
3-109
Kenmerken van uw auto
3
A : Regeling wissersnelheid (voor)· / MIST - Enkele wisbeweging
· O / OFF – Uit
· --- / INT – Intervalstand AUTO* – Automatische regeling
· 1 / LO– Lage wissersnelheid· 2 / HI – Hoge wissersnelheid
B : Afstellen tijd intervalstand
C : Sproeien met enkele wisslagen (voor)
D : Achterruitenwisserbediening* · 2 / HI – Hoge wissersnelheid · 1 / LO – Lage wissersnelheid · O / OFF – Uit
E : Sproeien met enkele wisslagen (achter)
* : indien van toepassing
RUITENWISSERS EN RUITENSPROEIERS
■ Ruitenwissers/-sproeiers voor ■Ruitenwisser/-sproeier achter
OTLE045159/OTLE045161/OTLE045507/OTLE045508
• Type A
• Type B
• Type A
• Type B

3-110
Kenmerken van uw auto
Ruitenwissers voor
De werking is als volgt als het contact in stand ON staat./MIST : MIST: Druk voor een
enkele wisbeweging de
bedieningsschakelaar
omlaag ( ) of omhoog
(MIST) en laat hem weer
los. De ruitenwissers
zullen blijven werken
zolang de schakelaar in
deze stand wordtgehouden.
O/OFF : De r uitenwissers zijn
uitgeschakeld
---/INT : De r uitenwissers werken
met regelmatige intervallen.
Gebruik deze stand bij
motregen of mist. Draai aande snelheidsregelknop omde snelheid te wijzigen.
1/LO : Normale wissersnelheid
2/HI : Hoge wissersnelheid
Informatie
Maak de voorruit vrij van sneeuw en
ijs alvorens de ruitenwissers te
gebruiken of ontdooi de voorruit
gedurende 10 minuten. Anders werken de ruitenwissers
mogelijk niet goed en kunnen ze
beschadigd raken.
Als u sneeuw en/of ijs niet verwijdert
voordat u de ruitenwissers en
ruitensproeiers gebruikt, kan er
schade ontstaan aan het ruitenwisser-
en ruitensproeiersysteem.
Automatische regeling (AUTO)
(indien van toepassing)
De regensensor bovenaan op de
voorruit registreert de hoeveelheid
regen en schakelt de ruitenwissersautomatisch in met de juiste
snelheid/intervaltijd. Hoe harder hetregent, hoe hoger de wissersnelheid. Als het ophoudt met regenen,
worden de ruitenwissers
automatisch uitgeschakeld. Draaiaan de snelheidsregelknop (1) omde snelheid te wijzigen.
Als de wisserschakelaar in de stand
AUTO wordt gezet terwijl het contactin stand ON staat, zullen de wissers
eenmaal werken om een controle
van het systeem uit te voeren. Zet de
schakelaar in stand OFF als de
ruitenwissers niet in gebruik zijn.i
OOS047322L
Als de motor draait en de
schakelaar voor de
ruitenwissers voor in stand
AUTO staat, neem dan
onderstaande aanwijzingen in
acht om letsel te voorkomen:
•Raak het bovenste deel van de
voorruit, waar de regensensor
zich bevindt, niet aan.
•Veeg het bovenste deel van de
voorruit niet schoon met een
vochtige doek.
•Oefen geen druk uit op de
voorruit.
WAARSCHUWING
Sensor

4-33
Multimediasysteem
4
Informatie
• Er kunnen maximaal 20 favorieten worden opgeslagen voor elk
gekoppeld Bluetooth ®
-apparaat.
• U hebt toegang tot de favorieten wanneer het Bluetooth ®
-apparaat
van waaruit ze zijn gekoppeld, is
verbonden.
• Het audiosysteem downloadt geen favorieten van Bluetooth ®
-
apparaten. Favorieten moeten voor
gebruik worden opgeslagen.
• Voordat u favorieten kunt toevoegen, moeten ze eerst worden
gedownload.
• Opgeslagen favorieten worden niet bijgewerkt, ook niet wanneer de
contacten van het aangesloten
Bluetooth ®
-apparaat worden
gewijzigd. In dat geval moeten de
favorieten worden verwijderd en
opnieuw worden toegevoegd.Belgeschiedenis
Druk op de toets [PHONE]van het
audiosysteem Selecteer
[Belgeschiedenis] De
oproepgeschiedenis wordt
weergegeven.
(1) Belgeschiedenis: Geeft de gedownloade oproepgeschiedenis
weer.
Wanneer u een favoriet
selecteert, kunt u deze bellen.
(2) SGespreksduur: Geeft de tijdsduur van het gesprek weer.
Menu
Druk op de toets [MENU] en
selecteer de gewenste functie.
• Alle gesprekken: Geeft de volledige oproepgeschiedenis
weer.
• Gemiste gesprekken: Geeft de gemiste oproepen weer.
• Uitgaande gesprekken: Geeft de uitgaande oproepen weer.
• Uitgaande gesprekken: Geeft de binnenkomende oproepen weer.
• Downloaden: De oproepgeschiedenis vanaangesloten Bluetooth ®
-apparaten
wordt gedownload.
Informatie
• Er worden maximaal 50 gebelde nummers, ontvangen oproepen en
gemiste oproepen opgeslagen.
• Wanneer de meest recente oproepgeschiedenis wordt
ontvangen, wordt de bestaande
oproepgeschiedenis gewist.
i
i

