
6INDELINGEN
AFSLUITBAAR EN GEKOELD DASHBOARDKASTJE
Het dashboardkastje bestaat uit speci-
ale ruimtes voor het opbergen van een
fl es mineraalwater, de boorddocumen-
tatie van de auto...
In het deksel zijn speciale ruimtes ge-
creëerd voor een pen, een bril, klein-
geld, kaarten, een blikje, ...
Het dashboardkastje wordt ver- en ont-
grendeld bij het ver- en ontgrendelen
van de auto met de afstandsbediening
of de sleutel.
)
Trek de handgreep omhoog om het
dashboardkastje te openen.
De verlichting van het dashboardkastje
treedt in werking zodra het deksel wordt
geopend.
Het dashboardkastje is voorzien van
een luchtstroomopening A
, die kan wor-
den geopend of gesloten. Deze opening
verspreidt dezelfde gekoelde lucht als
de luchtroosters in het interieur.
ZONNEKLEP
De zonneklep kan zowel omlaag als
naar opzij worden geklapt en is voor-
zien van een make-upspiegel met ver-
lichting.
)
Open als het contact aan is het af-
dekkapje. De verlichting van de
make-upspiegel gaat automatisch
branden.
De zonneklep bevat tevens een moge-
lijkheid voor het opbergen van pasjes.
TASHAAK
)
Druk op het onderste gedeelte van
de haak om deze uit te klappen.
)
Hang uw tas er met het hengsel aan
vast.

7
i
!
110
VEILIGHEID
AIRBAGS
De airbags zijn speciaal ontworpen om
de inzittenden te beschermen bij ern-
stige aanrijdingen. De airbags vormen
een aanvulling op de werking van de
veiligheidsgordels met gordelkrachtbe-
grenzers.
De elektronische schoksensoren re-
gistreren in dat geval de frontale en
zijdelingse aanrijdingen waaraan de re-
gistratiezones voor een aanrijding wor-
den blootgesteld:
- bij een ernstige aanrijding worden
de airbags onmiddellijk opgeblazen
en beschermen ze de inzittenden
van de auto; direct na de aanrijding
ontsnapt het gas uit de airbags zo-
dat noch het zicht, noch het even-
tueel verlaten van de auto door de
inzittenden wordt belemmerd,
- bij een minder ernstige aanrijding of
een aanrijding van achteren en in
bepaalde gevallen waarin de auto
over de kop slaat, treden de airbags
niet in werking. De veiligheidsgor-
dels zorgen in deze situaties voor
een afdoende bescherming.
Het activeren van de airbags gaat
gepaard met wat onschadelijke
rook en een knal, als gevolg van
de activering van de pyrotechni-
sche lading die in het systeem is
geïntegreerd.
Deze rook is niet schadelijk, maar
kan voor personen die daar gevoe-
lig voor zijn irriteren.
De knal die bij de ontsteking wordt
geproduceerd, kan het gehoor ge-
durende een korte periode enigs-
zins verminderen.
Airbags vóór
De airbags vóór beschermen de be-
stuurder en voorpassagier bij een ern-
stige frontale aanrijding, om de kans op
hoofd- en borstletsel te verkleinen.
De bestuurdersairbag is geïntegreerd
in het stuurwiel en de passagiersairbag
in het dashboard boven het dashboard-
kastje.
Activering
De airbags worden gelijktijdig opgeblazen,
behalve als de airbag aan passagierszijde
is uitgeschakeld, bij een ernstige frontale
aanrijding binnen (een gedeelte van) de
impactzone vóór (A)
, in de lengterichting
van de auto en vanaf de voorzijde richting
de achterzijde van de auto, die zich op een
horizontale ondergrond moet bevinden.
De airbag vóór wordt opgeblazen tussen
de bestuurder en het stuur of tussen de
passagier voorin en het dashboard om te
verhinderen dat deze naar voren wordt
geslingerd.
Registratiezones voor een
aanrijding
A.
Impactzone vóór.
B.
Impactzone opzij.
De airbags werken alleen als het
contact aan is.
De airbags werken slechts een-
maal. Als er een tweede aanrijding
plaatsvindt (tijdens hetzelfde of
een volgend ongeval), werken de
airbags niet meer.

