
– Display van binnenkomende
oproepen van het handsfree-
systeem (indien aanwezig)
– Bediening audio (indien aanwezig)
– Bediening volume (indien aanwezig)
– Spraakbediening (indien aanwezig)
– Duur Stop & Start-systeem (indien
aanwezig)
– Status Stop & Start-systeem (indien
aanwezig)
• “MID OFF” (MID uit)
Er wordt een leeg scherm
weergegeven
• “Default Settings” (standaardinst.)
Hiermee kunnen de instellingen van
de weergave van het
instrumentenpaneel worden gereset.
Onderbreking van de weergave van de
instellingen
• In de volgende situaties wordt de
bediening van het instellingendisplay
tijdelijk uitgeschakeld.
– Wanneer er een
waarschuwingsmelding op het
multi-informatiedisplay verschijnt.
– Wanneer de auto begint te rijden
• Instellingen voor functies waarmee de
auto niet is uitgerust, worden niet
weergegeven.
• Als een functie is uitgeschakeld,
kunnen de instellingen voor de
desbetreffende functie niet worden
geselecteerd.
WAARSCHUWING!
Waarschuwing bij het instellen van
het display
Aangezien de motor tijdens het
instellen van het display moet draaien,
dient de auto te worden geparkeerd op
een plaats met voldoende ventilatie. In
een afgesloten ruimte, zoals een
garage, kunnen uitlaatgassen die het
schadelijke koolmonoxide (CO)
bevatten, zich ophopen en in de auto
WAARSCHUWING!(Vervolg)
terechtkomen. Dit kan leiden tot de
dood of zeer schadelijk zijn voor de
gezondheid.
OPMERKING
Tijdens het instellen van het display
Zorg ervoor dat de motor draait tijdens
het instellen van het display om te
voorkomen dat de accu leeg raakt.
Weergave waarschuwingsmelding
Hiermee kunnen
waarschuwingsmeldingen en te nemen
maatregelen worden weergegeven als
een storing wordt gesignaleerd.
(→Blz. 427)
Comfortvoorzieningen
(suggestiefunctie)
Hiermee worden suggesties voor de
bestuurder weergegeven in de
onderstaande situaties. U kunt een
reactie op de weergegeven suggestie
selecteren met behulp van de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel.
Suggestie om de koplampen uit te
schakelen
Als de koplampen nog enige tijd blijven
ingeschakeld nadat het contact UIT is
gezet, verschijnt een melding van de
suggestiefunctie.
Wanneer de lichtschakelaar in de stand
AUTO staat: De melding met de vraag of u
de koplampen wilt uitschakelen wordt
weergegeven. Selecteer “Yes” ( ja) om de
koplampen uit te schakelen.
Als het bestuurdersportier wordt
geopend nadat het contact UIT is gezet,
wordt deze melding van de
suggestiefunctie niet weergegeven.
2.1 Instrumentenpaneel
97
2
Voertuigstatusinformatie en controlelampjes

LCD-scherm
Op het scherm kunnen kleine vlekjes of
lichte puntjes verschijnen. Dit
verschijnsel is kenmerkend voor
LCD-schermen en u kunt het scherm
zonder problemen blijven gebruiken.
WAARSCHUWING!
Waarschuwingen voor het gebruik
tijdens het rijden
• Wanneer u het multi-
informatiedisplay tijdens het rijden
bedient, let dan extra goed op de
veiligheid rondom de auto.
• Kijk tijdens het rijden niet
voortdurend op het multi-
informatiedisplay, aangezien u
anders voetgangers, objecten op de
weg, enz. over het hoofd kunt zien.
Informatiedisplay bij lage
temperaturen
→Blz. 87
Bedieningstoetsen instrumentenpaneel
A/: Van scherm veranderen en
verplaatsen van de cursor
/: De weergegeven informatie
wijzigen en omhoog/omlaag door het
scherm scrollen
BIndrukken: Invoeren/instellen
Ingedrukt houden: Resetten/
weergeven van de aan de
persoonlijke voorkeur aanpasbare
items, weergeven van de cursor
CTerugkeren naar het vorige scherm
DWeergeven van verzonden/
ontvangen oproepen en
oproepgeschiedenis
Wanneer het handsfree-systeem is
aangesloten, worden de verzonden en
ontvangen oproepen weergegeven.
