170
SPORT
Als de auto bergafwaar ts stilstaat en de
achteruitversnelling ingeschakeld is, wordt
de auto even op zijn plaats gehouden als u het
rempedaal loslaat.
Storing
Driver Sport Pack
Dit pakket beïnvloedt:
- h et motorgeluid,
-
de
stuurbekrachtiging,
-
d
e acceleratie,
-
h
et schakelprogramma van de automatische
transmissie,
-
d
e weergave op het instrumentenpaneel van
informatie over de dynamische parameters van
de auto (weergavemodus "PERSOONLIJK").
Inschakelen/uitschakelen
F Druk op deze toets; het oranje lampje van de toets gaat branden
om te bevestigen dat de functie is
geactiveerd.
Het Driver Sport Pack wordt ook
aangestuurd door de functie i-Cockpit
Amplify . Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over de functie i-Cockpit Amplify
.
Als het oranje lampje knippert, kan de functie
niet worden geactiveerd (bijv. als Park Assist is
geselecteerd).
Als het lampje langdurig blijft knipperen, neem
dan contact op met het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
Weergave
Selecteer om deze informatie op het
instrumentenpaneel weer te geven de
weergavemodus "PERSOONLIJK" en vervolgens
het gewenste type informatie. Deze telemetrische gegevens (geleverd
vermogen, vuldruk, koppel, versnelling
in lengte- en dwarsrichting enz.) dienen
uitsluitend ter indicatie.
Werking
Als de auto bergopwaar ts stilstaat, wordt deze
even op zijn plaats gehouden wanneer u het
rempedaal loslaat:
-
al
s bij de handgeschakelde versnellingsbak
de eerste versnelling of de neutraalstand is
ingeschakeld,
-
a
ls bij de automatische transmissie de stand D of
M is ingeschakeld. Bij een systeemstoring gaan deze lampjes branden.
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Schakelindicator
(Afhankelijk van de motoruitvoering.)
Dit systeem geeft aan welke versnelling moet
worden ingeschakeld om het brandstofverbruik te
reduceren.
Rijden
206
De grafische weergave is een aanvulling op het
geluidssignaal. Op het scherm worden balken
weergegeven die geleidelijk naar het voertuig toe
bewegen (wit: obstakels veraf, oranje: obstakels in
de buurt en rood: obstakels heel dichtbij).
Als de auto het obstakel zeer dicht genaderd is,
verschijnt het symbool "Gevaar" op het scherm.
Parkeerhulp vóór
De parkeerhulp vóór is een aanvulling op de
parkeerhulp achter en wordt geactiveerd zodra er bij
een wagensnelheid van maximaal 10 km/h vóór de
auto een obstakel wordt gedetecteerd.
De parkeerhulp vóór wordt uitgeschakeld zodra
de auto langer dan drie seconden stilstaat met
een ingeschakelde versnelling vooruit, als er geen
obstakel meer wordt gedetecteerd of wanneer de
wagensnelheid hoger wordt dan 10
km/h.Het geluid dat uit de luidspreker komt (voor
of achter) geeft de relatie aan tussen de
plaats van het obstakel en het voertuig, in de
rijrichting van het voertuig voor of achter.
Parkeerhulp zijkant
Alleen vaste obstakels worden correct
aangegeven. Bewegende objecten,
gedetecteerd aan het begin van de manoeuvre,
kunnen per ongeluk worden aangegeven.
Ter wijl bewegende objecten die aan de
zijkanten van het voertuig verschijnen en
niet vooraf geregistreerd zijn, niet worden
aangegeven.
Uitschakelen/inschakelen
Deze functie kan worden in- en uitgeschakeld via het
configuratiemenu op het scherm van de auto.
De status van de functie wordt opgeslagen bij het
afzetten van het contact.
Het parkeerhulpsysteem achter wordt
automatisch uitgeschakeld wanneer een
aanhanger of fietsdrager wordt aangekoppeld
aan een trekhaak, die overeenkomstig de
voorschriften van de fabrikant is gemonteerd.
De parkeerhulp is uitgeschakeld wanneer de functie
Park Assist bezig is de beschikbare ruimte van een
parkeerplaats te meten.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over het Park Assist -systeem.
