
42ZITPLAATSEN
ZITPLAATSEN VOOR
Laat de hendel los en controleer of de
stoel goed geblokkeerd is door hem naar
voren en naar achteren te schuiven.Als de
stoel niet goed geblokkeerd is, kan deze
onverwachts verschuiven, waardoor een
gevaarlijke situatie kan ontstaan.
Hoogteverstelling bestuurdersstoel
Trek, voor het omhoog verplaatsen van
de stoel, de hendel ( B) omhoog. Beweeg
de hendel vervolgens (op en neer), totdat
de gewenste zithoogte is bereikt en laat de
hendel los. Duw, voor het omlaag verplaat-
sen van de stoel, de hendel ( B) omlaag.
Beweeg de hendel vervolgens (op en
neer), totdat de gewenste zithoogte is be-
reikt en laat de hendel los.
BELANGRIJK De hoogte kan alleen
worden ingesteld als u op de bestuurders-
stoel zit.
fig. 22 fig. 23
P4U00048P4U00049
Voer alle afstellingen
van de zitpositie uitslui-
tend uit als de auto stil-
staat.
V erstelling in lengterichting
T rek hendel (A ) omhoog en schuif de
stoel naar voren of naar achteren. Fig. 22:
standaarduitvoering;
Fig. 23: sportstoelen (indien aanwezig);
Fig. 24: sportstoelen met zij-airbags
(indien aanwezig).
BELANGRIJK
Voor het veilig vervoe-
ren van kinderen, is het raadzaam de on-
derstaande aanwijzingen op te volgen:
– Schakel het kinderveiligheidsslot op
beide portieren in.
– Laat een kind nooit alleen achter in
de auto.
– Houdt u aan de geldende wetgeving
ten aanzien van het gebruik van kinder-
zitjes.
Controleer nadat u het
veiligheidsslot bij beide
portieren hebt ingescha-
keld of het slot daadwerkelijk is
ingeschakeld door aan de hand-
greep aan de binnenzijde van de
portieren te trekken.
Schakel dit systeem
altijd in als u kinderen
vervoert.

fig. 26
P4U00051P4U00335
fig. 25
43
Lendensteun van de bestuurders-
stoel verstellen
(indien aanwezig)
Draai aan knop (E) totdat de gewenste
stand is bereikt.
Armsteun in het midden
(fig. 25)
Klap de armsteun voor gebruik omlaag,
zoals aangegeven in de figuur. Stoelverwarming
(fig. 26)
(indien aanwezig)
U kunt de stoelverwarming in- en uit-
schakelen met schakelaar (A ) aan de
binnenzijde van de stoel.
Als de stoelverwarming is ingeschakeld,
gaat lampje ( B) aan de buitenzijde van
de stoel branden.
Rugleuning verstellen
Draai aan knop ( C), totdat de gewenste
stand is bereikt.
Bij sportstoelen die uitgerust zijn met
zij-airbags, kan de rugleuning elektrisch
versteld worden. Druk hiervoor op knop
(D-fig. 24) aan de buitenzijde van de
stoel en laat de knop los als de gewenste
stand is bereikt.
fig. 24
P4U00050

46
HoofdsteunenDe auto is voorzien van twee hoofdsteu-
nen voor de zijzitplaatsen achter. De auto
kan ook zijn uitgerust met een derde
hoofdsteun (optional) voor de middelste
zitplaats achter.
De hoofdsteunen zijn in hoogte verstel-
baar. Voor de hoogteverstelling moet de
hoofdsteun omhoog of omlaag worden
geplaatst en, afhankelijk van de lengte
van de passagier, in één van de standen
worden vergrendeld.
U kunt de hoofdsteunen zonodig verwij-
deren. Ga hiervoor als volgt te werk:
– zet de hoofdsteun geheel omhoog;
–dr uk beide knoppen (A enB-
fig. 34) in en verwijder de hoofdsteun.STUURWIEL
VERSTELLEN
Het stuurwiel is verstelbaar. Het kan
dichterbij of verderaf en omhoog of om-
laag worden gezet.
Ontgrendel hiervoor de hendel (A-fig.
35) door de hendel in de richting van het
stuurwiel te trekken. Zet het stuurwiel in
de gewenste stand en druk de hendel ge-
heel naar voren.
SPIEGELS
VERSTELLEN
ACHTERUITKIJKSPIEGEL
De spiegel is voorzien van een beveili-
gingsmechanisme, waardoor de spiegel
bij een krachtige botsing losschiet. Met
het hendeltje (A-fig. 36) kunt u de
spiegel in twee verschillende standen zet-
ten: normale stand of anti-verblindings-
stand.
BELANGRIJK Het model van de ach-
teruitkijkspiegel kan anders zijn als de
auto is uitgerust met een autoradio met
geïntegreerde mobiele telefoon en/of in-
bouwvoorbereiding telepass. Het afge-
beelde model is alleen bedoeld om het
afstellen te illustreren.
Let erop dat de hoofd-
steun zo is ingesteld dat
de steun het hoofd
steunt en niet de nek. Alleen in
deze positie bieden de steunen
bescherming, wanneer de auto
van achteren aangereden wordt.
fig. 35
P4U00060
fig. 36
P4U00018
V erstel het stuurwiel
alleen als de auto stil-
staat.

