Page 310 of 646

Als de motorkap wordt geopend
• Als de motor is uitgezet door het Stop
& Start-systeem en de motorkap
wordt geopend, slaat de motor af en
kan de motor niet worden gestart
door de automatische
motorstartfunctie. Start in dat geval
de motor volgens de normale
startprocedure. (→Blz. 186, blz. 187)
• Als de motorkap wordt gesloten nadat
de motor is gestart terwijl de
motorkap was geopend, werkt het
Stop & Start-systeem niet. Sluit de
motorkap, zet het contact UIT, wacht
ten minste 30 seconden en start
vervolgens de motor.
Airconditioning terwijl de motor door
het Stop & Start-systeem is
uitgeschakeld
Auto's met een automatische
airconditioning: Als de airconditioning in
de automatische modus staat en de
motor is uitgeschakeld door het Stop &
Start-systeem, kan de ventilator met
een lage snelheid gaan draaien om te
voorkomen dat de temperatuur in het
interieur hoger of lager wordt, of kan hij
worden uitgeschakeld.
Schakel het Stop & Start-systeem uit
door de uitschakeltoets van het Stop &
Start-systeem in te drukken om de
prestaties van de airconditioning
voorrang te geven als de auto stilstaat.
• Als de voorruit beslagen is
Schakel de voorruitverwarming in.
(→Blz. 333, blz. 338)
Druk als de voorruit blijft beslaan op
de uitschakeltoets van het Stop &
Start-systeem om het Stop &
Start-systeem uit te schakelen.
• Als het airconditioningsysteem een
onaangename geur verspreidt
– Auto's met een handmatig bediende
airconditioning:
Als de tijd voor uitschakeling bijstilstand is ingesteld op “Extended”
(verlengd), wijzig de instelling dan
in “Standard” (standaard). Als er
een onaangename geur verspreid
wordt terwijl de tijd voor
uitschakeling bij stilstand is
ingesteld op “Standard”
(standaard), druk dan op de
uitschakeltoets voor het Stop &
Start-systeem om het Stop &
Start-systeem te deactiveren.
– Auto's met automatische
airconditioning:
Druk op de uitschakeltoets van het
Stop & Start-systeem om het Stop &
Start-systeem uit te schakelen.
Wijzigen van de tijd voor uitschakeling
bij stilstand bij ingeschakelde
airconditioning
De werkingsduur van het Stop &
Start-systeem als de airconditioning is
ingeschakeld, kan via
van het
multi-informatiedisplay (→blz. 94,
blz. 102) worden gewijzigd. (De
werkingsduur van het Stop &
Start-systeem als de airconditioning is
uitgeschakeld, kan niet worden
gewijzigd.)
Weergeven van de status van het Stop
& Start-systeem
Sinds starten: Geeft de totale tijd weer
die de motor door het Stop &
Start-systeem is uitgeschakeld vanaf het
moment dat de motor werd gestart
totdat de motor werd uitgeschakeld.
Telkens als de motor uitgezet wordt,
wordt dit item gereset.
Meldingen multi-informatiedisplay
In de volgende gevallen kunnen
en
een melding worden weergegeven op
het multi-informatiedisplay.
• Wanneer de motor niet kan worden
uitgeschakeld door het Stop &
Start-systeem
“Press Brake More to Activate”
(trap het rempedaal dieper in om te
activeren)
*
4.5 Gebruik van de ondersteunende systemen
308
Page 392 of 646

