
WAARSCHUWINGSSYMBOLEN
Stuurbekrachtiging
De vloeistof in het reservoir mag het maximum
niveau niet overschrijden. Gebruik uitsluitend de
vloeistof die is aangegeven in de “Vullingstabel”.
Remcircuit
De vloeistof in het reservoir mag het maximum
niveau niet overschrijden. Gebruik uitsluitend de
vloeistof die is aangegeven in de “Vullingstabel”. Katalysator
Parkeer niet boven brandbare materialen. Raad-
pleeg de paragraaf “Voorzorgsmaatregelen voor
het behoud van de emissiereductiesystemen”.
Riemen en poelies
Bewegende delen; niet dichtbij komen met
lichaamsdelen of kledingstukken.
Krik
Raadpleeg het instructieboekje.
Slangen van de airconditioning
Niet openen.
Gas onder hoge druk.
VERBODSSYMBOLEN
Accu
Houd kinderen op afstand. Accu
Niet dichtbij komen met open vuur.
Hitteschilden - riemen - poelies
ventilateur
Niet aanraken.
AIRBAG
Airbag passagierszijde
Plaats geen kinderzitjes op de passagiersstoel
voor.
5

9
Op de volgende pagina’s vindt u alle informatie die u nodig hebt
voor een correct gebruik van de auto.
Binnen enkele minuten kunt u zich vertrouwd maken met de be-
langrijkste bedieningsorganen,controlelampjes en instrumenten
waarmee uw nieuwe auto is uitgerust.
V oor de rijveiligheid is het noodzakelijk ook de daarop volgende
hoofdstukken in dit instructieboekje te raadplegen.
DASHBOARD........................................................................\
....................pag. 10
ALFA ROMEO CODE
........................................................................\
.................11
DIEFSTALALARM
........................................................................\
........................13 CENTRALE PORTIERVERGRENDELING MET AFSTANDSBEDIENING
..15
START-/CONTACTSLOT
........................................................................\
............15
BUITENSPIEGELS
........................................................................\
......................16
PORTIEREN
........................................................................\
.................................17
STUURWIEL
........................................................................\
................................18
ZITPLAATSEN
........................................................................\
.............................18
VEILIGHEIDSGORDELS
........................................................................\
...........18
HENDELS AAN HET STUUR
........................................................................\
...19
INSTRUMENTEN
........................................................................\
........................21
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING VOOR
.......................................................22
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING ACHTER
...................................................22
W AARSCHUWINGSKNIPPERLICHTEN
.........................................................23
MISTLAMPEN VOOR
........................................................................\
................23
MISTACHTERLICHT
........................................................................\
...................23
OPENDAK
........................................................................\
...................................23
KLIMAATREGELING
........................................................................\
.................24
BAGAGERUIMTE
........................................................................\
.......................24
MOTORKAP
........................................................................\
................................25
TA NKEN MET DE ALFA ROMEO 156
...........................................................26
GEREED VOOR VERTREK

10
1Uitstroomopeningen zijkant. 2Luchtroosters voor ontwasemen/ontdooien zijruiten voor. 3Luchtroosters boven aan zijkant. 4Bedieningshendel buiten-
verlichting. 5Snelheidsmeter-kilometerteller. 6Checkpanel. 7Toerenteller. 8Bedieningshendel ruitenwissers voor/achter. 9Brandstofmeter. 10Lucht-
roosters midden. 11Luchtrooster boven. 12Klokje. 13Koelvloeistoftemperatuurmeter. 14Autoradio. 15Airbag passagierszijde. 16Dashboardkastje.
17 Bedieningsorganen voor de verwarming, ventilatie en airconditioning. 18Asbak en aansteker. 19Schakelaar voor waarschuwingsknipperlichten.
20 Temperatuursensor. 21Start-/contactslot. 22Hendel voor stuurwielverstelling. 23Airbag bestuurderszijde en claxon. 24Hendel voor motorkap-
ontgrendeling. 25Bedieningsorganen: verlichting instrumenten, op nul zetten dagteller/weergave buitentemperatuur en koplampve\
rstelling.
fig. 1
DASHBOARD
P4U00001

