
Voorwaarden voor het stoppen van de
werking van de Parking Support
Brake-functie (voor voertuigen die
achterlangs rijden)
De werking van de functie stopt als aan
één van de volgende voorwaarden wordt
voldaan:
• Begrenzingsregeling motorvermogen
– De Parking Support Brake is
uitgeschakeld.
– De aanrijding kan worden
voorkomen met normaal remmen.
– Er nadert niet langer een auto van
rechts of links achter de auto.
• Remfunctieregelsysteem
– De Parking Support Brake is
uitgeschakeld.
– Er zijn ongeveer 2 seconden
verstreken nadat de auto door de
remregeling tot stilstand is
gebracht.
– Het rempedaal wordt ingetrapt
nadat de auto tot stilstand is
gebracht door de remregeling.
– Er nadert niet langer een auto van
rechts of links achter de auto.
Detectiegebied van de Parking Support
Brake-functie (voor voertuigen die
achterlangs rijden)
Het detectiegebied van de Parking
Support Brake-functie (voor voertuigen
die achterlangs rijden) verschilt van dat
van de RCTA (→blz. 292). Daardoor
wordt de Parking Support Brake-functie
(voor voertuigen die achterlangs rijden)
mogelijk niet geactiveerd, ook al
signaleert de RCTA een auto en wordt er
een waarschuwing gegeven.
Situaties waarin het systeem mogelijk
niet goed werkt
→Blz. 293
Situaties waarin het systeem mogelijk
werkt, zelfs als er geen kans op een
aanrijding is
→Blz. 2954.5.15 Stop & Start-systeem*
*Indien aanwezig
Het Stop & Start-systeem schakelt de
motor uit en start deze weer
overeenkomstig de bediening van het
rempedaal (auto's met Multidrive CVT) of
koppelingspedaal (auto's met
handgeschakelde transmissie) of de
selectiehendel als de auto tot stilstand
wordt gebracht, bijvoorbeeld bij een
verkeerslicht of kruising, om het
brandstofverbruik te verlagen en geluid
door een stationair draaiende motor te
voorkomen.
Werking Stop & Start-systeem
Uitzetten van de motor
Auto's met Multidrive CVT
Trap, terwijl u met de selectiehendel in
stand D rijdt, het rempedaal in en breng
de auto tot stilstand. De motor wordt
automatisch uitgezet.
Als de motor uitgezet wordt, gaat het
controlelampje van het Stop &
Start-systeem branden.
Auto's met handgeschakelde transmissie
1. Trap het koppelingspedaal geheel in
en trap het rempedaal in om de auto
tot stilstand te brengen.
2. Zet de selectiehendel in de
neutraalstand en laat het
koppelingspedaal los. De motor wordt
automatisch uitgezet.
Wanneer de motor is uitgeschakeld
door het Stop & Start-systeem, gaat
4.5 Gebruik van de ondersteunende systemen
304

Ty p e B
4. Draai het sleepoog stevig vast met
behulp van een wielmoersleutel of
een stevige metalen stang.
Ty p e A
Ty p e B
5. Maak de kabel of de ketting goed vast
aan het sleepoog.
Pas op dat u de carrosserie niet
beschadigt.
6. Stap in de weg te slepen auto en start
de motor.
Schakel de Parking Support
Brake-functie uit (indien aanwezig):
→blz. 296Zet, als de motor niet start, het
contact AAN.
Auto's met Stop & Start-systeem: Zet
het contact eenmaal UIT en start
vervolgens de motor alvorens de auto
te slepen.
7. Zet de selectiehendel in stand N en
deactiveer de parkeerrem.
Schakel de automatische modus uit.
(→Blz. 205)
Auto's met automatische transmissie
of Multidrive CVT: Als de
selectiehendel niet in een andere
stand kan worden gezet:→blz. 193,
blz. 197
Tijdens het slepen
Als de motor niet draait, werken de rem-
en stuurbekrachtiging niet. Hierdoor
zullen het remmen en sturen veel
zwaarder gaan dan normaal.
Wielmoersleutel (indien aanwezig)
• Auto's zonder reservewiel: De
wielmoersleutel bevindt zich in de
bagageruimte. (→Blz. 432)
• Auto's met reservewiel: De
wielmoersleutel bevindt zich in de
gereedschapstas in de bagageruimte.