Raadpleeg de handleiding voor het
multimediasysteem voor meer informatie
over het handsfree-systeem.
Wijzigen van de weergave
Het multi-informatiedisplay wordt
bediend met de bedieningstoetsen van
het instrumentenpaneel.
Wijzigen van de instelling van het type
instrumentenpaneel
Het type instrumentenpaneel kan worden
gewijzigd met
.(→Blz. 102)
Wijzigen van het scherm
Selecteer items uit de combinatie van de
3 schermen om ze weer te geven op de
3 informatiedisplayzones. Druk op
ofvan de bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel om door het scherm
te scrollen.
2.1 Instrumentenpaneel
99
2
Voertuigstatusinformatie en controlelampjes

Wijzigen van de weergegeven informatie
Hiermee kunnen de items die in elk van
de informatiedisplayzones
(links/midden/rechts) worden
weergegeven, worden gewijzigd.
1. Houd
ingedrukt om de cursor
weer te geven in de
informatiedisplayzone (midden).
2. Druk op
ofom de cursor te
verplaatsen en de
informatiedisplayzone te selecteren.
3. Druk op
ofom de weer te
geven items te selecteren.
Items weergegeven in de
informatiedisplayzone
Selecteer de in de informatiedisplayzone
(links/rechts) weer te geven items.
1. Houd
ingedrukt om de cursor
weer te geven in de
informatiedisplayzone (midden).
2. Druk op
ofom de cursor te
verplaatsen en de
informatiedisplayzone te selecteren.
3. Informatiedisplayzone (links): Druk op
om de lijst van items weer te
geven. Informatiedisplayzone
(rechts): Druk op
om de lijst van
items weer te geven.
4. Druk op
ofom de weer te
geven items te selecteren.
5. Druk op
om de weergave van
items in te schakelen/uit te schakelen.
WAARSCHUWING!
Waarschuwingen voor het gebruik
tijdens het rijden
Probeer uit veiligheidsoverwegingen
tijdens het rijden de bedieningstoetsen
van het instrumentenpaneel zo min
mogelijk te bedienen en blijf tijdens het
rijden niet continu naar het
multi-informatiedisplay kijken. Breng
de auto tot stilstand en bedien de
bedieningstoetsen van het
WAARSCHUWING!(Vervolg)
instrumentenpaneel. Als u dat niet
doet, kunt u een stuurfout maken,
waardoor een ongeval kan ontstaan.
Brandstofverbruik
AGemiddeld brandstofverbruik
Geeft het gemiddelde
brandstofverbruik weer sinds de
functie is gereset of het gemiddelde
brandstofverbruik sinds starten of
tanken.
*1,2,3Het gemiddelde
brandstofverbruik dat wordt
geselecteerd via “Fuel Economy”
(brandstofverbruik) op het scherm
wordt weergegeven.
BActueel brandstofverbruik
Geeft het actuele brandstofverbruik
weer.
*1Gebruik het weergegeven
brandstofverbruik slechts ter referentie.
*2Het gemiddelde brandstofverbruik
sinds starten wordt telkens wanneer de
motor wordt afgezet gereset.
*3Het gemiddelde brandstofverbruik
sinds het resetten van de functie kan
worden gereset door
ingedrukt te
houden.
2.1 Instrumentenpaneel
100

Weergave rij-informatie
Rij-informatie
2 items die worden geselecteerd met
behulp van de instelling van de “Drive
Info Items” (items rij-info) (gemiddelde
rijsnelheid en afstand) kunnen verticaal
worden weergegeven.
Gebruik de weergegeven informatie
slechts ter referentie.
