Page 87 of 150

105
5
VEILIGHEID
Veiligheidsgordels
De gordelkrachtbegrenzer beperkt de kracht
waarmee de gordel tegen het lichaam van de
inzittenden getrokken wordt.
De oprolautomaten zijn voorzien van een
automatische blokkeerinrichting die in werking
treedt bij een aanrijding, een noodstop of het
over de kop slaan van de auto.
De veiligheidsgordels met pyrotechnische
gordelspanners werken alleen als het contact
aan staat.
U kunt de gordel losmaken door de rode knop
op de gesphouder in te drukken. Geleid de
gordel tijdens het oprollen.
GEBRUIKSVOORSCHRIFT
VEILIGHEIDSGORDELS
De bestuurder dient er vóór het wegrijden
zeker van te zijn dat alle inzittenden hun
veiligheidsgordels op de juiste manier
hebben vastgemaakt.
Zorg ervoor dat alle inzittenden tijdens het
rijden hun veiligheidsgordel dragen, ook al
betreft het een korte rit.
De veiligheidsgordels zijn voorzien van een
oprolautomaat die ervoor zorgt dat de lengte
van de gordel automatisch wordt aangepast
aan uw lichaamsbouw. De gordel wordt
automatisch opgerold als deze niet wordt
gebruikt.
Controleer zowel voor als na het gebruik van
de gordel of deze goed is opgerold.
Controleer na het neerklappen of verplaatsen
van een stoel of de achterbank of de gordel
goed is opgerold en de gordelsluiting zich op
de juiste plaats bevindt.
De gordelspanners van de veiligheidsgordels
vóór kunnen, afhankelijk van de aard en
de kracht van de aanrijding, onafhankelijk
van de airbags afgaan. De gordelspanners
trekken de veiligheidsgordels direct stevig
tegen het lichaam van de inzittenden.
Het afgaan van de gordels gaat gepaard
met een lichte onschadelijke rookvorming en
een geluid als gevolg van de pyrotechnische
lading in het systeem. Als de gordelspanners
zijn geactiveerd, gaat het
verklikkerlampje airbag branden.
Raadpleeg hetnetwerk. Raadpleeg
het PEUGEOT netwerk.
Voor een effectieve werking van de
veiligheidsgordel:
- mag deze door niet meer dan één persoon worden gedragen,
-
moet worden voorkomen dat de gordel gedraaid
raakt en moet de gordel in een vloeiende
beweging naar voren worden getrokken,
- dient deze strak om het lichaam te worden gedragen.
De schoudergordel moet langs het holle gedeelte
van de schouder worden geplaatst.
De heupgordel moet zo laag mogelijk op het
bekken worden geplaatst.
Draai de gespen van de veiligheidsgordels niet
om; de gordels zijn dan niet voldoende effectief. Als de zitplaatsen zijn voorzien van
armsteunen, moet de heupgordel altijd
onder de armsteun door worden geleid.
Controleer of de gordel goed is vastgemaakt
door even aan de riem te trekken.
Voorschriften voor kinderen:
- maak voor kinderen tot 12 jaar of kleiner dan
1,50 m gebruik van een geschikt kinderzitje.
- laat nooit een kind op schoot zitten tijdens het rijden. De veiligheidsgordel mag door
niet meer dan één persoon gedragen
worden.
Raadpleeg voor meer informatie over
kinderzitjes in rubriek 5 het gedeelte
"Kinderen in de auto".
Vanwege de wettelijke veiligheidsvoorschriften
moeten werkzaamheden en controles aan de
veiligheidsgordels worden uitgevoerd door het
netwerk, dat tevens voor de garantie zorgt en
de werkzaamheden volgens de voorschriften
uitvoert.
Laat de veiligheidsgordels van uw auto
regelmatig (ook na een kleine aanrijding)
controleren door het netwerk: de gordels
mogen geen slijtagesporen en scheuren
vertonen en er mogen geen wijzigingen aan de
gordels zijn aangebracht. Reinig de veiligheidsgordels met
zeepsop of een reinigingsmiddel voor
textiel, verkrijgbaar bij het netwerk.
Page 124 of 150