5-86
Rijden met uw auto
Waarschuwingslampje en -melding
Check LKA
Bij een storing in het systeem
verschijnt er gedurende enkele
seconden een melding. Als het
probleem blijft bestaan, gaat het
controlelampje storing LKA-systeem
branden.
Controlelampje storing LKA-systeem
Het controlelampje
storing LKA-systeem
(geel) zal gaan brandenals het LKA-systeem niet
goed werkt. We adviseren u hetsysteem te laten controleren door
een officiële Hyundai-dealer.
Handel bij een probleem met het
systeem als volgt:
• Zet de motor uit en vervolgens weer aan en schakel het systeem in.
• Controleer of het contact in stand ON staat.
• Controleer of het systeem wordt beïnvloed door het weer (mist,
zware regenval, enz.).
• Controleer of de lens van de camera vuil is.
Is het probleem niet opgelost, dan
raden we u aan het systeem door
een officiële HYUNDAI-dealer na te
laten kijken.
In de volgende gevallen zal het
LKA-systeem zich niet in de status
ENABLED (ingeschakeld) bevinden
en wordt het stuurwiel niet bediend:
• De richtingaanwijzer is aan voordat er van rijstrook gewisseld wordt.
Als u van rijstrook wisselt zonder
de richtingaanwijzer te gebruiken,
wordt het stuurwiel mogelijkbediend.
• Er wordt niet in het midden van de rijstrook gereden wanneer het
systeem is ingeschakeld of direct
na het wisselen van rijstrook.
• De ESC (elektronische stabiliteits- regeling) of het VSM (VehicleStability Management) is
geactiveerd.
• De auto maakt een scherpe bocht.
• De rijsnelheid is lager dan 60 km/h of hoger dan 180 km/h.
• De auto wisselt abrupt van rijstrook.
• De auto remt plotseling af.
• Er is slechts één rijstrook- markering gesignaleerd.
• De rijstrook zeer breed of smal is.
• De auto maakt een scherpe bocht.
• De auto remt plotseling af.
OOS057084R

5-88
Rijden met uw auto
• U rijdt op een steile helling, overeen heuvel of op een bochtige
weg.
• Slechte wegomstandigheden zorgen voor overmatige trillingen
tijdens het rijden.
• De omgevingstemperatuur van de binnenspiegel is hoog als gevolg
van direct zonlicht, enz.
Als het zicht vooruit slecht is
• De voorruit of de cameralens van het LKAS wordt geblokkeerd door
vuil e.d.
• De voorruit is beslagen; een helder zicht op de weg is niet mogelijk.
• Door het plaatsen van objecten op het dashboard, enz.
• De sensor kan de rijstrook niet waarnemen als gevolg van mist,
zware regenval of sneeuw.Wijzigen functie LKA-systeem
De bestuurder kan overschakelen van het LKA-systeem naar het Lane
Departure Warning-systeem (LDW) ofin de modus LKA-systeem wisselen
tussen Standaard LKA en Actieve
LKA op het LCD-display. Ga naar
"Gebruikersinstellingen →
Bestuurdershulp →LKA (Hulp bij
rijbaan aanhouden) →LDW
(Waarschuwing bij
rijbaanwissel/Standaard LKA/ActieveLKA)". Het systeem is automatisch ingesteld op Standaard LKA als ergeen functie is geselecteerd.
Lane Departure Warning
Het LDW-systeem waarschuwt debestuurder zichtbaar en hoorbaar als
het systeem signaleert dat de auto
de rijstrook verlaat. Het stuurwiel
wordt niet bediend.
Standaard LKA
De Standaard LKA-modus helpt de
bestuurder de auto op de rijstrook te
houden. Het bedient nagenoeg nooithet stuurwiel als de auto goed op de
rijstrook rijdt. Als de auto de rijstrook
dreigt te verlaten, begint het het
stuurwiel echter wel te bedienen.
Actieve LKA
De modus Actieve LKA biedt een
intensievere bediening van het
stuurwiel in vergelijking met de
modus Standaard LKA. De ActieveLKA-modus kan helpen bij het
tegengaan van vermoeidheid bij debestuurder door te helpen de auto in
het midden van de rijstrook tehouden.