48
ELEKTRISCHE
RUITBEDIENING
VOOR
Bestuurderszijde (fig. 40)
Op het sierpaneel van het portier aan
bestuurderszijde zijn de bedieningsscha-
kelaars gemonteerd waarmee u, als de
contactsleutel in stand MAR staat, de
zijruiten bedient:
A - zijruit linksvoor
B - zijruit rechtsvoor.
Druk op de schakelaar om de ruit te
openen. Trek aan de schakelaar om de
r uit te sluiten.
P4U00026
fig. 41 BELANGRIJK
De ruit aan de bestuur-
derszijde kan “automatisch” worden ge-
opend en gesloten. Hiervoor hoeft u de
boven- of onderzijde van de schakelaar
slechts kort te in te drukken, zodat de ruit
geheel opent of sluit: de ruit stopt in de
gewenste stand als u de schakelaar nog-
maals kort aan de boven- of onderzijde in-
drukt.
Passagierszijde
(fig. 41)
Met schakelaar (A) kan de ruit aan de
passagierszijde worden bediend.
De ruit aan de passagierszijde kan
alleen “automatisch” worden geopend.
De werking is gelijk aan de werking van
de ruit aan de bestuurderszijde.
ACHTER
Bedien voor het openen of sluiten van
de zijruiten achter de slinger op de achter-
portieren.
Bij uitvoeringen die zijn voorzien van
elektrische ruitbediening achter zijn de
bedieningsschakelaars gemonteerd op het
portier aan bestuurderszijde en op beide
achterportieren.
Druk, met de contactsleutel in stand
MAR, op de schakelaar om de ruit te
openen of trek aan de schakelaar om de
r uit te sluiten.
P4U00025
fig. 40 Controleer voor en tij-
dens het sluiten van een
ruit altijd of de inzitten-
den niet verwond kunnen wor-
den door de beweging van de
ruit zelf of door in beweging ge-
brachte voorwerpen.

49
Onzorgvuldig gebruik
van de elektrische ruit-
bediening kan gevaarlijk
zijn. Verwijder altijd de sleutel
uit het contact als u de auto ver-
laat, om te voorkomen dat een
onverwachtse inschakeling van
de elektrische ruitbediening ge-
vaar oplevert voor de achterge-
bleven passagiers. Houd de knop
niet ingedrukt als de ruit geheel
geopend of gesloten is.
P4U00028
fig. 43
VEILIGHEIDSGORDELS
ZITPLAATSEN VOOR
EN ZIJZITPLAATSEN ACHTER
De auto is voorzien van driepunts-veilig-
heidsgordels (als optional ook voor de der-
de achterpassagier) met rolautomaat,
waardoor veel bewegingsvrijheid ontstaat.
De veiligheidsgordels voor zijn voorzien
van elektronisch geregelde gordelspan-
ners. De onderste bevestigingspunten
zijn direct met de stoel verbonden, zodat
de bescherming optimaal is in elke stand
van de stoel.
Voor maximale be-
scherming is het raad-
zaam om de rugleuning
van de stoel in een zo recht moge-
lijke stand te plaatsen en de gor-
del zo strak mogelijk om borst en
bekken te dragen. Draag altijd
veiligheidsgordels, zowel voor als
achter in de auto. Rijden zonder
veiligheidsgordels vergroot het
risico op ernstig letsel of een do-
delijke afloop bij een ongeval.
fig. 42
P4U00027
Bestuurdersportier (fig. 42)
Op het sierpaneel van het bestuurders-
portier zijn de volgende bedieningsscha-
kelaars aanwezig:
A - zijruit linksvoor
B - zijruit rechtsvoor
C - zijruit linksachter
D - zijruit rechtsachter
E - uitschakeling bedieningsschake-
laars voor de ruiten achter (als de be-
dieningsschakelaars zijn uitgeschakeld,
staat de schakelaar omhoog; als de
schakelaar opnieuw wordt ingedrukt,
dan kunnen de bedieningsschakelaars
achter weer worden gebruikt. Achterportieren
(fig. 43)
Op het sierpaneel van elk portier be-
vindt zich een bedieningsschakelaar ( A)
voor de ruitbediening van de betreffende
r uit.