(→Blz. 441)
WAARSCHUWING!
Neem de volgende
voorzorgsmaatregelen in acht. Het niet
in acht nemen van de
voorzorgsmaatregelen kan dodelijk of
ernstig letsel tot gevolg hebben.
Tijdens het slepen
• Wanneer u bij het slepen kabels of
kettingen gebruikt, vermijd dan
plotseling optrekken, enz. waardoor
er extreme krachten op het sleepoog
en de sleepkabel of -ketting worden
uitgeoefend. Het sleepoog en de
kabel of ketting kunnen beschadigd
raken en afgebroken stukken
kunnen personen raken en ernstige
schade veroorzaken.
7.2 Stappen die genomen moeten worden in noodgevallen
417
7
Bij problemen

Controlelampje uitgeschakeld Stop & Start-systeem
Waarschuwingslampje Details/handelingen
(Knippert)
(indien aanwezig)Geeft aan dat er een storing aanwezig is het Stop & Start-
systeem
Laat de auto onmiddellijk nakijken door een erkende Toyota-
dealer of hersteller/reparateur of een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
Controlelampje (waarschuwingszoemer) Toyota Parking Assist-sensor OFF
Waarschuwingslampje Details/handelingen
(Knippert)
(indien aanwezig)Wanneer er een zoemer klinkt: Geeft aan dat er een storing aan-
wezig is in de Toyota Parking Assist-sensor
Laat de auto onmiddellijk nakijken door een erkende Toyota-
dealer of hersteller/reparateur of een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
Wanneer er geen zoemer klinkt: Dit geeft aan dat het systeem
tijdelijk niet beschikbaar is, doordat een sensor mogelijk vuil is
of is bedekt met bijvoorbeeld ijs.
Volg de instructies die worden weergegeven op het multi-
informatiedisplay. (→Blz. 283, blz. 427)
Controlelampje (waarschuwingszoemer) PKSB OFF
Waarschuwingslampje Details/handelingen
(Knippert) (indien aanwe-
zig)Wanneer er een zoemer klinkt: Geeft aan dat er een storing aan-
wezig is in het PKSB-systeem (Parking Support Brake)
Laat de auto onmiddellijk nakijken door een erkende Toyota-
dealer of hersteller/reparateur of een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
Wanneer er geen zoemer klinkt: Dit geeft aan dat het systeem
tijdelijk niet beschikbaar is, doordat een sensor mogelijk vuil is
of is bedekt met bijvoorbeeld ijs.
Volg de instructies die worden weergegeven op het multi-
informatiedisplay. (→Blz. 299, blz. 427)
Controlelampje (waarschuwingszoemer) RCTA OFF
Waarschuwingslampje Details/handelingen
(Knippert)
(indien aanwezig)Wanneer er een zoemer klinkt: Geeft aan dat er een storing aan-
wezig is in de RCTA (Rear Crossing Traffic Alert)
Laat de auto onmiddellijk nakijken door een erkende Toyota-
dealer of hersteller/reparateur of een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
Wanneer er geen zoemer klinkt: Geeft aan dat de achterbumper
rondom de radarsensor vuil is, enz. (→Blz. 277)
Volg de instructies die worden weergegeven op het multi-
informatiedisplay. (→Blz. 291, blz. 427)
7.2 Stappen die genomen moeten worden in noodgevallen
422

waarschuwingsmelding wordt
weergegeven, decelereer de auto
dan of volg de instructie op het
multi-informatiedisplay.
– Er wordt een
waarschuwingsmelding
weergegeven wanneer het Brake
Override-systeem in werking is.
(→Blz. 171)
– Er wordt een
waarschuwingsmelding
weergegeven wanneer de
wegrijregeling (indien aanwezig) of
de Parking Support Brake-functie
(indien aanwezig) (→blz. 176,
blz. 296) in werking is. Volg de
instructies op het
multi-informatiedisplay.
• Als er een melding over de bediening
van de startknop wordt weergegeven
(indien aanwezig)
Er wordt een instructie voor de
bediening van de startknop
weergegeven wanneer een onjuiste
procedure voor het starten van het
motor wordt uitgevoerd of wanneer
de startknop onjuist wordt bediend.
