5-37
Rijden met uw auto
5
Op wegen met los grind of wegen die niet vlak zijn kan het
antiblokkeersysteem voor een
langere remweg zorgen dan bij
auto’s zonder antiblokkeersysteem.
Het waarschuwingslampje ABS ( ) gaat nadat het contact in stand ON is
gezet enkele seconden branden. Het
ABS voert dan een zelfdiagnose uit
en het lampje zal doven wanneer
alles in orde is. Wanneer het lampje
blijft branden, is er mogelijk een
probleem aanwezig in het ABS. We
adviseren u zo snel mogelijk contactop te nemen met een officiële
HYUNDAI- dealer.Als u op een weg rijdt waar erg
weinig grip is, bijvoorbeeld op een
bevroren wegdek, en voortdurend
de remmen bedient, is het ABS
voortdurend in werking en kan het
waarschuwingslampje ABS ( )gaan branden.
Zet de auto op een
veilige plaats stil en zet de motor uit.
Start de motor opnieuw. Als het
waarschuwingslampje ABS dooft,
is het ABS in orde.
Anders is er mogelijk een storing
in het ABS. We adviseren u zo snel
mogelijk contact op te nemen met
een officiële HYUNDAI-dealer.
Informatie
Als u de auto met een hulpaccu
moet starten doordat de accu is
leeggeraakt, kan het
waarschuwingslampje ABS gaan
branden ( ). Dit komt door de lage
accuspanning. Het betekent niet dat
er een storing in het ABS is. Laat de
accu bijladen voordat u wegrijdt.
Elektronische
stabiliteitsregeling (Electronic
Stability Control-ESC)
(indien van toepassing)
De elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) is ontworpen om de stabiliteit
van de auto in bochten te
verbeteren. Het ESC controleert in
welke richting u stuurt en in welke
richting de auto daadwerkelijk
beweegt. De ESC remt de wielen
gericht af en grijpt in in het
motormanagementsysteem om debestuurder te helpen de auto op de
gewenste koers te houden.
i
AANWIJZING
OOS057012
Wanneer het waarschu-
wingslampje ABS ( ) blijft
branden, is er mogelijk een
probleem aanwezig in het ABS. De
rembekrachtiging werkt normaal.Om de kans op ernstig letsel te
beperken adviseren we u zo snel
mogelijk contact op te nemen met
een officiële HYUNDAI-dealer.
WAARSCHUWING
5-40
Rijden met uw auto
Voertuigstabiliteitsregeling(ESC) uitschakelen
Tijdens het rijden
De ESC OFF-modus mag alleen kort
worden gebruikt om weg te rijden als
u vastzit in sneeuw of modder. Door
de ESC tijdelijk uit te schakelen, kan
het niet-doorslippende wiel koppel
overbrengen.
Schakel de elektronische
stabiliteitsregeling tijdens het rijden
alleen uit als u op een vlakke weg
rijdt.
Om schade aan de transmissie te
voorkomen:
• Laat het/de wiel(en) van een as niet overmatig doorslippen als
de waarschuwingslampjes van
de ESC, het ABS en hetparkeerremsysteem branden.
Eventuele schade aan
onderdelen die hierdoor kan
ontstaan valt niet onder de
fabrieksgarantie. Verlaag het
motorvermogen en laat het/de
wiel(en) niet overmatig
doorslippen als deze
waarschuwingslampjes branden. • Schakel de ESC uit
(controlelampje ESC OFFbrandt) als de auto op een
rollenbank getest wordt.
Informatie
Het uitschakelen van de ESC heeft
geen gevolgen voor een correcte
werking van het ABS en het
remsysteem.
Vehicle Stability Management
(VSM) (indien van toepassing)
Het Vehicle Stability Management
(VSM) is een functie van het ESC-systeem (elektronische stabiliteitsrege-
ling). Het helpt de auto stabiel tehouden bij het plotseling accelereren ofremmen op een nat, glad of slecht
wegdek waarbij de tractie van de vier
banden plotseling sterk kan verschillen.
VSM uitschakelen
VSM AAN-conditie
Het VSM werkt als:
• De elektronische stabiliteits- regeling (ESC) geactiveerd is.
• De rijsnelheid hoger is dan ongeveer 15 km/h op bochtige
wegen.
i
AANWIJZING
Neem de volgende voorzorgs-
maatregelen bij het gebruik van
het VSM (Vehicle Stability
Management):
•Houd ALTIJD de snelheid en
de afstand tot de voorligger in
de gaten. Het VSM is geen
vervanging voor een veilig
rijgedrag.
•Rijd niet harder dan de
toestand van de weg toelaat.
Het VSM-systeem voorkomt
geen ongevallen. Een te hoge
snelheid bij slechte
weersomstandigheden, een
glad of slecht wegdek kunnennog steeds leiden tot een
ernstig ongeval.
