Page 14 of 297
12Kort en bondigInstellen koplampreikwijdte . 135
Grootlichtassistentie ............ 134RijverlichtingAUTO:automatische verlichting
schakelt automatisch
tussen dagrijlicht en
koplampF:zijmarkeringslichtenD:koplamp
Automatische verlichting 3 134.
Mistlampen 3 137.
Mistachterlicht 3 137.
Grootlichtsignalen en groot licht
Groot licht 3 134.
Grootlichtassistentie 3 134.
Lichtsignaal 3 135.
Page 18 of 297

16Kort en bondigRuiten ontwasemen en ontdooien
Verwarmings- en ventilatiesysteem,
airconditioning
● Aanjagersnelheid ý op hoogste
stand zetten.
● Draaiknop voor temperatuur ñ in
hoogste stand zetten.
● Schakel, indien nodig, de A/C in.
● Verwarming achterruit è
inschakelen.
● Zijdelingse luchtroosters openen naar wens en op de zijruiten rich‐ten.
Let op
Als de instellingen voor ontwasemen
en ontdooien zijn geselecteerd, is er wellicht geen Autostop mogelijk.
Als de instellingen voor ontwasemen
en ontvriezen zijn geselecteerd
terwijl de motor in een Autostop is,
zal de motor automatisch herstarten.
Stop/Start-systeem 3 160.
Verwarmings- en ventilatiesysteem
3 142.
Airconditioning 3 144.Elektronische klimaatregeling (ECC)
● Druk op h. Het led-lampje in de
knop brandt om activering aan te
geven.
● Airconditioning en automatische stand worden automatisch inge‐schakeld. Het led-lampje in de
toets A/C brandt, AUTO
verschijnt op het display.
● Temperatuur en luchtverdeling worden automatisch ingesteld,
de aanjager draait met een hoge
snelheid.
● Verwarming achterruit è
inschakelen.
Page 21 of 297
Kort en bondig19Motor startenContactslot
● draai de sleutel naar stand 1
● stuurwiel iets verdraaien om het stuurslot te ontgrendelen
● handgeschakelde versnellings‐ bak: trap het koppelingspedaal
en het rempedaal in
automatische versnellingsbak:
trap het rempedaal in en zet de
keuzehendel in P of N
● gaspedaal niet intrappen
● dieselmotor: wacht totdat de controlelamp z voor voorver‐
warming dooft
● draai de sleutel in de stand 2 en
laat deze na het starten van de motor los
Motor starten 3 158.Startknop
● handgeschakelde versnellings‐
bak: trap het koppelingspedaal
en het rempedaal in
● automatische versnellingsbak: trap het rempedaal in en zet de
keuzehendel in P of N
● gaspedaal niet intrappen
● druk op de toets Start/Stop
● laat de toets los nadat de motor gestart is
Page 22 of 297

20Kort en bondigStop-startsysteem
Als de auto langzaam rijdt of stilstaat
en er aan bepaalde voorwaarden is
voldaan, wordt een autostop geacti‐
veerd.
Een Autostop wordt aangegeven
door controlelampje ñ.
Handgeschakelde versnellingsbak: om de motor te herstarten, moet u het
koppelingspedaal opnieuw intrappen. Controlelampje ñ dooft.
Automatische versnellingsbak: om de
motor te herstarten, moet u het
rempedaal loslaten. Controlelampje
ñ dooft.
Stop-startsysteem 3 160.
Parkeren9 Waarschuwing
● Parkeer de auto niet op een
ondergrond met brandbaar
materiaal. Door de hoge
temperatuur van het uitlaatsys‐
teem kan het oppervlak
ontbranden.
● Trek altijd de parkeerrem aan.
● Als de auto vlak of op een oplo‐
pende helling staat, dan de
eerste versnelling inschakelen
of de keuzehendel in stand P
zetten (automatische versnel‐ lingsbak type A)/ N (automati‐
sche versnellingsbak type B). Op een oplopende helling
bovendien de voorwielen van
de stoeprand wegdraaien.
Als op een aflopende helling
staat, dan de achteruitversnel‐
ling inschakelen of de keuze‐
hendel in stand P zetten (auto‐
matische versnellingsbak type
A)/ N (automatische versnel‐
lingsbak type B). Bovendien de
voorwielen naar de stoeprand toedraaien.
● Sluit de ruiten.
● Zet de motor af.
● Trek de sleutel uit het contact‐ slot of schakel bij auto's met
een aan/uit-knop het contact
uit. Verdraai het stuurwiel tot
het stuurslot merkbaar
vergrendelt.
● Vergrendel de auto met - op de
handzender.
Activeer het alarmsysteem
3 37.
● Koelventilatoren kunnen ook na het afzetten van de motor in
werking treden 3 220.
Voorzichtig
Na een rit waarbij met hoge motor‐
toerentallen of met hoge motorbe‐
lasting werd gereden, de motor
vóór het afzetten gedurende een
korte tijd met lage belasting laten
draaien of gedurende ca.
Page 26 of 297