• “Average Speed” (gemiddelde
rijsnelheid): Geeft de gemiddelde
rijsnelheid sinds het starten van de
motor weer
*
• “Distance” (afstand): Geeft de
gereden afstand sinds het starten van
de motor weer
*
• “Total Time” (totale tijd): Geeft de
verstreken tijd sinds het starten van
de motor weer
*
*
Deze items worden telkens wanneer de
motor wordt uitgeschakeld gereset.
Ritinformatie
2 items die worden geselecteerd met
behulp van de instelling van de “TRIP A
Items” (items rit A) of “TRIP B Items”
(items rit B) (gemiddelde rijsnelheid en
afstand) kunnen verticaal worden
weergegeven.
Gebruik de weergegeven informatie
slechts ter referentie.
• “Average Speed” (gemiddelde
rijsnelheid): Geeft de gemiddelde
rijsnelheid sinds het resetten van de
weergave weer
*
• “Distance” (afstand): Geeft de
afgelegde afstand sinds het resetten
van het display weer
*
• “Total Time” (totale tijd): Geeft de
verstreken tijd sinds het resetten van
het display weer
*
*
Geef om te resetten het gewenste item
weer en houdingedrukt.Weergave AWD-systeem
(AWD-uitvoeringen)
AWeergave koppelverdeling
Geeft de status van de aandrijving
van elk wiel weer in 6 stappen van
0 tot 5.
De getoonde afbeelding dient slechts
als voorbeeld en verschilt mogelijk
van het werkelijke beeld op het
multi-informatiedisplay.
Weergave instellingen
De voertuiginstellingen en de op het
scherm weergegeven informatie kunnen
worden gewijzigd met behulp van de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel.
Instellen
1. Houd
ingedrukt om de cursor
weer te geven in de
informatiedisplayzone (midden).
2. Druk met de cursor in de
informatiedisplayzone (midden) op
ofomte selecteren en druk
vervolgens op.
3. Druk op
ofvan de
bedieningstoetsen van het
instrumentenpaneel en verplaats de
cursor om het item te selecteren voor
het veranderen van de instellingen.
Als de functie wordt in- en
uitgeschakeld of als het volume, enz.
wordt gewijzigd op het instelscherm,
wordt de instelling, telkens wanneer
op
wordt gedrukt, gewijzigd. Het
instelscherm wordt weergegeven
door
ingedrukt te houden en
2.1 Instrumentenpaneel
102

Instellingen
• “Language” (taal)
Hiermee kunt u de taal op het
multi-informatiedisplay wijzigen.
• “Units” (eenheden)
Hiermee kan de eenheid voor het
brandstofverbruik worden gewijzigd.
• Meter Type (type
instrumentenpaneel)
Hiermee kan het type
instrumentenpaneel worden
gewijzigd.
• Meter Style (stijl instrumentenpaneel)
Hiermee kan de stijl van het
instrumentenpaneel worden
gewijzigd.
• Dial Type (type meter)
Hiermee kan het type meter worden
gewijzigd. (→Blz. 84)
•
(ECO-controlelampje)
(→blz. 101)
Hiermee kunt u het ECO-
controlelampje in- en uitschakelen.
• Fuel Economy (brandstofverbruik)
Hiermee kunt u de weergave van het
brandstofverbruik wijzigen.
(→Blz. 100)
• Drive Info (rij-informatie)
Hiermee kunt u de weergegeven items
van de rij-informatie wijzigen.
(→Blz. 102)
• “Pop-Up Display” (pop-updisplay)
Hiermee kunt u de pop-updisplays in-
of uitschakelen. Deze displays kunnen
in bepaalde situaties verschijnen.
• “Default” (Standaard)
Hiermee kunnen de instellingen van
de weergave van het
instrumentenpaneel worden gereset.
Helderheid van de
instrumentenverlichting (dagmodus en
nachtmodus)
De helderheid van de
instrumentenverlichting kan afzonderlijk
worden ingesteld.In de volgende gevallen wisselen de
tellers tussen dagmodus en nachtmodus.
