
Autoradio
92
Scrollen
Selecteren
Weergave
Selecteren
Weergave
Selecteren
Weergave
Selecteren
Weergave
Selecteren
Weergave
Functie
AF
Switching
On
AF
Switching
Off Instellen van de gevoeligheid van de automatische
ontvangst van AM radiofrequenties (afstemming):
- On voor het afzoeken van de sterkste zenders.
- Off voor het afzoeken van alle zenders in de
omgeving.
Traffic
information
Off
Traffic
Information
On Ontvangen van verkeersinformatie via de FM1,
FM2, FMA-zender.
TA wordt weergegeven als On is geselecteerd.
Regional
mode Off
Regional
mode On Selecteren van de ontvangst van lokale of regionale
programma's (verschillende programma's per regio):
- Off om de lokale programma's niet te ontvangen.
- On om de lokale programma's te ontvangen.
MP3 display
(als een
MP3-CD is
geplaatst)
Title
Author
Album
Folder
name
File
name
Selecteren van de weergave van het MP3-bestand tijdens
het afspelen (indien ID3-TAG beschikbaar op de CD):
- Title voor de titel van het nummer,
- Author voor de naam van de artiest,
- Album voor de titel van het album,
- Folder name voor de naam van de index (map) van
het huidige nummer,
- File name voor de naam van het bestand.

Bluetooth handsfree systeem
9797
4
TECHNOLOGIE AAN BOOR
D
Het is mogelijk dat u bij het aanzetten van de radio een code
moet invoeren om de radio te kunnen gebruiken.
In dat geval verschijnt de melding " Radio Code
" op het display,
gevolgd door 4 streepjes.
Deze code die bestaat uit 4 cijfers moet worden ingevoerd met
behulp van de toetsen 1 t/m 6.
U heeft 20 seconden de tijd om de code in te voeren.
Als er een onjuiste code wordt ingevoerd, klinkt een
geluidssignaal en verschijnt de melding " Radio blocked/wait
". U
moet de code vervolgens opnieuw invoeren.
Bewaar de code op een veilige plaats buiten de auto.
PINCODE
TELEFOONVOORBEREIDING
Als de handsfree-set in uw auto is gemonteerd, kunt u uw
telefoongesprekken beheren met behulp van de autoradio en de
bediening aan het stuurwiel.
Bij een binnenkomend gesprek wordt de autoradio uitgeschakeld
en verschijnt de melding " PHONE
".
Het volume kan op ieder moment worden ingesteld via het menu
" EXTERNAL AUDIO
".
Steeds als er een onjuiste code wordt ingevoerd, zal de wachttijd
om een nieuwe code in te kunnen voeren geleidelijk toenemen
(1 minuut, 2 minuten, 4 minuten, 8 minuten, 16 minuten,
30 minuten, 1 uur, 2 uur, 4 uur, 8 uur, 16 uur, 24 uur).
De taal van het bluetooth systeem wordt automatisch
gedetecteerd en aangepast aan de taal van uw telefoon.
BLUETOOTH HANDSFREE
SYSTEEM
INTRODUCTIE
Dit systeem biedt de volgende mogelijkheden:
- bellen en gebeld worden via de Bluetooth® verbinding van uw
mobiele telefoon,
- weergeven van de naam van uw contacten en de nummers
van de contactenlijst van uw mobiele telefoon op het display
van het instrumentenpaneel,
- gebruiken van gesproken commando's voor het bellen en het
beheren van uw contacten, zodat u uw handen aan het stuur
kunt houden,
- beluisteren van uw sms-berichten dankzij de in het systeem
ingebouwde spraaksynthese,
- afspelen van audiobestanden (MP3, WMA, AAC, M4A,
MP4 en WAV) via een USB-opslagmedium,
-weergeven van informatie over het muziekstuk dat wordt
afgespeeld op het display van de autoradio (titel, artiest, enz.),
- aansturen van externe apparatuur (zoals een iPod®) via
spraakcommando's,
- opladen van externe apparatuur (zoals een iPod®) via de
USB-aansluiting.
Autoradio