WAARSCHUWING
5-42
Rijden met uw auto
Noodstopsignaal
(Emergency Stop Signal-ESS)
(indien van toepassing)
Het Emergency Stop Signal-systeem
waarschuwt achteropkomendebestuurders door de remlichten te
laten knipperen wanneer de auto
plotseling sterk afremt.
Het systeem wordt geactiveerd als:
• De auto plotseling afremt. (Deremvertraging is hoger dan 7 m/s 2
en de rijsnelheid is hoger dan 55 km/h)
• Het ABS is geactiveerd en de rijsnelheid is hoger dan 55 km/h.
De alarmknipperlichten worden
automatisch ingeschakeld nadat deremlichten zijn gaan knipperen als:
• De rijsnelheid lager is dan 40 km/h,
• Het ABS gedeactiveerd is, en
• De auto niet meer sterk afremt.
De alarmknipperlichten gaan UIT:
• Als de auto gedurende een bepaalde periode met lage snelheid
rijdt. De bestuurder kan de alarmknip-
perlichten handmatig uitschakelen
door op de toets voor de
alarmknipperlichten te drukken.
Informatie
Het ESS-systeem (Emergency Stop
Signal) wordt niet geactiveerd als de
alarmknipperlichten al knipperen.
Downhill Brake Control (DBC)
(indien van toepassing)
De Downhill Brake Control (DBC)
assisteert de bestuurder bij het
afrijden van een steile helling zonderdat de bestuurder het rempedaal
hoeft in te trappen. Het systeem vermindert de snelheidtot lager dan 8 km/h (auto's met
Double clutch-transmissie) of tot 8
km/h (auto's met handgeschakelde
transmissie) zodat de bestuurderzich kan concentreren op het
besturen van de auto.
• De standaardinstelling voor de
DBC is UIT als het contact in
stand ON wordt gezet.
• Wanneer het DBC-systeem wordt geactiveerd, kunnen de
remmen geluid maken of trillen.
• De remlichten gaan branden als de DBC geactiveerd is.
AANWIJZING
i
OOS057058 Schakel de DBC altijd uit op
normale wegen. De DBC kan
onbedoeld geactiveerd worden
vanuit de stand-bymodus bij het
rijden over verkeersdrempels of
het maken van een scherpe
bocht.
WAARSCHUWING
5-51
Rijden met uw auto
5
Het ISG-systeem dient om brandstof te besparen door de motor
automatisch uit te zetten als de auto
stilstaat (bijvoorbeeld voor een rood
verkeerslicht, door een stopteken ofin een file).
De motor wordt automatisch gestart
als aan de startvoorwaarden voldaan
is. Het ISG-systeem is altijd actief als
de motor draait.Informatie
Als de motor automatisch gestart
wordt door het ISG-systeem kunnen
sommige waarschuwingslampjes
(bijvoorbeeld ABS, ESC, ESC OFF,
EPS en het waarschuwingslampje van
het parkeerremsysteem) enkele
seconden gaan branden als gevolg van
een lage accuspanning. Dat wijst
echter niet op een storing in het ISG-
systeem.Activeren van het ISG-systeem
Voorwaarden voor activeren
Het ISG-systeem werkt in de
volgende situaties.
- De veiligheidsgordel van de bestuurder is vastgemaakt.
- Het bestuurdersportier en de motorkap zijn gesloten.
- Het vacu
7-25
7
Onderhoud
Met een hulpaccu
Rijd na het starten met behulp van een hulpaccu gedurende 20 - 30
minuten met de auto alvorens hem
uit te zetten. De auto kan mogelijk
niet opnieuw gestart worden als u
hem uitzet voordat de accu de kansgehad heeft om goed op te laden.
Zie "Starten met hulpaccu" in
hoofdstuk 6 voor meer informatie
over procedures voor het starten meteen hulpaccu.Informatie Een onjuist afgevoerde accukan schadelijk zijn voor het
milieu en voor de
gezondheid.
Voer de batterij volgens de wettelijke
voorschriften af.
i
•Houd de accu tijdens het
laden in de gaten; beëindighet laden of wijzig de
laadstroom wanneer de
elektrolyt in de cellen begintte borrelen.
•Neem de minkabel van de
accu altijd eerst los en sluit de
minkabel van de accu altijd
als laatste weer aan. Neem de
acculader in de onderstaande
volgorde los:
(1) Zet de hoofdschakelaar van de acculader uit.
(2) Neem de klem los van de minpool.
(3) Neem de klem los van de pluspool.
•Gebruik voor het vervangen
altijd een originele, door
HYUNDAI goedgekeurde accu.
AGM-accu
(indien van toepassing)
•AGM-accu's (Absorbed Glass
Mat) zijn onderhoudsvrij. We
adviseren u deze te latenonderhouden door een
officiële Hyundai-dealer.