7
!
113
VEILIGHEID
Houd u aan de volgende
veiligheidsvoorschriften voor
een maximale effectiviteit van de
airbags:
Maak er een gewoonte van om normaal
rechtop in de voorstoelen te zitten.
Draag altijd een correct afgestelde au-
togordel.
Zorg dat er zich niets bevindt tussen
de airbag en de inzittenden (kinderen,
huisdieren, objecten...). Dit kan de
goede werking van de airbag belem-
meren en/of de inzittende bij het op-
blazen van de airbag verwonden.
Laat na een aanrijding of diefstal van uw
auto de airbagsystemen controleren.
Werkzaamheden aan airbagsystemen
mogen uitsluitend door het PEUGEOT-
netwerk of door een gekwalifi ceerde
werkplaats worden uitgevoerd.
Zelfs als alle bovenstaande voor-
schriften worden nageleefd, blijft de
kans bestaan op letsel of lichte brand-
wonden aan het hoofd, de borst of
de armen als de airbag wordt geacti-
veerd. De airbag wordt namelijk zeer
snel opgeblazen (binnen enkele milli-
seconden) en loopt vervolgens even
snel leeg, waarbij de warme gassen
via de daarvoor bestemde openingen
naar buiten stromen.
Airbags vóór
Houd het stuurwiel niet aan de spaken vast en laat uw handen niet op het stuur-
wielkussen rusten.
De voorpassagier mag zijn voeten niet op het dashboard laten rusten.
Het is raadzaam niet te roken in de auto. Als de airbag wordt opgeblazen, kun-
nen brandende sigaretten of een pijp brandwonden of ander letsel veroorza-
ken.
Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen gaten in de stuurwielbekleding en sla
er niet op.
Zij-airbags
Bedek de stoelen uitsluitend met daarvoor goedgekeurde stoelhoezen. Deze
belemmeren het activeren van de zij-airbags niet. Raadpleeg het PEUGEOT-
netwerk voor meer informatie over de voor uw auto geschikte stoelhoezen (zie
hoofdstuk "Praktische informatie - § Accessoires").
Bevestig nooit iets aan de rugleuning van de stoelen, dit zou bij het afgaan van
de airbags kunnen leiden tot verwondingen aan armen of borstkas.
Bevestig nooit iets (bijvoorbeeld een kledingstuk) aan de hoofdsteunen vóór, dit
zou bij het afgaan van de zij-airbags kunnen leiden tot hoofdletsel.
Ga niet onnodig dicht tegen het portierpaneel zitten.

9
!
i
142
ONDERHOUD
NIVEAUS CONTROLEREN
Controleer de onderstaande niveaus
regelmatig en vul indien nodig bij, tenzij
anders aangegeven.
Laat in het geval van een sterk gedaald
niveau het desbetreffende circuit con-
troleren door het PEUGEOT-netwerk of
door een gekwalifi ceerde werkplaats.
Remvloeistofniveau
Motorolieniveau
Het motorolieniveau kan bij aan-
gezet contact worden gecontro-
leerd via de motorolieniveaumeter
op het instrumentenpaneel, of
met de oliepeilstok.
Een handmatige controle van het mo-
torolieniveau is alleen betrouwbaar als
de auto op een vlakke, horizontale on-
dergrond staat en de motor minstens
30 minuten niet heeft gedraaid.
Na het bijvullen zal de olieniveaumeter
op het dashboard bij het aanzetten van
het contact binnen 30 minuten de juiste
waarde aangeven. Het remvloeistofniveau dient zich
zo dicht mogelijk bij het merkteken
"MAXI" te bevinden. Controleer in-
dien dit niet het geval is of de rem-
blokken van uw auto zijn versleten.
Stuurbekrachtigingsvloeistofniveau
Het stuurbekrachtigingsvloeistofniveau dient
zich zo dicht mogelijk bij het merkteken
"MAXI" te bevinden. Draai bij koude motor
de dop open om het niveau te controleren.
Het is normaal om tussen twee on-
derhoudsbeurten olie bij te vullen.
PEUGEOT raadt u aan om elke
5000 kilometer het olieniveau te
controleren en, indien nodig, olie
bij te vullen.
Remvloeistof verversen
Raadpleeg het onderhoudsboekje voor
het voorgeschreven verversingsinter-
val. Als de motor warm is, wordt de tem-
peratuur van de koelvloeistof geregeld
door de koelventilator. Deze kan ook bij
afgezet contact werken.
Bij uitvoeringen voorzien van een
roetfi lter kan de koelventilator bij
afgezet contact nog (gaan) werken,
zelfs bij koude motor.
Wacht bovendien alvorens werkzaam-
heden aan het koelsysteem uit te voe-
ren ten minste 1 uur nadat de motor
gedraaid heeft, omdat het koelsysteem
onder druk staat.
Draai om brandwonden te voorkomen
de dop eerst 2 omwentelingen los om
de druk te laten dalen. Verwijder, als de
druk eenmaal gedaald is, de dop en vul
koelvloeistof bij.
Koelvloeistofniveau
Het koelvloeistofniveau dient zich
zo dicht mogelijk bij het merkte-
ken "MAXI" te bevinden, maar
mag beslist niet hoger zijn.
Koelvloeistof verversen
De koelvloeistof behoeft niet te worden
ververst.
Let bij werkzaamheden onder de
motorkap goed op want bepaalde
delen van de motor kunnen zeer
heet zijn (kans op brandwonden).
Type koelvloeistof
Gebruik de door de fabrikant voorge-
schreven koelvloeistof.
Type remvloeistof
Gebruik de door de fabrikant voorge-
schreven remvloeistof die voldoet aan
de DOT4-norm.
Type motorolie
Gebruik de door de fabrikant aanbevo-
len motorolie voor uw auto en motoruit-
voering.
Olie verversen
Raadpleeg het onderhoudsboekje voor
het verversingsinterval voor uw auto.
Om een verminderde betrouwbaarheid
van de motor en de emissieregeling te
voorkomen, is het gebruik van additie-
ven in de motorolie niet toegestaan.