100
Bluetooth handsfree systeem
V
oer wanneer de telefoon hierom verzoektde op het instrumentenpaneel weergegeven
pincode in.
Als het opslaan is gelukt, meldt het systeem dat er verbinding wordt gemaakt.
Als de naam van de geïdentificeerde
telefoon op het display verschijnt, is het
opslaan bevestigd.
"Settings"\wacht tot het
systeem reageert\"Pairing".
Pincode
O
pslaan/koppelen van een mobiele telefoon
Om uw mobiele telefoon aan te sluiten op
het Bluetooth®-systeem van uw auto moet
de tele
foon worden gekoppeld.
U moet eerst de Bluetooth®functie van uw
telefoon activeren en ervoor zor
gen dat deze
zichtbaar is.
MOBIELE TELEFOON MET HANDSFREE FUNCTIE
Zet het contact aan en activeer
het hoofdmenu.
Selecteer SETTINGS.
Bevesti
g.
Selecteer PAIRING.
Bevesti
g.
Deze code, op basis
waarvan uw mobiele telefoonwordt herkend, wordt willekeurig door het systeem
vastgesteld.
De code verschijnt op het
instrumentenpaneel en wordt door de
spraaksynthese van het systeem herhaald.
Deze pincode staat los van uw simkaart en
de toegangscode van uw mobiele telefoon.
Het is niet nodig deze code na het invoeren
te onthouden of ergens te bewaren.
Wanneer u een andere telefoon in gebruik
neemt, dient u deze te koppelen met een
nieuwe door het s
ysteem verstrekte pincode.
Zoek de optie die weer
geeft
dat uw telefoon het Bluetooth®-
systeem heeft gedetecteerd.
Als het systeem is geïdentificeerd,
verschi
jnt een melding op uw
tele
foon (My car, ...). Wanneer u de toets MAIN of E
SC
tijdens het opslaan indrukt, loopt u het
risico dat de procedure wordt
geannuleerd.
Als het opslaan mislukt, verschijnt een
foutmelding. Herhaal in dat geval de
procedure.

11
6
ANTISPINREGELING
(ASR) EN ELEKTRONISCH
STABILITEITSPROGRAMMA (ESP)
Deze systemen staan in verbinding met het
ABS en zijn hier een aanvulling op.
De ASR zorgt voor een optimale overbrenging
van de aandrijfkracht op de weg, zodat wordt
voorkomen dat u tijdens het accelereren de
controle over de auto verliest.
Het systeem past de aandrijfkracht aan om
het doorspinnen van de wielen te voorkomen
via de remmen van de aangedreven wielen
en de motor. Het systeem zorgt ook voor
meer koersstabiliteit bij het accelereren.
Houd als het ESP is ingeschakeld in een
bocht het stuurwiel altijd in de gewenste
richting en stuur niet tegen. Het ESP-systeem grijpt automatisch in
via het remsysteem en de motor als de
koers van de auto afwijkt van de door de
bestuurder gewenste richting.
Uitschakelen van de ASR
In bijzondere omstandigheden (als de auto
vastzit in de modder, sneeuw, in mulle
grond, ...) kan het nuttig zijn het ASR uit te
schakelen, zodat de wielen kunnen slippen
en weer grip kunnen krijgen.
Werking van het ASR- en
ESP-systeem
Het lampje knippert tijdens een ingreep van
de ASR of het ESP. Druk op deze toets.
Het lampje van de toets gaat branden: de
ASR heeft geen invloed meer op de werking
van de motor, maar blijft wel actief via het
remsysteem.
Storing
Bij een storing in de ASR
zal dit verklikkerlampje gaan
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op
het display.
Veiligheid tijdens het rijden