• Dagmodus: Wanneer de achterlichten
zijn uitgeschakeld of wanneer de
achterlichten zijn ingeschakeld, maar
de omgeving licht is
• Nachtmodus: Wanneer de
achterlichten zijn ingeschakeld en de
omgeving donker is
Onderbreking van de weergave van de
instellingen
• In de volgende situaties wordt de
bediening van het instellingendisplay
tijdelijk uitgeschakeld.
– Wanneer er een
waarschuwingsmelding op het
multi-informatiedisplay verschijnt.
– Wanneer de auto begint te rijden
• Bepaalde instellingen kunnen niet
gewijzigd worden tijdens het rijden.
Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand voordat u instellingen
wijzigt.
• Als er een waarschuwingsmelding
wordt weergegeven, kan het
instelscherm tijdelijk niet worden
bediend.
WAARSCHUWING!
Waarschuwing bij het instellen van
het display
Aangezien de motor tijdens het
instellen van het display moet draaien,
dient de auto te worden geparkeerd op
een plaats met voldoende ventilatie. In
een afgesloten ruimte, zoals een
garage, kunnen uitlaatgassen die het
schadelijke koolmonoxide (CO)
bevatten, zich ophopen en in de auto
terechtkomen. Dit kan leiden tot de
dood of zeer schadelijk zijn voor de
gezondheid.
2.1 Instrumentenpaneel
105
2
Voertuigstatusinformatie en controlelampjes

AResetten van de verbruiksgegevens
BHet brandstofverbruik gedurende de
laatste 15 minuten
CActueel brandstofverbruik
DDe gemiddelde rijsnelheid sinds het
starten van de motor.
ERitafstand
FDe verstreken tijd sinds het starten
van de motor.
Scherm “History” (geschiedenis)
Als een ander scherm dan “History”
(geschiedenis) wordt weergegeven,
selecteer dan “History” (geschiedenis).
Het weergegeven gemiddelde
brandstofverbruik is een globale waarde.
Sommige schermen kunnen afwijken
afhankelijk van het type
multimedia-display.
De afbeelding is slechts een voorbeeld en
kan afwijken van de werkelijke situatie.
ARecent brandstofverbruik
BHet laagste gemeten
brandstofverbruik
CHet vorige gemeten
brandstofverbruik
DDe gegevens uit de geschiedenis
resetten
EHet recente brandstofverbruik
bijwerken
De gegevens uit de geschiedenis
bijwerken
Werk het recente brandstofverbruik bij
door op “Update” (updaten) te drukken
om het actuele brandstofverbruik
opnieuw te meten.
De gegevens resetten
De verbruiksgegevens kunnen worden
gewist door op “Clear data” (gegevens
wissen) te drukken.
Ritafstand
Geeft de geschatte maximale afstand aan
die nog met de in de tank aanwezige
brandstof kan worden gereden.
Deze afstand wordt berekend op basis
van het gemiddelde brandstofverbruik.
Hierdoor kan de werkelijke afstand die
nog kan worden gereden, afwijken van de
weergegeven afstand.
2.1 Instrumentenpaneel
107
2
Voertuigstatusinformatie en controlelampjes

WAARSCHUWING!(Vervolg)
een lichaamsdeel van een kind of een
andere passagier klem komt te zitten
tussen de zijruit, het schuifdak of het
panoramadak.
Van binnenuit ontgrendelen en
vergrendelen van de portieren
Gebruik van de schakelaar van de
centrale vergrendeling
1. Vergrendelen van alle portieren
2. Ontgrendelen van alle portieren
Gebruik van de vergrendelknoppen aan
de binnenzijde van de portieren
1. Vergrendelen van het portier
2. Ontgrendelen van het portier
De voorportieren kunnen worden
geopend door aan de portiergrepen
aan de binnenzijde te trekken, ook al
staan de vergrendelknoppen in de
stand vergrendeld.Vergrendelen van de voorportieren van
buitenaf zonder gebruik te maken van
een sleutel
1. Zet de vergrendelknop aan de
binnenzijde in de vergrendelde stand.