Gebruik voor het opladen van
AGM-accu's alleen volledig
automatische opladers die
speciaal hiervoor ontwikkeldzijn.
•We adviseren u voor het
vervangen van de AGM-accu
vervangende onderdelen te
gebruiken die geleverd zijndoor een officiële Hyundai-
dealer.
•Open of verwijder de
afdekkap bovenop de accu
niet. Hierdoor kan het
elektrolyt uit de accu gaanlekken wat tot ernstig letselkan leiden.
OPMERKING
7-26
Onderhoud
Te resetten onderdelen
De volgende onderdelen moeten nadat de accu is ontladen of na het
weer aansluiten van de accukabels
mogelijk gereset worden. • Ruit automatisch omhoog/omlaag• Schuifdak
• Tripcomputer
• Verwarmings- en ventilatiesysteem• Geheugen bestuurdersstoel• Klok
• Audiosysteem•Controleer bij het controleren
van de bandenspanning ook
altijd die van het reservewiel.
•Vervang banden die
(ongelijkmatig) versleten of
beschadigd zijn. Versletenbanden kunnen een
verminderde remwerking,
verlies van de controle over
de auto en verminderde
tractie veroorzaken.
•Vervang banden ALTIJD door
banden van dezelfde maat als
de originele banden van deze
auto. Het gebruik van eenandere dan de
voorgeschreven bandenmaat
kan een negatieve invloed
hebben op het rijgedrag en
kan ervoor zorgen dat u de
controle over de auto verliest
of kan invloed hebben op het
antiblokkeersysteem (ABS)
van uw auto, waardoor een
ernstig ongeval kan ontstaan.
BANDEN EN VELGEN
Door bandproblemen kunt u de
controle over de auto verliezen,
waardoor er een ongeval kan
ontstaan. Tref de volgende
voorzorgsmaatregelen om dekans op ERNSTIG LETSEL tebeperken:
•Controleer de bandenspan-
ning maandelijks. Controleerde banden daarnaast op
slijtage en beschadigingen.
•De aanbevolen banden-
spanning bij koude bandenstaat in dit instructieboekje enop het bandenspanningslabel
op de middenstijl aan
bestuurderszijde. Gebruikaltijd een bandenspan-ningsmeter om debandenspanning te meten.
Banden met een te hoge of
een te lage spanning slijten
ongelijkmatig, wat een
negatieve invloed op dehandling heeft.
WAARSCHUWING
7-30
Onderhoud
Wanneer de auto tijdens het rijden
op een vlakke weg trilt, kan het zijndat de wielen opnieuw moeten
worden gebalanceerd.
De verkeerde balanceergewichtjes
kunnen de lichtmetalen velgen
van uw auto beschadigen.
Gebruik alleen goedgekeurde
balanceergewichtjes.
Banden vervangen
Als de band gelijkmatig afgesleten is,
verschijnt de slijtage-indicator als
een ononderbroken lijn door hetloopvlak.Dit geeft aan dat er minder dan 1,6 mm profieldiepte op de band
aanwezig is. Vervang in dat geval deband.
Wacht niet met het vervangen van de
band totdat de slijtage-indicator over
de gehele profielbreedte zichtbaar is.
AANWIJZING
OLMB073027
Slijtage-indicator
Het gebruik van een andere
dan de voorgeschrevenbandenmaat kan een
negatieve invloed hebben op
het rijgedrag en kan ervoor
zorgen dat u de controle over
de auto verliest of kan invloedhebben op het
antiblokkeersysteem (ABS)
van uw auto, waardoor een
ernstig ongeval kan ontstaan.
•Geadviseerd wordt banden (of
wielen) altijd per twee (voor of
achter) te vervangen. De
handling van de auto kan
ernstig beïnvloed worden
wanneer slechts één band
wordt vervangen. Als er
slechts twee banden
vervangen worden, wordt
geadviseerd de nieuwe
banden op de achteras temonteren.
Om de kans op ERNSTIG LETSEL te beperken:
•Vervang banden die
(ongelijkmatig) versleten of
beschadigd zijn. Versletenbanden kunnen een
verminderde remwerking,
verlies van de controle over
de auto en verminderde
tractie veroorzaken.
•Vervang banden altijd door
banden van dezelfde maat als
de originele banden van dezeauto.
WAARSCHUWING
7-52
Onderhoud
Naam zekeringSymboolStroomsterkte zekeringBeschermd circuit
IGN COILIGN COIL20ABobine #1- #3
ECU3E315AECM
A/CON10ARelaiskast PCB (relais A/CON)
ECU5E510AECM
SENSOR4S415A-
ABS3310AMultifunctionele servicestekker, ESC-module
TCM2T215A-
SENSOR3S310AVerbindingsblok motorruimte (RLY.7)
ECU4E415AECM
KOPLAMP10ARelaiskast PCB (relais koplamp (grootlicht))
CLAXON15ARelaiskast PCB (claxonrelais)