24Sleutels, portieren en ruiten
1. Haal de achterafdekking van deafstandsbediening.
2. Verwijder de lege batterij.
3. Vervang de batterij door een batterij van hetzelfde type. Let op
de installatiepositie.
4. Klik de achterafdekking op zijn plaats.
Storing
Als de centrale vergrendeling niet met
de afstandsbediening kan worden
vergrendeld of ontgrendeld, kan dit
het gevolg zijn van het volgende:
● Storing in de afstandsbediening.● De accuspanning is te laag.
● Overbelasting van de centrale vergrendeling door herhaalde,
snel opeenvolgende activering
van de handzender, waardoor de
stroomvoorziening voor korte tijd
wordt onderbroken.
● Storing door radiogolven afkom‐ stig van externe zenders met eenhoog vermogen.
Handmatig ontgrendelen 3 25.
Elektronisch sleutelsysteemAfhankelijk van de versie kunt u met
het elektronische sleutelsysteem de
volgende functies zonder sleutel
bedienen:
● centrale vergrendeling 3 25
● achterklep ontgrendelen
● koplampen inschakelen
De bestuurder hoeft alleen de elek‐
tronische sleutel bij zich te dragen.
De elektronische sleutel bevat ook de
functionaliteit van de handzender
3 23.
Handzender met zorg behandelen,
vochtvrij houden, beschermen tegen
hoge temperaturen en onnodig
gebruik vermijden.
Batterij elektronische sleutel
vervangen
Batterij meteen vervangen zodra het
systeem niet meer goed werkt of het
bereik ervan afneemt.
Page 30 of 297

28Sleutels, portieren en ruitenVergrendelen
Druk op een van de portierkrukken ofdruk op de achterklepknop.
Alle portieren, de achterklep/koffer‐
klep en de tankvulklep worden
vergrendeld.
Als de auto niet goed gesloten is, de
elektronische sleutel in de auto blijft
of het contact niet uit is, is vergrende‐
ling niet toegestaan.
Bevestiging
De werking van de centrale vergren‐
deling wordt bevestigd door de alarm‐ knipperlichten.
Centrale vergrendelingstoets
Hiermee vergrendelt of ontgrendelt u
alle deuren en de bagageruimte
vanuit het interieur. Als de auto is
uitgerust met een elektronisch sleu‐
telsysteem, wordt de tankklep ook
vergrendeld of ontgrendeld.
Druk op - om te vergrendelen. Het
led-lampje in de toets brandt.
Druk nogmaals op - om te ontgren‐
delen. Het led-lampje in de toets
dooft.
Bediening met de sleutel bij een
storing in de centrale
vergrendeling
Bij een storing, bijvoorbeeld omdat de accu of de batterij van de handzen‐
der / elektronische sleutel leeg is,
kunt u het bestuurdersportier met de
mechanische sleutel vergrendelen en
ontgrendelen.
Handmatig ontgrendelen
Elektronische sleutel: houd de pal
ingedrukt om de geïntegreerde sleu‐
tel te voorschijn te halen.
Page 32 of 297
30Sleutels, portieren en ruitenAutomatische hervergrendeling
na ontgrendeling
Deze functie vergrendelt automatisch
alle portieren, de bagageruimte en de tankvulklep kort nadat u deze met de
handzender of elektronische sleutel
heeft ontgrendeld, vooropgesteld dat
er geen portier openstaat.
Kindersloten9 Waarschuwing
Gebruik de kindersloten wanneer
kinderen op de achterste zitplaat‐
sen worden vervoerd.
Mechanische kindersloten
Om te activeren, het kinderslot
omhoog draaien. De schuifdeur kan
niet van binnenuit worden geopend.
Om te deactiveren, het kinderslot omlaag draaien. De schuifdeur kan
van binnenuit worden geopend.
Elektrische kindersloten
Op afstand bediend systeem om
openen van de schuifdeuren via de
binnenhandgrepen te voorkomen.
Inschakelen
Druk op >. Het lampje in de knop
gaat branden en er verschijnt een
bevestigingsbericht. Het lampje blijft
branden totdat het kinderslot wordt
uitgeschakeld.
Page 33 of 297
Sleutels, portieren en ruiten31Uitschakelen
Toets > nogmaals indrukken. Het
lampje in de knop dooft en verschijnt
een bevestigingsbericht. Dit lampje
blijft branden zolang het kinderslot
ingeschakeld is.Portieren
Schuifdeuren Openen
Trek na het ontgrendelen aan de
deurhandgreep buiten en schuif de
deur naar achteren tot voorbij het
weerstandspunt.
U opent de deur van binnen door
tegen de handgreep te duwen en de
deur naar achteren tot voorbij het
weerstandspunt te schuiven.