Volg de op het multi-
informatiedisplay weergegeven
instructies om de startknop nogmaals
te bedienen.
• Als er een melding over de bediening
van de selectiehendel wordt
weergegeven (indien aanwezig)
Om te voorkomen dat de
selectiehendel in de verkeerde stand
wordt gezet of dat de auto
onverwachts in beweging komt, kan
op het multi-informatiedisplay een
melding worden weergegeven die u
verzoekt om de selectiehendel in een
andere stand te zetten. Volg in dat
geval de instructie van de melding en
zet de selectiehendel in de
aangegeven stand.
• Als er een melding of afbeelding met
betrekking tot een geopend/gesloten
onderdeel of het bijvullen van een
vloeistof wordt weergegevenControleer het onderdeel dat op het
multi-informatiedisplay wordt
weergegeven of dat door het
waarschuwingslampje wordt
aangegeven en los het probleem op,
bijvoorbeeld door het geopende
portier te sluiten of de vloeistof bij te
vullen.
Als er een melding wordt weergegeven
dat u naar een erkende Toyota-dealer
of hersteller/reparateur of een andere
naar behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige moet gaan
Het systeem of onderdeel dat op het
multi-informatiedisplay wordt
weergegeven, is defect. Laat de auto
onmiddellijk nakijken door een erkende
Toyota-dealer of hersteller/reparateur
of een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige.
Als er een melding wordt weergegeven
dat de handleiding moet worden
geraadpleegd
• Als de onderstaande berichten
worden weergegeven, volg dan de
desbetreffende instructies.
– “Engine Coolant Temp High” (hoge
koelvloeistoftemperatuur)
(→blz. 458)
– “Exhaust Filter Full”
(uitlaatgasfiltersysteem vol)
(→blz. 319)
• Als de onderstaande meldingen
worden weergegeven, is er mogelijk
sprake van een storing. Laat
onmiddellijk de auto nakijken door
een erkende Toyota-dealer of
hersteller/reparateur of een andere
naar behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
– “Charging System Malfunction”
(storing laadsysteem)
– “Smart Entry & Start System
Malfunction” (storing Smart
entry-systeem met startknop)
7.2 Stappen die genomen moeten worden in noodgevallen
428

WAARSCHUWING!
Gebruik van het compacte
reservewiel (indien aanwezig)
• Houd er rekening mee dat het
reservewiel speciaal ontworpen is
voor gebruik onder uw auto. Gebruik
uw reservewiel daarom niet onder
een andere auto.
• Monteer niet gelijktijdig meer dan
één compact reservewiel onder uw
auto.
• Vervang het reservewiel zo snel
mogelijk door een wiel met een
standaardband.
• Vermijd plotseling accelereren,
abrupte stuuracties, plotseling
remmen en schakelhandelingen die
een plotselinge motorremwerking
veroorzaken.
Als het compacte reservewiel (indien
aanwezig) is gemonteerd
Het kan voorkomen dat de rijsnelheid
niet goed wordt weergegeven en dat de
volgende systemen niet goed werken:
– ABS en Brake Assist
– VSC/Trailer Sway Control (indien
aanwezig)
–TRC
– Cruise control (indien aanwezig)
– Dynamic Radar Cruise Control
(indien aanwezig)
– Dynamic Radar Cruise Control met
volledig snelheidsbereik (indien
aanwezig)
– PCS (Pre-Crash Safety-systeem)
(indien aanwezig)
– EPS
– LTA (Lane Tracing Assist) (indien
aanwezig)
– Bandenspanningswa-
arschuwingssysteem (indien
aanwezig)
– AHB (Automatic High Beam)
(indien aanwezig)
– BSM (indien aanwezig)
– RCTA (indien aanwezig)
– PKSB (indien aanwezig)
– Toyota Parking Assist-sensor
(indien aanwezig)
WAARSCHUWING!(Vervolg)
– Downhill Assist Control (indien
aanwezig)
– Rear View Monitor-systeem
(indien aanwezig)
– Panoramic View Monitor (indien
aanwezig)
– Toyota Parking Assist-monitor
(indien aanwezig)
– Navigatiesysteem (indien
aanwezig)
Niet alleen kunnen de volgende
systemen niet optimaal worden
gebruikt, maar ook kan dit een
negatief effect hebben op de
onderdelen van de aandrijflijn:
– Dynamic Torque Vectoring
AWD-systeem (indien aanwezig)
– Dynamic Torque Control
AWD-systeem (indien aanwezig)
Snelheidsbeperking bij gebruik van
het compacte reservewiel (indien
aanwezig)
Rijd niet harder dan 80 km/h als er een
compact reservewiel onder de auto is
gemonteerd.