2. Sluit het portier met de portiergreep
uitgetrokken.
Auto's zonder Smart entry-systeem en
startknop
Het portier kan niet worden vergrendeld
als de sleutel zich in het contactslot
bevindt.
Auto's met Smart entry-systeem en
startknop
Het portier kan niet worden vergrendeld
als het contact in stand ACC of AAN staat,
of als de elektronische sleutel zich in de
auto bevindt.
Afhankelijk van de positie van de elektroni-
sche sleutel, wordt de sleutel mogelijk niet
door het systeem gesignaleerd, waardoor
het portier wellicht vergrendeld wordt.
Waarschuwingszoemer open
portier/achterklep
Als de rijsnelheid 5 km/h wordt, klinkt er
een zoemer om aan te geven dat een
portier of de achterklep niet goed is
gesloten. Het geopende portier of de
openstaande achterklep wordt
weergegeven op het
multi-informatiedisplay.
Wanneer alle portieren zijn vergrendeld
met de instapfunctie (auto's met Smart
entry-systeem, startknop en
instapfunctie), afstandsbediening of
sleutel
• De portieren kunnen niet met de
schakelaar centrale vergrendeling
worden ontgrendeld.
• De schakelaar centrale vergrendeling
kan worden gereset door
ontgrendeling van alle portieren met
de instapfunctie (auto's met Smart
entry-systeem, startknop en
instapfunctie), afstandsbediening of
sleutel.
3.2 Openen, sluiten en vergrendelen van de portieren
119
3
Voordat u gaat rijden

OPMERKING(Vervolg)
• Breng geen lak aan op de
achterbumper.
• Deactiveer de handsfree elektrisch
bedienbare achterklep als er op de
elektrisch bedienbare achterklep een
fietsendrager of een vergelijkbaar
zwaar onderdeel gemonteerd is.
(→Blz. 94)
Wijzigen van instellingen van de
elektrisch bedienbare achterklep
(auto's met elektrisch bedienbare
achterklep)
De instellingen van het systeem van de
elektrisch bedienbare achterklep kunnen
worden gewijzigd door het scherm
“Vehicle Settings” (voertuiginstellingen)
- PBD weer te geven via het scherm
van het multi-informatiedisplay.
(→Blz. 94)
De gewijzigde instellingen van de
elektrisch bedienbare achterklep worden
niet gereset door het UIT zetten van het
contact. Om de oorspronkelijke
instellingen te herstellen, moeten deze
worden teruggezet op het scherm
van
het multi-informatiedisplay.
Aanpassing van de geopende positie
van de achterklep (auto's met
elektrisch bedienbare achterklep)
De geopende positie van de elektrisch
bedienbare achterklep kan worden
aangepast.
1. Stopt de beweging van de achterklep
in de gewenste positie. (→Blz. 125)
2. Houd de schakelaar van de elektrisch
bedienbare achterklep op de
achterklep gedurende ongeveer
2 seconden ingedrukt.
Wanneer het instellen is voltooid,
klinkt de zoemer 4 maal.
Wanneer de volgende keer de
achterklep wordt geopend, stopt deze
in die positie.Uitschakeling van de aangepaste
geopende positie van de achterklep
Houd de schakelaar van de elektrisch
bedienbare achterklep op de achterklep
gedurende ongeveer 7 seconden
ingedrukt.
Nadat de zoemer 4 maal heeft geklonken,
klinkt hij nog eens tweemaal. Wanneer de
elektrisch bedienbare achterklep de
volgende keer wordt geopend, wordt de
achterklep geopend tot de oorspronkelijk
ingestelde positie.
Persoonlijke voorkeursinstellingen
De openingspositie kan worden ingesteld
met het multi-informatiedisplay.
(→Blz. 94)
Prioriteit voor de stoppositie kan worden
gegeven aan de laatst ingestelde positie
door middel van hetzij de schakelaar
elektrisch bedienbare achterklep op de
achterklep hetzij via het
multi-informatiedisplay.
3.2 Openen, sluiten en vergrendelen van de portieren
134