Werkingslimieten
Grafische weergave
Door gebruik te maken van vier extra sensoren aan
de zijkant van de voor- en achterbumper, registreert
het systeem de positie van de vaste obstakels tijdens
het manoeuvreren en geeft een signaal wanneer de
obstakels de zijkant van het voertuig naderen.
-
B
epaalde obstakels die aanvankelijk wel worden
gedetecteerd, worden mogelijk niet meer
gedetecteerd als ze zich in de dode hoek van het
detectiebereik van de sensoren bevinden.
-
B
epaalde omgevingsgeluiden, zoals lawaai
afkomstig van voertuigen en machines (bijv.
vrachtwagens, pneumatische boren enz.),
kunnen de sensoren van de auto verstoren.
Rijden
212
180°-weergavePark Assist
Dit systeem assisteert u actief bij het parkeren: het
d etecteert een parkeerplek en neemt vervolgens het
sturen van u
over bij het inparkeren.
Met een handgeschakelde versnellingsbak
bedient de bestuurder het gaspedaal, het rempedaal,
de versnellingsbak en de koppeling.
Bij een automatische transmissie (EAT6/EAT8)
bedient de bestuurder het gaspedaal, het rempedaal
en de koppeling.
Tijdens het in- en uitparkeren informeert het
systeem de bestuurder met beelden op het scherm
en geluidssignalen, zodat hij erop kan toezien dat
de manoeuvres veilig worden uitgevoerd. Bij het
parkeren kan het noodzakelijk zijn dat u
enkele keren
vooruit en achteruit moet steken.
De bestuurder kan op elk gewenst moment het stuur
zelf weer overnemen.
Dit systeem is een hulpmiddel voor de
bestuurder die echter te allen tijde zijn
aandacht op het verkeer moet blijven vestigen.
De bestuurder moet er voor zorgen dat de auto
tijdens de gehele manoeuvre onder controle
blijft en geen obstakels kan raken.
Onder bepaalde omstandigheden detecteren
de sensoren mogelijk geen kleine obstakels die
zich in hun dode hoeken bevinden. De functie Park Assist werkt niet als de motor
is afgezet.
A. Fileparkeren.
B. Uitparkeren na fileparkeren.
C. Haaks inparkeren.
Tijdens de manoeuvres draait het stuur wiel
snel rond: houd daarom het stuur wiel niet
tegen en steek niet uw handen tussen de
spaken van het stuur wiel.
Let op voor werpen die het draaien van het
stuurwiel kunnen hinderen (wijde kleding, sjaal,
das enz.) – Kans op letsel!
Als Park Assist actief is, wordt de Park Assist
actief is, wordt de STOP-stand van het Stop &
Start-systeem niet geactiveerd. In de STOP-
modus kan door heractiveren van Park Assist
de motor opnieuw worden gestart.
Wanneer u
vooruitrijdend een parkeerplaats verlaat,
kunt u
dankzij de 180°-weergave voertuigen,
voetgangers of fietsers zien aankomen.
Het is raadzaam deze weergave niet tijdens de
gehele manoeuvre te gebruiken.
De weergave heeft drie zones: links A , centraal B
en rechts C .
Deze weergave is alleen beschikbaar door deze te
selecteren in het menu voor het veranderen van de
weergave. Het Park Assist-systeem assisteert u
bij de volgende
manoeuvres:
Rijden
213
De Park Assist kan maximaal 4 parkeercycli
a chter elkaar uitvoeren. Na deze 4 cycli wordt
de functie gedeactiveerd. Als u
vindt dat uw
auto op dat moment niet goed geparkeerd
staat, moet u
zelf het stuur weer ter hand
nemen om de manoeuvre te voltooien.
Het verloop van de manoeuvres en de
rijinstructies worden op het instrumentenpaneel
weergegeven. Controleer altijd de directe omgeving van uw
auto voordat u
met een parkeermanoeuvre
begint.
De functie parkeerhulp is niet beschikbaar
tijdens de meting van de beschikbare ruimte.