7
Zekeringen ............................................................7-36Vervangen zekering zijpaneel......................................7-37
Vervangen zekering motorruimte ...............................7-39
Zekering-/relaiskast ......................................................7-41
Gloeilampen ..........................................................7-54 Vervangen van gloeilamp koplamp,
Statische verlichting Low Beam Assist, parkeerlicht,
richtingaanwijzer en dagrijverlichting .......................7-55
Mistlampen voor..............................................................7-59
Afstellen van koplamp en mistlamp voor (Europa) 7-59
Lamp richtingaanwijzer opzij vervangen ..................7-64
Vervangen van lamp achterlicht ..................................7-64
Gloeilamp derde remlicht vervangen..........................7-66
Vervangen van gloeilamp kentekenplaatverlichting7-66
Gloeilamp interieurverlichting vervangen .................7-67
Onderhoud exterieur ...........................................7-68 Exterieur, onderhoud .....................................................7-68
Onderhoud interieur .......................................................7-73
Emissieregelsysteem............................................7-76 Carterventilatiesysteem .................................................7-76
Brandstofdampafzuigsysteem .....................................7-77
Emissieregelsysteem ......................................................7-77

7-55
7
Onderhoud
Vervangen van gloeilamp
koplamp, Statische verlichting
Low Beam Assist, parkeerlicht,
richtingaanwijzer en
dagrijverlichting
Type A
(1) Koplamp (grootlicht)
(2) Koplamp (dimlicht)
(3) Dagrijverlichting (indien vantoepassing)/parkeerlicht
(4) Richtingaanwijzer
(5) Mistlampen voor (indien van toepassing) • Behandel halogeenlampen altijd
voorzichtig om krassen te
voorkomen. Voorkom contact met
vloeistoffen wanneer de lampen
branden.
• Raak het glas nooit met de vingers aan. Door achtergebleven vet kan
de lamp te heet worden en
knappen wanneer deze brandt.
• De lamp mag alleen in gemonteerde toestand worden
ingeschakeld.
• Vervang een beschadigde of gebarsten lamp direct en gooi deze
niet zomaar weg.
•Behandel halogeenlampen
voorzichtig. Halogeenlampen
bevatten gas onder druk,zodat er kleine glasdeeltjes
vrijkomen die letsel kunnen
veroorzaken als de lampbreekt.
•Draag bij het vervangen van een lamp een veiligheidsbril.
Laat de lamp alvorens hem te
vervangen afkoelen.
WAARSCHUWING
OLMB073042L
OOS077033

7-57
7
Onderhoud
Type B
(1) Koplamp (dimlicht/grootlicht)
(2) Statische verlichting Low BeamAssist
(3) D a g r i j v e r lichting/parkeerlicht
(indien van toepassing)
(4) Richtingaanwijzer(5) Mistlampen voor (indien van toepassing) • Behandel halogeenlampen altijd
voorzichtig om krassen te
voorkomen. Voorkom contact met
vloeistoffen wanneer de lampen
branden.
• Raak het glas nooit met de vingers aan. Door achtergebleven vet kan
de lamp te heet worden en
knappen wanneer deze brandt.
• De lamp mag alleen in gemonteerde toestand worden
ingeschakeld.
• Vervang een beschadigde of gebarsten lamp direct en gooi deze
niet zomaar weg.
Koplamp
We adviseren u, als de LED-
verlichting niet werkt, de auto te latencontroleren door een officiële
Hyundai-dealer.
OOS077052•Behandel halogeenlampen
voorzichtig. Halogeenlampen
bevatten gas onder druk,zodat er kleine glasdeeltjes
vrijkomen die letsel kunnen
veroorzaken als de lampbreekt.
•Draag bij het vervangen van een lamp een veiligheidsbril.
Laat de lamp alvorens hem te
vervangen afkoelen.
WAARSCHUWING
OLMB073042L