12
BELANGRIJKOm schade aan de
elektronische schakelingen in de sleutels
te voorkomen, mogen de sleutels niet
aan directe zonnestraling worden blootge-
steld.
BELANGRIJK De codes op de CODE-
card moeten op een veilige plaats worden
opgeborgen, maar niet in de auto. Wij
raden u aan de elektronische code van
de CODE-card altijd bij u te hebben om-
dat deze onmisbaar is voor het uitvoe-
ren van een noodstart.
BELANGRIJK Elke sleutel heeft een
eigen code, die in de regeleenheid van
het systeem moet worden opgeslagen.
Om maximaal zeven nieuwe sleutels op
te slaan, moet u zich wenden tot de Alfa
Romeo-dealer. Hierbij moeten alle in u be-
zit zijnde sleutels, de CODE-card, een
identiteitsbewijs en het kentekenbewijs
worden meegenomen.WERKING (fig. 4)
Iedere keer als u de contactsleutel in
stand STOP zet, schakelt de Alfa Romeo
CODE de functies van de elektronische re-
geleenheid van de motor uit. Als u bij het
starten van de motor de sleutel in stand
MAR draait, dan stuurt de regeleenheid
van de Alfa Romeo CODE een code naar
de regeleenheid van de motor die, als de
code wordt herkend, de blokkering van
de functies opheft.
Als de blokkering is opgeheven, gaat
het controlelampje ( A) op het checkpa-
nel kort knipperen.
Als de code niet wordt herkend, blijft
het Alfa Romeo CODE-controlelampje (A )
samen met het EOBD-waarschuwings-
lampje/storing in inspuitsysteem (B )branden. Volg in dat geval de aanwijzin-
gen op die vermeld staan in de paragraaf
“Alfa Romeo CODE” in het hoofdstuk
“Wegwijs in uw auto”.
P4U00004
fig. 4 Als ongeveer 2 secon-
den na het draaien van
de contactsleutel in
stand MAR, het controlelampje
van de Alfa Romeo CODE (A) op-
nieuw gaat knipperen met een
interval van ongeveer een halve
seconde, betekent dit dat de co-
de van de sleutels niet is opge-
slagen en de auto dus niet door
de Alfa Romeo CODE wordt be-
veiligd tegen eventuele diefstal-
pogingen. Wendt u in dat geval
onmiddellijk tot een Alfa Romeo-
dealer om alle sleutels in het ge-
heugen te laten opslaan.

15
START-/CONTACTSLOT
CONTACTSLOT (fig. 11)
De sleutel kan in één van de volgende
vier standen worden gezet:
– STOP: motor uit, sleutel uitneem-
baar, CODE ingeschakeld en stuurslot ge-
blokkeerd. Enkele elektrische installaties
werken (bijv. waarschuwingsknipperlich-
ten).
– MAR : contact aan. CODE uitgescha-
keld en alle elektrische systemen wor-
den van voedingsspanning voorzien.
– AV V : starten van de motor.
– PARK: motor uit, sleutel uitneem-
baar, CODE ingeschakeld, stuurslot ge-
blokkeerd, parkeerverlichting gaat auto-
matisch branden. BELANGRIJK
Om de sleutel in stand
P ARK te draaien, moet knop ( A) op het
contactslot worden ingedrukt.
fig. 10
P4U00409
fig. 11
HET OP AFSTAND
VER-/ONTGRENDELEN
V AN DE PORTIEREN
Het systeem bestaat uit een ontvanger
in de auto en een in de sleutel inge-
bouwde zender (afstandsbediening) ( B-
fig. 10).
Richt voor het ver-/ontgrendelen van
de portieren de zender in de richting van
de auto, druk op knopje ( A-fig. 10)
en laat het knopje los. Neem bij het verlaten
van de auto altijd de
sleutel uit het contact-
slot, zodat eventuele inzittenden
geen onoordeelkundig gebruik
van de bedieningsorganen kun-
nen maken. Laat kinderen nooit
alleen achter in de auto. Vergeet
niet de handrem aan te trekken
en schakel de eerste versnelling
in bij een helling omhoog of de
achteruit bij een helling omlaag.
P4U00416
Als het start-/contact-
slot is geforceerd (bijv.
bij een poging tot dief-
stal) moet u, voordat u weer met
de auto gaat rijden, de werking
van het slot laten controleren bij
een Alfa Romeo-dealer.