11
7
5
VEILIGHEI
D
Bij een storing in het ESP
zal dit verklikkerlampje gaan
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op
het display.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk om het
systeem na te laten kijken.
Gebruiksvoorschrift
Het ASR-/ESP-systeem zorgt voor meer
veiligheid tijdens het rijden. De bestuurder
mag zich echter nooit laten verleiden tot
het nemen van meer risico's en het te hard
rijden.
De goede werking van het systeem wordt
verzekerd onder voorwaarde dat de
voorschriften van de constructeur op het
gebied van wielen (banden en velgen),
onderdelen van het remsysteem en
elektronische onderdelen worden nageleefd
en dat de procedures voor montage en het
uitvoeren van werkzaamheden door het
PEUGEOT-netwerk worden opgevolgd.
Laat deze systemen na een aanrijding
controleren door het PEUGEOT-netwerk.
Intelligent Traction Control
Systeem dat zorgt voor extra tractie in
situaties met weinig grip (sneeuw, ijzel,
modder...).
Deze functie si
gnaleert situaties met weinig
grip en zorgt ervoor dat u onder deze
omstandi
gheden kunt wegrijden en kunt
bli
jven rijden.
In der
gelijke omstandigheden, neemt de
Intelligent Traction Controlde ASR-functie
over door de aandrijfkracht over te brengen
op het wiel met de meeste
grip, waardoor de
tract
ie en de bestuurbaarheid optimaal zijn.
Inschakelen
Bi
j het starten van de auto is de functie
uitgeschakeld.
Druk op de toets op het dashboard om de
functie in te schakelen; het lamp
je van de
toets
gaat branden.
De
functie blijft actief tot ongeveer 30 km/h.
Zodra u sneller ri
jdt dan 30 km/h, wordt de
functie automatisch uitgeschakeld, maar
bli
jft het lampje branden.
D
e functie wordt automatisch weer
ingeschakeld zodra u weer langzamer dan
30 km
/h rijdt.
Veiligheid tijdens het rijden

12
3
5
VEILIGHEI
D
Airbags
Uitschakelen van de airbag aan
passagierszijde
Raadpleeg in de rubriek 4 het gedeelte
"Mode" en selecteer vervolgens OFF in het
menu "Airbag passagier". In de stand OFF werkt de airbag aan
passagierszijde bij een eventuele aanrijding
niet.
Als u het kinderzitje heeft verwijderd,
selecteer dan ON om de airbag opnieuw
in te schakelen en zo de veiligheid van uw
passagier te garanderen.
Zij-airbags en window-airbags
De zij-airbags (volgens uitvoering) zijn aan
de zijde van de portieren in de rugleuningen
van de voorstoelen aangebracht.
De window-airbags zijn aangebracht in
de stijlen en in de hemelbekleding bij de
voorste zitplaatsen van de cabine.
De window-airbag wordt opgeblazen tussen
de voorpassagier en de zijruit.
De zij- en window-airbags worden
opgeblazen aan de zijde waar de aanrijding
plaatsvindt.
Het verklikkerlampje op
het instrumentenpaneel
brandt zolang de airbag is
uitgeschakeld.
Schakel voor de veiligheid van uw kind de
airbag aan passagierszijde altijd uit als u
een kinderzitje met de rug in de rijrichting op
de voorstoel plaatst. Anders kan een kind bij
het afgaan van de airbag levensgevaarlijk
gewond raken.
Plaats als de passagiersairbag van uw
auto niet kan worden uitgeschakeld geen
kinderzitje op de voorstoel.
Controle uitschakeling
Als de airbag is uitgeschakeld,
gaat elke keer dat de motor
wordt gestart dit verklikkerlampje
branden.
Er verschijnt bovendien
een melding op dit display
(volgens uitvoering).
Controle van werking
Het goed functioneren van het
systeem wordt aangegeven door
dit verklikkerlampje.

