
35
2
VOORDAT U GAAT RIJDE
N
Cockpit
VerklikkerlampjestatussignaleertWat te doen
Water in
brandstoffilter
brandt in
combinatie met
een melding op
het display.
de aanwezigheid van water in
het brandstoffilter (diesel).
Laat het filter aftappen door het PEUGEOT-netwerk. Zie
in de rubriek 7 het gedeelte "Controles".
Laag
brandstofniveau
brandt met de
wijzer in zone E.
een bijna lege brandstoftank.
Wacht niet met tanken. De actieradius met de
resterende hoeveelheid brandstof is afhankelijk van
de rijstijl, het profiel van de weg, de verstreken tijd en
het aantal kilometers dat is gereden sinds het lampje
brandt.
knippert.
een storing. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Voorgloeien
dieselmotor brandt. dat voorgloeien van dedieselmotor noodzakelijk is (koude omstandigheden).Wacht tot het lampje uit is alvorens de motor te starten.
Dimlicht
brandt.
een handmatig geselecteerde
stand. Draai de ring van de lichtschakelaar in de tweede stand.
Grootlicht dat u de hendel naar u toe trekt. Trek de hendel naar u toe om terug te keren naar dimlicht.

36
Cockpit
VerklikkerlampjestatussignaleertWat te doen
Richtingaanwijzers
knippert in
combinatie met
geluidssignaal.
het inschakelen van de richtingaanwijzers met de lichtschakelaar links van het stuurwiel.
Rechts: beweeg de hendel omhoog.
Links: beweeg de hendel omlaag.
Mistlampen vóór brandt.
dat de knop op de
middenconsole is ingedrukt.
Handmatig selecteren.
De mistlampen werken uitsluitend als het dimlicht is
ingeschakeld.
Mistachterlicht brandt.
dat de knop op de
middenconsole is ingedrukt.
Handmatig selecteren. Het mistachterlicht werkt
uitsluitend als het dimlicht is ingeschakeld. Schakel het
mistachterlicht uit als het zicht weer normaal is.
Snelheidsregelaar brandt.
dat de snelheidsregelaar is
geselecteerd.
Handmatig selecteren.
Zie in de rubriek 3 het gedeelte
"Stuurkolomschakelaars".
Defecte lamp
brandt. in
combinatie met
een melding op
het display.
dat een of meer lampen defect
zijn.
Laat de lamp vervangen.
Zie in de rubriek 8 het gedeelte "Lampen vervangen" of
raadpleeg het PEUGEOT-netwerk.
Parkeerhulp
achter brandt.
een storing in het systeem.
De parkeerhulp met geluidssignalen werkt niet meer.
Laat het systeem zo snel mogelijk controleren door het
PEUGEOT-netwerk.

37
2
VOORDAT U GAAT RIJDE
N
Cockpit
Displaygeeft weerrsignaleertWat te doen
Te mperatuur/
Gladheid
het verklikkerlampje voor gladheid, de temperatuur die knippert en een melding die wordtweergegeven ophet display.
weersomstandigheden met
kans op gladheid.
Wees extra waakzaam en rem niet abrupt. Zie in de
rubriek 5 het gedeelte "Veilig rijden".
Datum 11:00:00 instellen: Datum.
Tijd.
een instelling via het menu
MODE.Zie in de rubriek 4 het gedeelte "Mode".
Hoogte van de
koplampverstelling
een verstelling
van de
koplampen.
stand 0 t/m 3, afhankelijk van
de belading van de auto.
Verstel de koplampen met de knop op het
dashboard. Zie in de rubriek 3 het gedeelte
"Stuurkolomschakelaars".
Onderhoudssleutelde sleutel die
blijft branden.
een bijna verstreken
onderhoudsinterval.
Zie het overzicht met controlepunten in het
onderhoudsboekje. Laat de onderhoudsbeurt uitvoeren
door het PEUGEOT-netwerk.
Stop & Start-
systeem
brandt.
het in de STOP-stand zetten
van de motor nadat de auto tot
stilstand is gekomen.
Zodra u wilt verder rijden, wordt de motor automatisch
weer gestart en gaat het verklikkerlampje uit.
knippert enkele
seconden en
gaat vervolgens
uit.
het feit dat de STOP-stand
tijdelijk niet beschikbaar is of de
de START-stand automatisch is
geactiveerd.
Bijzondere gevallen van de STOP- en de START-stand.
Zie de desbetreffende rubriek.