139
SNEL WEER OP WEG
8
Zekering vervangen
ZEKERINGEN DASHBOARD (BESTUURDERSZIJDE)
- Verwijder de schroeven en kantel de zekeringkast omlaag om bij de zekeringen te komen.
Zekering A (Ampère) Functie
12 7,5 Dimlicht rechts
13 7,5 Dimlicht links - Koplampverstelling
31 7,5 Voeding relais
32 10 Interieurverlichting minibus - Alarmknipperlichten
33 15 12 V-aansluiting achter
34 - Niet gebruikt
35 7,5 Achteruitrijlichten - Sensor water in brandstof
36 20 Eenheid portiervergrendeling
37 10 Remlichtschakelaar - Derde remlicht - Instrumentenp aneel
38 10 Relais interieur
39 10 Autoradio - Diagnoseaansluiting - Sirene alarm - Be
dieningspaneel standkachel -
Bedieningspaneel airconditioning - Tachograaf
40 15 Verwarming: achterruit (links), buitenspiegel (best uurderszijde)
41 15 Verwarming: achterruit (rechts), buitenspiegel (pas sagierszijde)
42 7,5 Elektronische eenheid en sensor ABS - Sensor ESP - Remlichtschakelaar
43 30 Motor ruitenwissers vóór
44 20 Aansteker - 12 V-aansluiting vóór
45 7,5 Schakelaars ruitbediening en buitenspiegels (bestuu rderszijde) - Ruitbediening passagierszijde
46 - Niet gebruikt
47 20 Motor ruitbediening bestuurderszijde
48 20 Motor ruitbediening passagierszijde
49 7,5 Regen-/lichtsensor - Autoradio - Motor ruitbedienin
g bestuurderszijde - Alarm -
Schakelaars cockpit
50 7,5 Elektronische eenheid airbags en gordelspanners
51 7,5 Tachograaf - Snelheidsregelaar - Bediening aircondi tioning
52 7,5 Relais interieur
53 7,5 Instrumentenpaneel - Mistachterlicht
Page 126 of 150
141
SNEL WEER OP WEG
8
Zekering vervangen
ZEKERINGEN MOTORRUIMTE
- Verwijder de schroeven en kantel de
zekeringkast omlaag om bij de zekeringen
te komen. Zekering A (Ampère) Functie
1 40 Voeding pomp ABS/ESP
2 50 Elektronische eenheid voorgloeien (diesel)
3 30 Contactslot
4 20 Brander standkachel
5 20 Voedingsrelais standkachel
6 40/60 Motorventilateurgroep (hoge snelheid)
7 40/50 Motorventilateurgroep (lage snelheid)
8 40 Airconditioning
9 20 Pomp ruitensproeiers vóór
10 15 Claxon
11 15 Elektronische eenheid en relais voorgloeien (diesel )
14 7,5 Grootlicht rechts
15 7,5 Grootlicht links
16 7,5 Elektronische eenheid motor
17 10 Elektronische eenheid motor
18 7,5 Elektronische eenheid motor
19 7,5 Compressor airconditioning
20 30 Pomp koplampsproeiers
21 15 Voeding brandstofpomp
22 20 Elektronische eenheid motor
23 30 Voeding elektrokleppen ABS/ESP
24 - Niet gebruikt
30 15 Mistlampen vóór
Page 149 of 150

44
Stuurkolomschakelaars
Selecteren van de functie - ON
Selecteer ON om de
functie in te schakelen.
Dit wordt bevestigd
door een melding op dit
display (volgens uitvoering).
Instellen van een snelheid
Breng uw auto met het gaspedaal op de
gewenste snelheid (4e of 5e versnelling
ingeschakeld).
Beweeg de hendel ongeveer één seconde
omhoog (+) om de snelheid op te slaan.
Laat het gaspedaal geleidelijk los.
De snelheid wordt nu door de auto
gehandhaafd. Hervatten - RES
Verhoog of verlaag de
wagensnelheid geleidelijk naar de
eerder ingestelde snelheid en druk
op RES om deze weer aan te nemen (nadat
bijvoorbeeld het rem- of koppelingspedaal is
ingetrapt).
Het pictogram gaat branden, de
snelheidsregelaar is weer ingeschakeld.Uitschakelen van de functie
Trap het rem- of koppelingspedaal in
of draai de knop in de stand OFF, het
pictogram verdwijnt.
Bij een ingreep van het ESP- of het
ASR-systeem wordt de snelheidsregelaar
tijdelijk uitgeschakeld.
Ingestelde snelheid wijzigen tijdens
de werking van de snelheidsregelaar
U kunt:
- de snelheid in stappen verhogen door de toets steeds kort in te drukken of de
snelheid geleidelijk verhogen door de
schakelaar omhoog te houden (+),
Tijdelijke overschrijding van de
snelheid
Het blijft altijd mogelijk om als de
snelheidsregelaar is ingeschakeld de
ingestelde snelheid te overschrijden door
het gaspedaal in te trappen (bijv. voor het
inhalen van een auto).
- de snelheid geleidelijk verlagen door de
schakelaar omlaag te houden (-).
Page:
< prev 1-8 9-16 17-24