50
Leg de gordel om door de onderzijde
van de gordel aan de buitenzijde van de
stoel te pakken, de gordel te geleiden
met de gesp (A-fig. 44) en de gesp
geheel in de sluiting (B-fig. 44) te
drukken.
De gordel is juist bevestigd als de gesp
hoorbaar blokkeert. Druk, om de gordels
los te maken, op knop ( C-fig. 44).
De rolautomaat blokkeert als u de gor-
del snel uittrekt, bij hard remmen of bij
botsingen.
Als de oprolautomaat blokkeert, laat
dan de gordel een stukje teruglopen en
trek de gordel vervolgens weer geleidelijk
uit.
P4U00064
fig. 44 Vi
a de rolautomaat wordt de lengte van
de gordel automatisch aangepast aan het
postuur van de drager, waarbij voldoende
bewegingsruimte overblijft.
Als de auto op een steile helling staat,
kan de rolautomaat blokkeren; dit is een
normaal verschijnsel.
Begeleid de gordel tij-
dens het teruglopen om
te voorkomen dat de
gordelband draait.
HOOGTEVERSTELLING
V AN DE VEILIGHEIDSGORDELS
VOOR
Het bovenste bevestigingspunt van de
veiligheidsgordels voor kan in vijf verschil-
lende standen worden gezet. Hierdoor is
de gordel in hoogte verstelbaar.
Pas de hoogte van de gordel altijd aan
het postuur van de inzittende aan. Dank-
zij deze voorzorgsmaatregel werkt de
gordel beter en is het risico op verwondin-
gen tijdens een botsing geringer.
De gordel is goed afgesteld als hij over
de schouder halverwege tussen nek en
uiteinde van de schouder ligt. Druk om de hoogte te regelen op knop
( A-fig. 45) van de rolautomaat en
schuif gelijktijdig beugel ( B-fig. 45)
in de gewenste stand.
fig. 45
P4U00020
Controleer na het af-
stellen altijd of de beu-
gel goed in één van de
standen is vergrendeld. Laat de
knop (A-fig. 45) los en duw de
beugel naar beneden, zodat de
bevestigingsbeugel blokkeert, als
dit nog niet was gebeurd.

52
ALGEMENE OPMERKINGEN
OVER HET GEBRUIK VAN
VEILIGHEIDSGORDELS
De bestuurder is verplicht zich te hou-
den aan de wettelijke voorschriften met
betrekking tot het verplichte gebruik van
de veiligheidsgordels (en de inzittenden
erop attent te maken).
Bedenk dat achterpas-
sagiers die geen gordel
dragen tijdens een ern-
stig ongeval, niet alleen zelf aan
gevaar worden blootgesteld
maar ook gevaar opleveren voor
de inzittenden voor.
Draag altijd veiligheids-
gordels, zow el voor als
achter in de auto. Rijden
zonder veiligheidsgordels ver-
groot het risico op ernstig letsel
of een dodelijke afloop bij een on-
geval.P4U00068
fig. 49 De gordelband mag niet
gedraaid zijn en moet
goed tegen het lichaam
van de inzittende aanliggen. Het
diagonale gordelgedeelte moet via
het midden van de schouder schuin
over de borst liggen. Het horizon-
tale gordelgedeelte moet over het
bekken en niet over de buik lig-
gen, zodat wordt voorkomen dat
u tijdens een botsing onder de
gordel uitschuift. Draag geen
voorwerpen (sieraden, gespen,
enz.) die een goed aansluiten van
de gordel op het lichaam van de
passagier verhinderen (fig. 49).
Gebruik de gordel niet
voor een kind dat bij een
volwassene op schoot
zit, waarbij de gordel beiden zou
moeten beschermen (fig. 50).
P4U00069
fig. 50 Als de gordel aan een
zware belasting wordt
blootgesteld (bijvoor-
beeld tijdens een ongeval), dan
moet de gordel samen met de ver-
ankeringen, bevestigingspunten en
de eventueel gemonteerde gordel-
spanners worden vervangen. Ook
als de schade niet zichtbaar is, kan
de gordel toch verzwakt zijn.

58
AIRBAGS VOOR EN
ZIJ-AIRBAGS
(indien aanwezig)
De auto is uitgerust met een airbag aan
bestuurderszijde (fig. 56).
AIRBAGS VOOR
Beschrijving en werking
De airbag voor (bestuurder en passagier)
is een veiligheidsvoorziening die onmiddel-
lijk in werking treedt bij een frontale bot-
sing.
De airbag bestaat uit een opblaasbaar
luchtkussen dat in een daarvoor bestemde
r uimte is geplaatst:
– in het midden van het stuurwiel aan
bestuurderszijde;
– een luchtkussen met een groter volu-
me boven het dashboardkastje aan passa-
gierszijde.
De airbag voor (bestuurder en passa-
gier) is een veiligheidsvoorziening die on-
middellijk in werking treedt bij een mid-
delzware frontale botsing.
P4U00076
fig. 57
P4U00077
fig. 58
P4U00406
fig. 59
P4U00075
fig. 56 Als optional kunnen voor bepaalde uit-
voeringen/markten een airbag aan de
passagierszijde ( fig. 57) en zij-airbags
worden geleverd. De zij-airbags zijn ge-
plaatst in de rugleuningen van de voor-
stoelen (side-bags) ( fig. 58) en aan de
zijkanten van de hemelbekleding (head-
bags) ( fig. 59).