8. Druk opofvan de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel en selecteer “Set
Pressure” (stel bandenspanning in).
Houd vervolgens
ingedrukt.
De melding “Setting Tire Pressure
Warning System” (bandenspanning-
swaarschuwingssysteem wordt
ingesteld) wordt weergegeven op het
multi-informatiedisplay en het
waarschuwingslampje lage
bandenspanning knippert 3 keer.
Wanneer de melding verdwijnt, is de
initialisatie voltooid.
Wanneer initialiseren
Voer de initialisatie uit na het op
spanning brengen van de banden. Zorg er
daarnaast voor dat de banden koud zijn
bij de initialisatie en bij het aanpassen
van de bandenspanning.
De initialisatieprocedure
• Als u het contact tijdens de
initialisatie per ongeluk UIT hebt
gezet, dan is het niet noodzakelijk de
initialisatie weer te starten, omdat de
initialisatie automatisch herstart
wordt wanneer het contact de
volgende keer AAN wordt gezet.
• Als u per ongeluk de initialisatie
uitvoert wanneer initialiseren niet
nodig is, breng de banden dan op de
juiste spanning wanneer ze koud zijn
en voer de initialisatie opnieuw uit.Als de initialisatie van het banden-
spanningswaarschuwingssysteem niet
voltooid is
De initialisatie kan worden uitgevoerd in
enkele minuten. In de volgende gevallen
worden de instellingen echter niet
opgeslagen en zal het systeem niet goed
werken. Laat, als herhaalde pogingen de
bandenspanning op te slaan mislukken,
de auto nakijken door een erkende
Toyota-dealer of hersteller/reparateur
of een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige.
• Als de resetknop van het banden-
spanningswaarschuwingssysteem
wordt bediend, gaat het
waarschuwingslampje lage
bandenspanning niet 3 keer
knipperen.
• Nadat er na de initialisatie gedurende
een bepaalde tijd gereden is, gaat het
waarschuwingslampje branden nadat
het gedurende 1 minuut heeft
geknipperd.
WAARSCHUWING!
Bij het initialiseren van het banden-
spanningswaarschuwingssysteem
Initialiseer het bandenspannings-
waarschuwingssysteem niet voordat de
banden op de voorgeschreven
spanning zijn gebracht. Anders kan het
voorkomen dat het
waarschuwingslampje voor de lage
bandenspanning niet gaat branden
terwijl de bandenspanning te laag is, of
wel gaat branden terwijl de
bandenspanning in orde is.
Registreren van identificatiecodes
(auto's met bandenspanning-
swaarschuwingssysteem)
Elke bandenspanningssensor en -zender is
voorzien van een unieke identificatiecode.
Naast de set identificatiecodes van de
sensoren van het bandenspannings-
waarschuwingssysteem die al bij de auto is
6.3 Zelf uit te voeren onderhoud
390
Page 480 of 646

Functie*1Standaardin-
stellingPersoonlijke
voorkeursin-
stellingABC
BrandstofverbruikHet gemiddelde
brandstofver-
bruik sinds star-
tenHet gemiddelde
brandstofver-
bruik sinds de
functie is gereset–O–
Rij-informatie-items (eerste
item)AfstandGemiddelde rij-
snelheid
–O–
Totale tijd
Rij-informatie-items (tweede
item)Totale tijdGemiddelde rij-
snelheid
–O–
Afstand
Informatie-items TRIP A AfstandGemiddelde rij-
snelheid
–O–
Totale tijd
Informatie-items TRIP BGemiddelde rij-
snelheidAfstand
–O–
Totale tijd
Pop-updisplay Aan Uit – O –
Helderheid instrumentenpa-
neel aanpassenStandaardInstelling gebrui-
ker–O–
Comfortvoorzieningen (sug-
gestiefunctie)AanAan (bij stil-
staande auto)
O–O
Uit
*1Voor meer informatie over elke functie:→blz. 102
*2De standaardinstelling verschilt per land.
*3De beschikbare talen kunnen per regio verschillend zijn.
*4Het in- of uitschakelen van de widget kan worden gewijzigd.
*5De instelling kan afhankelijk van het op dat moment geselecteerde type
instrumentenpaneel mogelijk niet worden gewijzigd.
Portiervergrendeling (→blz. 114, blz. 451)
FunctieStandaardin-
stellingPersoonlijke
voorkeursin-
stellingABC
Ontgrendelen met de sleutelAlle portieren in
één keer ont-
grendelenStap 1: bestuur-
dersportier ont-
grendelen, stap
2: alle portieren
ontgrendelen––O
Functie koppeling van rijsnel-
heid aan portiervergrende-
lingAan Uit O – O
Functie koppeling van stand
selectiehendel aan portier-
vergrendeling
*1Uit Aan O – O
8.2 Persoonlijke voorkeursinstellingen
478
Page:
< prev 1-8 9-16 17-24