare treingewicht niet te worden
verminderd.
Het maximaal toelaatbare treinge‐
wicht mag niet worden overschreden.
Het maximaal toelaatbare treinge‐
wicht staat op het typeplaatje 3 210
vermeld.
KogeldrukDe kogeldruk is de kracht waarmeede aanhanger op de koppelingskogel
drukt. De gewichtsverdeling bij het la‐
den van de aanhanger is van invloed op de kogeldruk.
De maximaal toelaatbare kogeldruk
(80 kg) staat op het typeplaatje van de
trekhaak en in de autopapieren ver‐
meld. Altijd de maximale kogeldruk

192Verzorging van de autoIndien geen wieldoppen en banden
worden gebruikt die door de fabriek
zijn goedgekeurd, mogen de banden
niet voorzien zijn van een velgbe‐
schermingsrand.
Wieldoppen mogen de koeling van de remmen niet belemmeren.9 Waarschuwing
Het gebruik van ongeschikte ban‐
den of wieldoppen kan tot plotse‐
ling drukverlies leiden met onge‐
lukken als mogelijk gevolg.
Sneeuwkettingen
Sneeuwkettingen zijn alleen toege‐
staan op de vooras.
Deze symmetrisch op de banden
aanbrengen zodat deze rondom goed passen.9 Waarschuwing
Beschadigingen kunnen een klap‐
band veroorzaken.
Speciale sneeuwkettingen zijn alleen
toegestaan wanneer ze ontworpen
zijn met een roterende kettingband op
het loopvlak van de banden, geen
kettingschakels op de binnenzijden
van de wielen en wanneer de ket‐
tingen niet meer dan 12 mm aan het
loopvlak van de banden toevoegen.
Voor meer informatie m.b.t. het juiste gebruik van sneeuwkettingen voor de
bandenmaat kunt u contact opnemen met een gespecialiseerde auto-on‐
derdelendealer of een fabrikant van
sneeuwkettingen. Sneeuwkettingen
zijn alleen toegestaan bij banden met de maten 235/60 R17 en
235/55 R18.
Algemeen
Het gebruik van sneeuwkettingen op
een compact reservewiel is niet toe‐
gestaan.
Bandenreparatieset
Lichte beschadigingen van de loop‐
vlakken en de zijwanden van de ban‐
den kunnen met de bandenreparatie‐ set worden verholpen.
Vreemde voorwerpen niet uit de ban‐
den verwijderen.
Beschadigingen die groter zijn dan
4 mm of die in de bandwang dichtbij
de velg zitten, kunnen niet met de
bandenreparatieset worden verhol‐
pen.
Bij modellen met een bandenrepara‐
tieset zijn er wellicht geen krik en een
boordset aanwezig.
Boordgereedschap 3 184.
Compact reservewiel 3 198.9 Waarschuwing
Niet sneller rijden dan 80 km/u.
Niet langdurig gebruiken.