142
Controles
Roetfilter (dieselmotor)
Als aanvulling op de katalysator levert dit
filter een actieve bijdrage aan het verbeteren
van de luchtkwaliteit door het tegenhouden
van onverbrande vuildeeltjes. Ook wordt
zwarte uitlaatrook voorkomen.
Dit filter, dat is opgenomen in het
uitlaatsysteem, slaat roetdeeltjes op.
De motormanagementcomputer regelt
automatisch en periodiek de verbranding
van de opgeslagen roetdeeltjes
(regeneratie).
De regeneratie vindt plaats als aan
bepaalde voorwaarden met betrekking tot
het aantal opgeslagen roetdeeltjes en de
gebruiksomstandigheden van de auto wordt
voldaan. Als er een regeneratie plaatsvindt,
kunt u dit merken aan enkele verschijnselen
(een hoger stationair toerental, inschakelen
van de koelventilator, meer rook uit de
uitlaat en hogere temperatuur van de uitlaat)
die geen gevolgen hebben voor de werking
van de auto en het milieu. Nadat u langdurig met lage snelheden
hebt gereden of nadat de motor langdurig
stationair heeft gedraaid, kan het in
uitzonderlijke gevallen voorkomen dat
waterdamp bij de uitlaat zichtbaar is bij het
gas geven. Dit is niet van invloed op de
werking van de auto of het milieu.
Vanwege de hoge uitlaattemperatuur als
gevolg van de normale werking van het
roetfilter is het raadzaam de auto uit de
buurt van brandbaar materiaal (gras, dorre
bladeren, dennenaalden, ...) te parkeren om
brandgevaar te voorkomen.
Verzadiging/regeneratie
Storing
Als deze waarschuwing aanwezig blijft,
negeer deze dan niet. De waarschuwing
duidt op een storing in het uitlaatsysteem/
roetfilter.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk.
Deze waarschuwing wijst op een
beginnende verzadiging van het roetfilter
(veelvuldige stadsritten: lage snelheden,
verkeersopstoppingen…).
Om het filter te regenereren wordt
aangeraden zo spoedig mogelijk, als de
verkeerssituatie en -regels dit toelaten,
gedurende ongeveer 15 minuten met
een snelheid van meer dan 60 km/h en
een toerental hoger dan 2000 t/min te
gaan rijden (tot het lampje uitgaat en de
waarschuwing verdwijnt).
Zet de motor niet af voordat de regeneratie
voltooid is: als de regeneratie vaak wordt
onderbroken, kan de motorolie voortijdig
vervuild raken. Het wordt afgeraden om het
regeneratieproces te voltooien terwijl de
auto stilstaat.
Bij het gevaar van verstopping
van het roetfilter gaat dit lampje
branden in combinatie met een
melding op het display van het
instrumentenpaneel.

14
6
Accu's bevatten stoffen die schadelijk
zijn voor de gezondheid, zoals
zwave
lzuur en lood. Accu's moeten volgens
de wetteli
jke voorschriften worden afgevoerd
en mogen in geen geval bij het huisvuil
t
erechtkomen.
Lever lege batterijen en accu's in bij een
erkend verzamelpunt. Het is raadzaam de minpool
(-) van de
accu los te koppelen als uw auto langer
dan een maand buiten gebruik is.
De beschrijving van de laadprocedure van
de accu dient slechts ter informatie.
W
acht 2 minuten na het uitzetten van het
contact alvorens de accu los te koppelen.
Maak de accupoolklemmen niet los bi
j
draaiende motor.
Laad de accu niet op zonder de accukabels
los te nemen.
Sluit de ruiten en de portieren voordat de
accupoolklemmen worden los
gemaakt.
Wacht na het opnieuw aansluiten van
de accu en het aanzetten van het
contact 1 minuut voor u de auto start,
hierdoor kunnen de elektrische systemen
geïnitialiseerd worden. Raadpleeg, wanneer
hierna toch storingen optreden, het
PEU
GEOT -netwerk.
Nadat de accu lan
gdurig losgekoppeld is
geweest, moeten de volgende functies
ge
ïnitialiseerd worden:
-instellingen van het display (datum, tijd,
taal, a
fstandseenheid en temperatuur),
-voorkeuzezenders autoradio,
-centrale vergrendeling.
Raadpleeg, als bepaalde instellingen van de
auto zijn gewist, het PEU
GEOT-netwerk om
deze o
pnieuw in te stellen.
Als uw auto van een tacho
graaf of een alarm
is voorzien en de auto meer dan 5 da
gen
n
iet gebruikt wordt, is het raadzaam de
minpool
(-) van de accu (aan de linkerzijde
onder de vloer, in de cabine) los te
koppelen.
Druk op de knop 2 en trek vervolgens aan
de stekker 1
om toegang te krijgen tot de
minpool
(-).
Toegang tot de minpool
Accu