Het compacte reservewiel is niet
ontworpen voor gebruik bij hoge
snelheden. Het niet opvolgen van deze
voorzorgsmaatregel kan leiden tot een
ongeval met dodelijk of ernstig letsel
tot gevolg.
Na gebruik van gereedschap en krik
Controleer voor het rijden of het
gereedschap en de krik weer goed zijn
opgeborgen en bevestigd. Dit om te
voorkomen dat een van deze
voorwerpen bij een aanrijding of bij
hard remmen letsel veroorzaakt.
7.2 Stappen die genomen moeten worden in noodgevallen
449
7
Bij problemen

BSM (Blind Spot Monitor)*(→blz. 276)
FunctieStandaardin-
stellingPersoonlijke
voorkeursin-
stellingABC
BSM (Blind Spot Monitor) Aan Uit – O –
Helderheid indicator in bui-
tenspiegelHelder Gedimd – O –
Timing waarschuwing voor
aanwezigheid van naderende
auto (gevoeligheid)
*GemiddeldVroeg
–O– Laat
Alleen wanneer
een auto wordt
gesignaleerd in
de dode hoek
*Indien aanwezig
RCTA (Rear Crossing Traffic Alert)
*1(→blz. 291)
FunctieStandaardin-
stellingPersoonlijke
voorkeursin-
stellingABC
RCTA (Rear Crossing Traffic
Alert)Aan Uit – O –
Zoemervolume
*2Niveau 2Niveau 1
–O–
Niveau 3
*1Indien aanwezig
*2Deze instelling is gekoppeld aan het zoemervolume van de Toyota Parking
Assist-sensor.
Toyota Parking Assist-sensor
*1(→blz. 281)
FunctieStandaardin-
stellingPersoonlijke
voorkeursin-
stellingABC
Toyota Parking Assist-sensor Aan Uit – O O
Zoemervolume
*221
–OO
3
*1Indien aanwezig
*2Deze instelling is gekoppeld aan het zoemervolume van de RCTA-functie (Rear Crossing
Traffic Alert).
PKSB (Parking Support Brake)
*(→blz. 296)
FunctieStandaardin-
stellingPersoonlijke
voorkeursinstel-
lingABC
PKSB-functie (Parking Sup-
port Brake)Aan Uit – O –
*Indien aanwezig
8.2 Persoonlijke voorkeursinstellingen
485
8
Voertuigspecificaties

– Als de auto wordt gestart terwijl een
van de portieren is ontgrendeld,
werkt de functie koppeling van
rijsnelheid aan portiervergrendeling
wel.
– Als de selectiehendel in een andere
stand dan P wordt gezet, worden
alle portieren vergrendeld.• Als het Smart entry-systeem met
startknop is uitgeschakeld, kan
selecteer te ontgrendelen portier niet
worden ingesteld.
• Als de portieren niet worden geopend
nadat de portieren zijn ontgrendeld
en de functie automatisch opnieuw
vergrendelen wordt geactiveerd,
worden er signalen gegenereerd
overeenkomstig de instellingen van
het bedieningssignaal
(alarmknipperlichten).
8.3 Initialisatie
8.3.1 Te initialiseren onderdelen
Na bijvoorbeeld het loskoppelen en weer aansluiten van de accu of onderhoud aan de
auto, moeten de volgende items worden geïnitialiseerd, zodat het systeem weer op de
juiste manier werkt.