Na deze meting waarschuwt de functie
u
tijdens de manoeuvre als uw auto een
obstakel nadert: het geluidssignaal klinkt
ononderbroken als de ruimte tussen de auto en
het obstakel minder dan 30
cm bedraagt.
Als u
de functie parkeerhulp hebt
gedeactiveerd, wordt deze automatisch weer
geactiveerd bij de geassisteerde manoeuvres.
Als de Park Assist wordt ingeschakeld,
wordt het dodehoekbewakingssysteem
uitgeschakeld. Tijdens het inparkeren en uitparkeren kunnen
de functies Visiopark 1
en Visiopark 2 in
werking treden. Deze functies zorgen er voor
dat u
een beter overzicht hebt van de directe
omgeving van de auto door aanvullende
informatie op het instrumentenpaneel weer te
geven.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek
voor meer informatie over Visiopark 1
en
Visiopark 2 .
De assistentie is geactiveerd: als
dit pictogram wordt weergegeven
in combinatie met een
maximumsnelheid, geeft dit aan dat
het sturen wordt overgenomen door
het systeem: raak het stuur wiel niet
aan. De assistentie is gedeactiveerd: als
dit pictogram wordt weergegeven,
geeft dit aan dat het sturen niet
meer door het systeem wordt
uitgevoerd: u moet het stuur zelf
weer ter hand nemen.
Werking
Hulp bij fileparkeren
F Zodra u een vrij parkeervak hebt gevonden.
F
Sel
ecteer "Park Assist " in het
menu Auto/Rijden menu van het
touchscreen om de functie in te
schakelen.
Op het instrumentenpaneel gaat dit
lampje branden om te bevestigen dat het
systeem is geactiveerd.
6
Rijden
215
Hulp bij uitparkeren na fileparkeren
F Start als u vanuit een fileparkeer vak wilt
wegrijden eerst de motor. F
Sel
ecteer "
Park Assist " in het
menu Auto/Rijden menu van het
touchscreen om de functie in te
schakelen.
Op het instrumentenpaneel gaat dit
lampje branden om te bevestigen dat het
systeem is geactiveerd.
F
D
ruk op "
Uitparkeren " op het
touchscreen.
F
D
e geassisteerde parkeermanoeuvre is nu
begonnen.
R
ijd niet sneller dan 7 km/h voor of achteruit en
volg de waarschuwingen van de "Parkeerhulp"
tot wordt aangegeven dat de manoeuvre is
voltooid.
F
A
ls de manoeuvre is voltooid, gaat het lampje
van de functie op het instrumentenpaneel uit en
wordt een melding weergegeven in combinatie
met een geluidssignaal.
D
e assistentie wordt gedeactiveerd: u kunt het
stuur weer overnemen. F
S
chakel de richtingaanwijzer in aan de zijde van
de rijbaan.
F
S
chakel de achteruit- of vooruitversnelling in en
laat het stuurwiel los. F
D
e geassisteerde parkeermanoeuvre is nu
begonnen.
R
ijd niet sneller dan 5 km/h voor of achteruit en
volg de waarschuwingen van de "Parkeerhulp"
tot wordt aangegeven dat de manoeuvre is
voltooid.
De manoeuvre is voltooid zodra beide voor wielen
van de auto zich buiten het parkeer vak bevinden.
6
Rijden
216
Hulp bij haaks inparkeren
F Zodra u een vrij parkeervak hebt gevonden.
F
Sel
ecteer "Park Assist " in het
menu Auto/Rijden menu van het
touchscreen om de functie in te
schakelen.
Op het instrumentenpaneel gaat dit
lampje branden om te bevestigen dat het
systeem is geactiveerd.
F
R
ijd niet sneller dan 20 km/h en
selecteer " Vakparkeren " op het
touchscreen. Als er meerdere parkeer vakken naast elkaar
worden gedetecteerd, wordt uw auto naar het
laatste parkeervak geleid.
Als de manoeuvre is voltooid, gaat het lampje van
de functie op het instrumentenpaneel uit en wordt
een melding weergegeven in combinatie met een
geluidssignaal.
De assistentie wordt gedeactiveerd: u kunt het stuur
weer overnemen.
