
1
34
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
Controlelampje
brandt
Oorzaak
Acties / Opmerkingen
Handrem
permanent. De handrem is
aangetrokken of niet goed
vrijgezet. Zet de handrem vrij zodat het controlelampje
uitgaat; trap het rempedaal in.
Houd u aan de veiligheidsvoorschriften.
Raadpleeg het hoofdstuk "Rijden" voor meer
informatie over de handrem.
Airbag
vóór aan
passagierszijde
permanent op het
display van de
waarschuwingslampjes
voor de
veiligheidsgordels en
de airbag vóór aan
passagierszijde.
De schakelaar op
het dashboard aan
passagierszijde staat in de
stand " ON
".
De airbag vóór aan
passagierszijde is
geactiveerd.
Plaats
in dit geval geen
kinderzitje met de rug in de
rijrichting op de stoel van de
voorpassagier. Als u geen kinderzitje op de stoel van de
voorpassagier wilt plaatsen, is het raadzaam de
airbag vóór aan passagierszijde in te schakelen.
Zet de schakelaar echter altijd in de stand "OFF"
als u een kinderzitje met de rug in de rijrichting
op de stoel van de voorpassagier wilt plaatsen.

1
35
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
Controlelampje
brandt
Oorzaak
Acties / Opmerkingen
Verklikkerlampjes uitgeschakelde functies
De volgende verklikkerlampjes, soms in combinatie met een geluidssignaal, geven aan dat de desbetreffende functie hand-
matig is uitgeschakeld.
Afhankelijk van de uitvoering van het instrumentenpaneel van uw auto wordt het branden van het verklikkerlampje ook
gecombineerd met:
Airbag
vóór aan
passagierszijde
permanent, op het
instrumentenpaneel
en/of op het
display van de
verklikkerlampjes voor
de veiligheidsgordels
en de airbag vóór aan
passagierszijde.
De schakelaar op de zijkant van het
dashboard aan passagierszijde staat
in de stand " OFF
".
De airbag vóór aan passagierszijde is
uitgeschakeld.
U kunt een kinderzitje met de rug in de
rijrichting op de voorpassagiersstoel
plaatsen. Zet de schakelaar in de stand " ON
"
om de airbag vóór aan passagierszijde
in te schakelen. Bevestig in dit geval
op deze zitplaats geen kinderzitje met
de rug in de rijrichting.
ESP/ASR
permanent.
De toets in het midden van het dashboard
wordt ingedrukt. Het bijbehorende
verklikkerlampje gaat branden.
De volgende functies worden
uitgeschakeld:
- ESP (elektronisch
stabiliteitsprogramma),
- ASR (antispinregeling).
Druk opnieuw op de toets om deze functies
weer te activeren. Het verklikkerlampje dooft.
De functies worden automatisch opnieuw
geactiveerd bij snelheden hoger dan
ongeveer 50 km/h (uitgezonderd bij de 1.6
THP 200-benzinemotor).
Deze functies worden automatisch
geactiveerd als de motor wordt gestart.
- een melding op het multifunctionele
display, of
- een pictogram op het centrale display
van het instrumentenpaneel en een
melding op het multifunctionele display,
of
- een pictogram en een melding op
het centrale display van het instru-
mentenpaneel.

1
41
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
Dimmer dashboardverlichting
U kunt de lichtsterkte van de dashboardver-
lichting handmatig aanpassen aan het licht
van de omgeving. De dimmer van de dash-
boardverlichting kan alleen worden gebruikt
als de verlichting van de auto is ingescha-
keld, uitgezonderd de verlichting overdag.
Actief
)
Druk op de knop om de sterkte van
de dashboardverlichting te varië-
ren.
)
Als de verlichting de zwakste stand
heeft bereikt, laat de knop dan los
en druk hem opnieuw in om de ver-
lichting weer feller te maken.
of
)
Als de verlichting de sterkste stand
heeft bereikt, laat de knop dan los
en druk hem opnieuw in om de ver-
lichting weer zwakker te maken.
)
Laat de knop los zodra de gewenste
lichtsterkte is bereikt.
Inactief
De dashboardverlichting kan niet wor-
den ingesteld als de verlichting van de
auto is uitgeschakeld of, bij auto's met
verlichting overdag, in de dagstand
staat.

3
i
i
54
COMFORT
Condensvorming in de airconditio-
ning kan ertoe leiden dat er zich
een klein plasje water onder de
auto vormt. Dit is een normaal ver-
schijnsel.
GEBRUIKSADVIEZEN VOOR DE VENTILATIE EN DE AIRCONDITIONING
Neem voor een optimale werking van de ventilatie en de airconditioning de
volgende gebruiksadviezen in acht:
)
Let erop dat voor een gelijkmatige verdeling van de lucht naar het interi-
eur de uitstroomopening onder de voorruit, de verschillende luchtkanalen,
ventilatieroosters en overige uitstroomopeningen en de ventilatieopening
in de bagageruimte vrij blijven.
)
Let erop dat de zonnesensor op het dashboard niet wordt afgedekt. Deze
sensor dient voor de regeling van de airconditioning.
)
Zet de airconditioning 1 tot 2 keer per maand 5 tot 10 minuten aan om het
systeem in perfecte staat te houden.
)
Controleer regelmatig de staat van het interieurfi lter en laat de fi lterele-
menten periodiek vervangen (zie desbetreffende paragraaf in hoofdstuk
"Controles").
)
Wij raden u een gecombineerd interieurfi lter aan. Dankzij het speciale toe-
gevoegde actieve fi lter draagt het bij tot een gezuiverde lucht voor de in-
zittenden en een schoon interieur (vermindering van allergische reacties,
stank en vetaanslag).
)
Laat de airconditioning regelmatig controleren om het systeem in perfecte
staat te houden.
)
Gebruik de airconditioning niet als deze niet koelt en raadpleeg het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalifi ceerde werkplaats.
Als het dak is weggeklapt, neemt het comfort toe als het windscherm wordt
gebruikt en het "AIRWAVE" systeem wordt ingeschakeld.
Bij een zware belasting van de motor (trekken van een aanhanger op een
steile helling bij een hoge buitentemperatuur) kan de airconditioning tijdelijk
worden uitgeschakeld voor een optimale trekkracht van de motor.
Laat het interieur enkele ogenblik-
ken ventileren als de auto lang in
de zon heeft gestaan en de tem-
peratuur in het interieur zeer hoog
blijft.
Stel de knop voor de luchtop-
brengst zo in dat de lucht in het in-
terieur voldoende ververst wordt.
Het airconditioningssysteem is
chloorvrij en is niet schadelijk voor
de ozonlaag.
Stop & Start-systeem
De verwarming en de airconditioning werken uitsluitend bij draaiende motor.
Als u het thermische comfort in de auto op het door u gewenste niveau wilt
houden, kunt u tijdelijk de functie Stop & Start uitschakelen (zie het hoofdstuk
"Rijden").