Overzicht van te initialiseren onderdelen
Voorwerp Wanneer initialiseren Zie
Elektrisch bedienbare achterklep*■Na het aansluiten of vervangen van
de accu
■Na het vervangen van een zekeringBlz. 130
Toyota Parking Assist-sensor*Blz. 284
Parking Support Brake*Blz. 300
Elektrisch bedienbare ruiten■Wanneer de werking abnormaal is Blz. 158
Schuifdak
*Blz. 162
Panoramadak*Blz. 165
Bandenspanningswaarschuwingssys-
teem
*
■Bij het wisselen van wielen
■Als de band is gewisseld
■Nadat de identificatiecodes zijn
geregistreerdBlz. 388
Toyota Parking Assist Monitor
*■Na het aansluiten of vervangen van
de accu
■Na het vervangen van een zekeringRaadpleeg
de handlei-
ding voor
het multi-
mediasys-
teem Panoramic View Monitor
*
*Indien aanwezig
8.2 Persoonlijke voorkeursinstellingen
487
8
Voertuigspecificaties

Antidiefstalsysteem
Alarm*..................61
Bedienen van het systeem......60
Inbraaksensor en hellingsensor
(indien aanwezig)...........63
Inschakelen/uitschakelen/uitzetten
van het alarmsysteem.........61
Inschakelen/uitschakelen van de
supervergrendeling..........61
Startblokkering.............60
Supervergrendeling*.........61
Bedienen van verlichting en
ruitenwissers
Achterruitenwisser en -sproeier . .219
AHB (Automatic High Beam)* . . .211
Bedienen van de
ruitenwisserhendel......216 , 219
Bediening...............215
Extended Headlight Lighting-systeem
(indien aanwezig)...........211
Handmatig in- en uitschakelen van
het grootlicht.............214
Inschakelen van de koplampen . . .209
Inschakelen van het Automatic High
Beam-systeem............212
Inschakelen van het grootlicht . . .211
Lichtschakelaar............209
Ruitenwissers en -sproeiers. . . .216
Schakelaar mistlampen*......214
Belangrijke informatie
Alarmknipperlichten.........412
Als de auto onder water staat of het
water op de weg stijgt........413
Als uw auto in geval van nood tot
stilstand moet worden gebracht . .412
Bedieningsinstructies........412
De auto tot stilstand brengen . . .412
Gebruik van de airconditioning en de
achterruitverwarming
Automatische airconditioning* . .336
Bedienen van de
stoelverwarming...........343
Bedienen van de stoelverwarming
en -ventilatoren...........344
Bedieningspaneel
airconditioning.........332 , 336
Gebruik van de automatische
modus.................340Geconcentreerde
luchtcirculatiemodus voorstoel
(S-FLOW-modus)..........341
Handmatig bediende
airconditioning*...........332
Overzicht en bediening
uitstroomopeningen.....335 , 342
Stuurwielverwarming........343
Stuurwielverwarming*/
stoelverwarming*/
stoelventilatoren*..........343
Verwarming ruitenwissers voor
(indien aanwezig)...........335
Verwarming ruitenwissers voor
(indien aanwezig)/
voorruitverwarming
(indien aanwezig)...........340
Gebruik van de interieurverlichting
Bedienen van de
interieurverlichting.........346
Bedienen van de leeslampjes. . . .346
Overzicht interieurverlichting . . .345
Plaats van de interieurverlichting .345
Gebruik van de ondersteunende
systemen
BSM (Blind Spot Monitor)*.....276
Cruise control*...........
.272
Downhill Assist Control*......317
Dynamic Radar Cruise Control* . .263
Dynamic Radar Cruise Control met
Road Sign Assist
(auto's met RSA)........259 , 269
Dynamic Radar Cruise Control met
volledig snelheidsbereik*......252
Functies die zijn opgenomen in het
LTA-systeem..............240
Hervatten van het rijden met de
volgregeling als de auto is stilgezet
door het systeem
(afstandsregelmodus)........258
Hill Start Assist Control
(auto's met Multidrive CVT).....306
Inschakelen/uitschakelen Dynamic
Radar Cruise Control met Road Sign
Assist (auto's met RSA). . . .260 , 269
Inschakelen/uitschakelen van de
Parking Support Brake........297
Inschakelen/uitschakelen van de
RCTA ..................291
Trefwoordenlijst
636