F
S
chakel de richtingaanwijzer in aan de zijde van
het gekozen parkeer vak om de meetfunctie te
activeren. Zorg er daarbij voor dat u een afstand
van 0,5 tot 1,5 meter tussen de geparkeerde
auto's en uw auto aanhoudt.
F
R
ijd langzaam en volg de instructies tot het
systeem een vrij parkeer vak vindt. F
R
ijd langzaam vooruit tot er in combinatie met
een geluidssignaal een melding verschijnt
die u verzoekt de achteruitversnelling in te
schakelen.
F
S
chakel de achteruitversnelling in, laat het
stuur wiel los en laat de auto rijden met een
snelheid van maximaal 7
km/h.
F
D
e geassisteerde parkeermanoeuvre is nu
begonnen.
Rijden
217
Rijd niet sneller dan 7 km/h en volg de instructies
o p het instrumentenpaneel en de waarschuwingen
van de "Parkeerhulp" tot wordt aangegeven dat de
manoeuvre is voltooid.
Tijdens het haaks inparkeren wordt de functie
Park Assist automatisch gedeactiveerd zodra
de achterzijde van de auto een obstakel tot
minder dan 50
cm is genaderd.Deactiveren
Het systeem kan worden gedeactiveerd door op de
toets te drukken.
Het systeem wordt automatisch gedeactiveerd:
-
a
ls het contact wordt afgezet,
-
a
ls de motor afslaat,
-
a
ls er binnen 5 minuten na het selecteren van
het type manoeuvre niet wordt gestart met een
manoeuvre,
-
a
ls de auto tijdens de manoeuvre langdurig blijft
stilstaan,
-
a
ls de antispinregeling (ASR) in werking treedt,
-
a
ls de maximale wagensnelheid wordt
overschreden,
-
a
ls de bestuurder het stuur wiel tegenhoudt,
-
n
a meer dan 4 parkeercycli,
-
a
ls het bestuurdersportier wordt geopend,
-
a
ls één van de voor wielen op een obstakel stuit.
Het lampje van de functie op het instrumentenpaneel
gaat uit en er wordt een melding weergegeven in
combinatie met een geluidssignaal.
De bestuurder moet nu het stuur weer overnemen.
Als het systeem tijdens een manoeuvre
wordt gedeactiveerd, moet de bestuurder het
systeem weer activeren om de meting voort
te zetten.
Uitschakelen
Het systeem wordt automatisch uitgeschakeld:
- b ij het trekken van een aanhangwagen
(aangesloten op de trekhaakaansluiting),
-
a
ls het bestuurdersportier wordt geopend,
-
b
ij een wagensnelheid van meer dan 70 km/h.
Raadpleeg om het systeem voor langere duur te
laten uitschakelen het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Als de manoeuvre is voltooid, gaat het lampje van
de functie op het instrumentenpaneel uit en wordt
een melding weergegeven in combinatie met een
geluidssignaal.
De assistentie wordt gedeactiveerd: u kunt het stuur
weer overnemen.
Storingen
In het geval van een storing knippert
dit lampje even, in combinatie met een
geluidssignaal.
In het geval van een storing in de
stuurbekrachtiging gaat dit lampje
branden op het instrumentenpaneel in
combinatie met een melding.
Als de storing optreedt tijdens het gebruik van het
systeem, gaat het lampje uit.
Neem contact op met het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
6
Rijden
218
Controleer bij slecht weer en bij winterse
omstandigheden of de sensoren niet zijn
bedekt met vuil, ijs of sneeuw.
Laat in het geval van een storing het systeem
controleren door het PEUGEOT-netwerk of
door een gekwalificeerde werkplaats.
Wassen met een hogedrukspuit
Houd tijdens het wassen van de auto het uiteinde
van de hogedrukspuit op minimaal 30
cm van de
sensoren. Als de ruimte tussen uw auto en de
parkeerplek te groot is, kan het systeem
mogelijk de beschikbare ruimte niet meten.
Bij een manoeuvre houdt het Park Assist-
systeem geen rekening met objecten die voor
of achter de auto uitsteken (zoals bijvoorbeeld
een ladder op het dak of een trekhaak).
Rijden