39
2
VOORDAT U GAAT RIJDE
N
Cockpit
ONDERHOUDSINDICATOR
Na het aanzetten van het contact
brandt het lampje (een sleutel die
onderhoudswerkzaamheden symboliseert)
gedurende enkele seconden : het
display geeft de afstand tot de volgende
onderhoudsbeurt aan volgens het
onderhoudsschema van de constructeur
(zie het onderhoudsboekje). Deze wordt
bepaald op basis van de afgelegde afstand
sinds de vorige onderhoudsbeurt.
DIMMER DASHBOARDVERLICHTING
De lichtsterkte van de dashboardverlichting kan worden ingesteld als de verlichting is ingeschakeld. Na enkele seconden schakelt het display
weer over naar de normale weergave.
Stel de lichtsterkte van de
dashboardverlichting in met deze
schakelaars.
Er zijn 8 standen mogelijk. Door de toets lang in te drukken keert u
terug naar het hoofdscherm.
Raadpleeg rubriek 4 in het gedeelte
"Mode".
Kwaliteitsindicator motorolie
Raadpleeg het overzicht van de
onderhoudsbeurten in het onderhoudsboekje dat
u bij de aflevering van de auto is overhandigd.
Oproepen van de informatie over het
onderhoud
De informatie over het onderhoud kan altijd
worden geraadpleegd door kort op de toets
MODE te drukken.
Gebruik de pijltjestoetsen omhoog/omlaag om
de afstand tot de volgende onderhoudsbeurt
en de kwaliteit van de motorolie weer te geven.
Door de toets MODE opnieuw in te drukken,
keert u terug naar de verschillende menu's
op het display.
Menu...
Selecteer...
Om ...
12
Service Service
(Km/Mijl
tot olie
verversen)
Het nog af te
leggen aantal
kilometers/
mijlen, totdat
olie moet
worden ververst,
weer te geven.
Olie Het olieniveau
weer te
geven.
Nulstelling
Het permanent knipperen van het lampje kan
worden uitgeschakeld door een reparateur
door middel van het diagnosegereedschap.
Deze melding die is gekoppeld
aan het lampje, wordt op het
instrumentenpaneel weergegeven
zolang de olie niet is ververst.
De kwaliteit van de olie heeft
een grenswaarde overschreden.
Om verdere verslechtering te
voorkomen moet de olie zo snel
mogelijk worden ververst.
Dit verklikkerlampje knippert bij het
starten van de motor en er verschijnt,
volgens uitvoering, een melding
op het instrumentenpaneel: het
systeem heeft een verslechtering
van de kwaliteit van de motorolie
gedetecteerd. De motorolie moet zo
snel mogelijk worden ververst. Voor de 3.0 HDi motoren zal het toerental
beperkt worden tot 3000 t/min en vervolgens
tot 1500 t/min zolang de olie niet is ververst.
Laat de motorolie verversen om te voorkomen
dat er schade aan de motor ontstaat.

42
Starten en stoppen
HILL START ASSIST
Deze aan het ESP gekoppelde functie
vereenvoudigt het wegrijden op een helling.
Het systeem en wordt geactiveerd onder de
volgende omstandigheden:
- de auto moet stilstaan met draaiende
motor en het rempedaal ingetrapt,
- de helling moet steiler zijn dan 5%,
- bij het omhoog rijden op een helling
moet de versnellingsbak in de
neutraalstand staan of moet een
versnelling zijn ingeschakeld, maar niet
de achteruitversnelling,
- bij het afdalen van een helling moet de
achteruitversnelling zijn ingeschakeld.
De Hill Holder of hulp bij het wegrijden
op een helling is een voorziening om het
rijcomfort te vergroten en kan niet gebruikt
worden als elektrisch bediende handrem.
Werking
Als u het rempedaal en het
koppelingspedaal hebt ingetrapt, hebt u
zodra u het rempedaal loslaat ongeveer
2 seconden de tijd om, zonder dat de auto
de helling af begint te rollen, gas te geven
en weg te rijden.
Bij het wegrijden wordt de functie
automatisch gedeactiveerd door de remdruk
geleidelijk te laten afnemen. Gedurende
deze fase is het mogelijk dat de remmen
hoorbaar zijn, het teken dat de auto in
beweging komt.
Storing
In het geval van een storing in het
systeem gaat dit verklikkerlampje
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding ter
bevestiging op het display. Raadpleeg het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats om het systeem te laten nakijken. De Hill Holder wordt gedeactiveerd onder de
volgende omstandigheden:
- als u het koppelingspedaal laat
opkomen,
- als de handrem wordt aangetrokken,
- als de motor wordt afgezet,
- als de motor afslaat.