10
i
151
PRAKTISCHE INFORMATIE
WIEL VERWISSELEN
In het geval van een lekke band kunt u
het wiel met het bij de auto geleverde
gereedschap verwisselen volgens de
onderstaande procedure.
Het gereedschap bevindt zich onder de
vloer van de bagageruimte.
Voer de volgende handelingen uit om
toegang te krijgen tot het gereedschap:
)
sluit het dak,
)
open het kofferdeksel,
)
til de vloerplaat op,
)
zet de vloerplaat in deze positie vast
door de handgreep aan het koffer-
dekselrubber te bevestigen,
)
maak de houder met het gereed-
schap los en verwijder deze. Dit gereedschap is specifi ek voor uw
auto. Gebruik het niet voor andere
doeleinden.
1.
Wielsleutel.
Hiermee kan de wieldop worden
verwijderd en kunnen de wielbou-
ten worden losgedraaid.
2.
Krik met geïntegreerde slinger.
Hiermee kan de auto worden op-
gekrikt.
3.
Gereedschap voor het verwijde-
ren van sierdoppen.
Hiermee kunnen bij lichtmetalen
velgen de sierdoppen van de wiel-
bouten worden verwijderd.
4.
Dop voor het verwijderen van slot-
bouten (in het dashboardkastje).
Hiermee kunnen met behulp van
de wielsleutel de speciale slotbou-
ten worden verwijderd.
Beschikbaar gereedschap
Toegang tot het gereedschap
Wiel met wieldop
Demonteren:
verwijder eerst de wieldop door deze met behulp van de wiel-
sleutel 1
bij de ventielopening los te wippen en vervolgens los te trekken.
Monteren:
plaats de wieldop, begin bij de ventielopening en druk de wieldop
rondom met de hand vast.

10
!
i
160
PRAKTISCHE INFORMATIE
PEUGEOT is niet aansprakelijk
voor kosten die voortvloeien uit sto-
ringen veroorzaakt door het monte-
ren van extra accessoires die niet
door PEUGEOT aanbevolen en
geleverd worden, en niet volgens
de voorschriften van zijn gemon-
teerd. Dit geldt met name als het
gezamenlijke stroomverbruik van
de extra accessoires meer dan 10
milliampère bedraagt.
Montage van elektrische
accessoires
Bij het ontwerp van het elektrische
circuit van uw auto is reeds reke-
ning gehouden met de montage
van zowel de standaarduitrusting
als eventuele opties.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalifi ceerde werkplaats
voordat u andere elektrische voor-
zieningen of accessoires in de auto
monteert of laat monteren.
ZEKERINGEN VERVANGEN
Toegang tot het gereedschap
De tang voor het verwijderen van zeke-
ringen is bevestigd aan de binnenzijde
van het deksel van de zekeringkast
dashboard:
)
draai de schroef een kwart omwen-
teling naar links,
)
trek het deksel aan de rechter bo-
venzijde los,
)
verwijder het deksel volledig en
draai deze om,
)
haal de de tang los van de steun
waarop deze is bevestigd.
Vervangen van een zekering
Voordat u een zekering vervangt, dient u:
)
de oorzaak op te sporen en te (la-
ten) verhelpen,
)
de elektrische verbruikers uit te
schakelen,
)
het contact af te zetten,
)
de defecte zekering op te sporen
aan de hand van de overzichten op
de volgende bladzijden.
Goed
Defect
Tang
Bij het vervangen van een zekering is
het verplicht:
)
de speciale tang te gebruiken om de
zekering uit de zekeringkast te ver-
wijderen en de staat van de draad te
controleren.
)
de defecte zekering altijd te vervan-
gen door een zekering met dezelfde
stroomsterkte (zelfde kleur); een af-
wijkende stroomsterkte kan storin-
gen veroorzaken (kans op brand).
Als de storing zich kort na het vervangen
van een zekering opnieuw voordoet, laat
dan de elektrische uitrusting controleren
door het PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalifi ceerde werkplaats.