16
STUURSLOT
Inschakelen:
– zet de sleutel in stand STOPof
P ARK, trek de sleutel uit het start-/con-
tactslot en draai het stuur totdat het ver-
grendelt.
Uitschakelen:
– draai het stuur iets heen en weer, ter-
wijl u de sleutel in stand MARdraait.
BUITENSPIEGELS (fig. 13)
Kies één van de twee spiegels met scha-
kelaar (A).
Verstel de gekozen spiegel met knop
(B).
Zet schakelaar ( A) in de middelste ver-
grendelde stand.
SPIEGELS
ACHTERUITKIJKSPIEGEL
(
fig. 12)
De spiegel kan met hendel (A) in twee
standen worden gezet: normaal of anti-
verblindingsstand.
BELANGRIJK Het model van de spie-
gel kan anders zijn als de auto is uitge-
r ust met een autoradio met geïntegreerde
mobiele telefoon en/of inbouwvoorbe-
reiding telepass. Het afgebeelde model is
alleen bedoeld om het afstellen te illustre-
ren.
Ver wijder de sleutel
nooit uit het contactslot
als de auto nog in be-
weging is. Bij de eerste stuur-
uitslag blokkeert het stuur auto-
matisch. Dit geldt in alle gevallen,
ook als de auto gesleept wordt.
P4U00011
fig. 12
P4U00012
fig. 13

18
P4U00019
fig. 20
P4U00020
fig. 21Druk voor de hoogte-instel-
ling van de veiligheidsgordels
voor (fig. 21) knop (A) in
en verplaats de beugel (B ) omhoog of
omlaag totdat hij goed vergrendeld is in
één van de vaste punten.
P4U00018
fig. 19
STUURWIEL
V oor de stuurwielverstelling moet hen-
del (A-fig. 19) worden verplaatst:
Als u de hendel naar het stuur trekt,
wordt het stuurwiel ontgrendeld en kan
het stuur dichterbij of verderaf en om-
hoog of omlaag worden gezet.
Als u de hendel richting het dashboard
duwt, wordt het stuurwiel vergrendeld.
ZITPLAATSEN
Bedieningsknoppen ( fig. 20)voor:
A -Verstelling in lengterichting.
B -Hoogteverstelling.
C -Rugleuning verstellen.
D -Lendensteunverstelling (indien aan-
wezig).
VEILIGHEIDSGORDELS
V erstel de stoelen, het
stuurwiel, enz. alleen als
de auto stilstaat.De hierna beschreven
handelingen moeten
worden uitgevoerd
voordat u vertrekt. Voer deze
handelingen niet uit als de auto
in beweging is.

19
De auto kan zijn voorzien van een
heupgordel voor de zitplaats middenach-
ter (fig. 22). De lengte kan worden af-
gesteld door de gordel in gesp ( A) te ver-
plaatsen. Trek in de richting van de pijl
aan deel (B) om de gordel te verkorten
en aan deel (C) om te verlengen.HENDELS AAN HET
STUUR
HENDEL LINKS (fig. 23)
– Stand A= Richtingaanwijzers
rechts.
– Stand B= Richtingaanwijzers
links.
P4U00021
fig. 22 –T
rek hendel naar het stuur
(stand zonder vergrendeling) =
Grootlichtsignaal.
– Duw hendel richting dashboard
(vergrendelde stand) = Grootlicht.
– Draaiknop (1) op O=Verlichting
uit.
– Draaiknop (1) op
6=Buitenver-
lichting aan.
– Draaiknop (1) op
2=Dimlicht
aan.
P4U00022
fig. 23