44
Starten en stoppen
Over
gang naar de START-stand van de motor
-
Het verklikkerlampje "S"
gaat uit en de motor wordt
gestart.
Als de motor automatisch is
gestart
(START-stand) en de bestuurder gedurende
de daaropvol
gende drie minuten de auto niet
bedient, zet het s
ysteem de motor definitief
af. De motor kan dan uitsluitend weer met
de contactsleutel worden
gestart. Bi
jzonderheden: automatisch activerenvan de START-stand
De
START-stand wordt automatisch
geactiveerd als:
- de auto wegrolt op een helling,
-
de ruitenwissers vóór in de stand hoge
snelheid werken,
-
de airconditioning in werking is,
-
de motor ongeveer drie minuten geleden
is af
gezet door het Stop & Start-
systeem,
- bepaalde bijzondere omstandigheden
(laadtoestand accu, motortemperatuur,
rembekrachti
ging, buitentemperatuur
enz.
) dit niet toelaten.
In dat
geval wordt een meldingweergegeven op het display
van het instrumentenpaneel en
gaat het verklikkerlampje "S"gedurende enkele secondenknipperen om vervolgens te doven.
Gebruiksvoorschrift
Als u bij een auto met een handgeschakelde
versnellin
gsbak in de STOP-stand een
versnelling inschakelt, maar daarbij het
koppelin
gspedaal niet helemaal intrapt,
wor
dt de motor in sommige gevallen niet
weer ges
tart.
Er gaat dan een verklikkerlampje branden
of er wordt een melding weergegeven die
aan
geeft dat u het koppelingspedaal volledig
moet intrappen om de motor weer te laten
starten.
Als de motor automatisch is a
fgezet
(STOP-stand) en de bestuurder zijn
ve
iligheidsgordel losmaakt en een
voorportier opent, dan kan de moto
r
uitsluitend weer met de contactsleutel
wor
den gestart. Er klinkt een geluidssignaal
in combinatie met het knipperen van het
verklikkerlamp
je "S"en, afhankelijk van de
u
itvoering, het weergeven van een melding
op het display.
Dit is volkomen normaal.
Als een versnelling is ingeschakeld, wordt de
motor alleen automatisch weer
gestart als het
koppelin
gspedaal volledig wordt ingetrapt.

45
2
VOORDAT U GAAT RIJDE
N
Starten en stoppen
Uitschakelen
U kunt dit systeem op elk willekeurigmoment uitschakelen door de toets "S OFF"
in te drukken.
Het verklikkerlamp
je in de toets gaat
branden en er verschijnt een bericht op het
display van het instrumentenpaneel om aan
te geven dat het systeem is uitgeschakeld.
Als u het systeem met de motor in de
STOP-stand uitschakelt, dan wordt de
motor direct weer
gestart.
Als u wilt dat de airconditioning continu
bli
jft werken, moet u het Stop & Start-
systeem uitschakelen.
Het verklikkerlamp
je in de toets blijft
branden.
Opnieuw inschakelen
Druk nogmaals op de toets "S - OFF" .
Het systeem is dan opnieuw actief. Het
verklikkerlamp
je in de toets gaat uit en
er wordt een melding weergegeven op
het display van het instrumentenpaneel
om aan te
geven dat het systeem weer is
ingeschakeld.
Storing
Bij een storing in het Stop
& Start-systeem wordt het
systeem uitgeschakeld, gaat het
verklikkerlamp
je Service branden
en wordt er een melding weergegeven op
het display van het instrumentenpaneel.
Laat het s
ysteem controleren door
het PEUGEOT-netwerk of door een
gekwali
ficeerde werkplaats.
Als er in de STOP-stand een storing zou
optreden, kan de motor
gestart worden
door het koppelin
gspedaal volledig in te
trappen o
f door de selectiehendel in de
neutraalstand te zetten.
Onderhoud
Zet het contact altijd met de sleutel
af als u handelin
gen onder de
motorkap wilt verrichten, om letsel door het
automatisch activeren van de START-stand
t
e voorkomen.
Dit s
ysteem heeft specifieke kenmerken
en maakt gebruik van een speciale accu
(raadpleeg voor meer informatie het
PEUGE
OT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats
).
Het
gebruik van een andere dan de door
PEU
GEOT voorgeschreven accu's kan
leiden tot storingen in het systeem.
Raadplee
g het gedeelte "Accu" van rubriek 8.
Het Stop & Start-s
ysteem maakt gebruik
van geavanceerde technologie. Laat
eventuele werkzaamheden uitsluitend door
een officiële PEUGEOT-dealer uitvoeren.

49
3
ERGONOMIE EN COMFOR
T
KOPLAMPEN VERSTELLEN
Pas de stand van de koplampen aan de
belading van de auto aan.
De koplampen kunnen worden versteld als
het dimlicht of het grootlicht is ingeschakeld.
Druk herhaaldelijk op deze
schakelaars op het dashboard
om de koplampen te verstellen.
Een verklikkerlampje op het
display geeft de geselecteerde
stand aan (0, 1, 2, 3).
PARKEERVERLICHTING
De lichten kunnen blijven branden als de
auto geparkeerd staat met afgezet contact,
sleutel in de stand STOP of sleutel uit het
contact verwijderd.
Zet de ring van de lichtschakelaar in de
stand O, vervolgens op dimlicht of grootlicht.
Het verklikkerlampje op het
dashboard gaat branden.
De lichten blijven branden zolang
de auto geparkeerd staat.
Als de verlichting langdurig blijft branden,
kan de laadtoestand van de accu van uw
auto aanzienlijk worden verminderd.
Reizen naar het buitenland
Wanneer u uw auto gaat gebruiken in
een land waarin het verkeer aan de andere
kant van de weg rijdt, moet de afstelling
van de dimlichten worden gewijzigd om te
voorkomen dat te
gemoetkomend verkeer
w
ordt verblind.
Raadplee
g het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Stuurkolomschakelaars