
Airconditioning
Luchtroosters
Om de v
er
warming, afkoeling en ventilatie in
het interieur te garanderen, mogen de lucht-
roosters ››› afb. 196 A nooit volledig geslo-
t en w
or
den.
● Om de luchtroosters te openen en sluiten,
draait u het
kartelwieltje (inzet) in de gewen-
ste richting. Als het wieltje in de stand
staat, is het luchtrooster gesloten.
● De luchtrichting oriënteren met de hendel
van het
ventilatierooster.
Er zijn ook luchtroosters die niet versteld
kunnen worden; deze zijn te vinden in het in-
strumentenpaneel B , in de beenruimte en
ac ht
erin de w
agen. VOORZICHTIG
Zet nooit voedingsmiddelen, medicijnen of
andere v
oorwerpen die warmtegevoelig zijn
vóór de luchtroosters. De voedingsmiddelen,
medicijnen of andere voorwerpen die warmte-
gevoelig zijn kunnen beschadigd of onbruik-
baar raken als gevolg van de lucht die uit de
luchtroosters stroomt. Let op
De uit de luchtroosters komende lucht die
door het hel e int
erieur stroomt, verlaat de
wagen opnieuw door de ventilatiegleuven on-
der de achterruit. De gleuven mogen niet wor-
den afgedekt met stof of andere objecten. Luchtcirculatie
De luchtcirculatiefunctie voorkomt dat het in-
terieur g
ev
uld wordt met buitenlucht.
Bij zeer hoge buitentemperaturen moet de
handmatige instelling van de circulatiefunc-
tie kort geselecteerd worden om het interieur
sneller af te koelen.
Uit veiligheidsoverwegingen wordt de lucht-
circulatie uitgeschakeld zodra op knop
wordt gedrukt of de luchtverdeelknop op
wordt gezet ››› .
L uc
ht
circulatie handmatig aan- en uitzetten
op de airco (handbediende elektrische air-
conditioning)
Inschakelen: druk op knop tot het betref-
fende controlelampje gaat branden.
Uitzetten: druk op knop tot geen enkel
controlelampje meer gaat branden.
Luchtcirculatie handmatig aan- en uitzetten
op de airco (Climatronic)
Inschakelen: druk op knop tot het betref-
fende controlelampje gaat branden.
Uitzetten: druk op knop tot geen enkel
controlelampje meer gaat branden. Werking van de automatische circulatiefunc-
tie
In de stand
stroomt verse lucht in het in-
terieur van de wagen. Wanneer het systeem
een verhoogde concentratie aan schadelijke
stoffen in de buitenlucht vaststelt, wordt de
circulatiefunctie automatisch ingeschakeld.
Wanneer het verontreinigingsniveau opnieuw
een normaal peil bereikt, wordt de circulatie-
functie uitgeschakeld.
Het systeem is niet in staat om onaangena-
me geuren op te sporen.
Bij de volgende buitentemperaturen en -om-
standigheden worde luchtcirculatie niet auto-
matische ingeschakeld:
● Het koelsysteem is ingeschakeld (het con-
trol
elampje in de toets AC gaat branden) en
de om g
ev
ingstemperatuur is lager dan +3 °C
(+38 °F).
● Het koelsysteem en de ruitenwisser zijn uit-
ges
chakeld en de omgevingstemperatuur is
lager dan +10 °C (+50 °F).
● Het koelsysteem is uitgeschakeld en de
omgev
ingstemperatuur is lager dan +15 °C
(+59 °F). De ruitenwisser is uitgeschakeld.
Automatische circulatiefunctie in- en uit-
schakelen
Inschakelen: druk op knop tot het con-
trolelampje aan de rechterzijde gaat bran-
den. »
183
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Bedienen
Uitzetten: druk op knop
t ot geen enkel
controlelampje meer gaat branden.
Automatische circulatiefunctie tijdelijk uit-
schakelen
● Druk eenmaal op de toets om tijdelijk
over t
e schakelen op de handmatige circula-
tiefunctie, indien buiten onaangename geu-
ren worden waargenomen. Het controlelamp-
je aan de linkerzijde gaat branden.
● Druk na meer dan twee seconden opnieuw
op de toets
om de automatische circula-
tiefunctie opnieuw in te schakelen. Het con-
trolelampje aan de rechterzijde gaat bran-
den. ATTENTIE
Veiligheidsaanwijzingen ›››
in Inleiding tot
thema op p ag. 180
in acht nemen.
● Wanneer het koelsysteem niet werkt en de
circ
ulatiefunctie aanstaat, kunnen de ruiten
snel aandampen en kan het zicht zo aanzien-
lijk beperkt worden.
● Schakel de circulatiefunctie uit wanneer u
deze niet nodig heef
t.VOORZICHTIG
In wagens met airconditioning mag niet ge-
rookt w
orden wanneer de luchtcirculatiefunc-
tie is ingeschakeld. De aangezogen rook kan
neerslaan op de verdamper van het koelsys-
teem en op het actieve koolpatroon van het stof- en pollenfilter, wat leidt tot een perma-
nente on
aan
gename geur. Let op
Climatronic: Wanneer de automatische rui-
t en w
issers-/sproeiers werken, wordt bij het
achteruit schakelen de circulatiefunctie inge-
schakeld om te vermijden dat de uitlaatgas-
sen het interieur binnenkomen. Interieurvoorverwarming* (ex-
tr
a
v
erwarming)
Inleiding tot thema De interieurvoorverwarming wordt gevoed
met
br
and
stof van de wagentank en kan zo-
wel gebruikt worden tijdens het rijden als
wanneer de wagen stilstaat. Selecteer in het
instrumentenpaneel de gewenste gebruiks-
wijze (verwarmen of ventileren ) ››› pag.
186.
In de winter kan de interieurvoorverwarming
gebruikt worden in de functie verwarmen
om de voorruit vrij te maken van ijs, damp en
sneeuw (indien het gaat om een dunne laag)
alvorens weg te rijden. ATTENTIE
De gassen van de interieurvoorverwarming
bevatt en o
.a. koolmonoxide, een giftige,
kleur- geurloze substantie. Koolmonoxide
kan tot bewusteloosheid leiden en dodelijk
zijn.
● Gebruik de interieurvoorverwarming nooit
in ges
loten of slecht geventileerde ruimtes.
● Programmeer de interieurvoorverwarming
nooit z
odanig dat deze in afgesloten of niet-
geventileerde ruimtes ingeschakeld wordt en
gaat werken. ATTENTIE
De onderdelen van het uitlaatsysteem van de
interieur v
oorverwarming worden zeer warm.
Hierdoor kan brand ontstaan.
● Parkeer de wagen zo dat geen enkel onder-
deel v
an het uitlaatsysteem in contact kan
komen met brandbare materialen (zoals
droog gras). VOORZICHTIG
Zet nooit voedingsmiddelen, medicijnen of
andere v
oorwerpen die warmtegevoelig zijn
vóór de luchtroosters. De voedingsmiddelen,
medicijnen of andere voorwerpen die warmte-
gevoelig zijn kunnen beschadigd of onbruik-
baar raken als gevolg van de lucht die uit de
luchtroosters stroomt. 184

Airconditioning
Interieurvoorverwarming in- en uit-
s c
h
akelen
Interieurvoorverwarming inschakelen:
Handmatig, met de toets voor on-
middellijke inschakeling.›››
pag.
180
ONHandmatig, met de afstandsbedie-
ning.››› pag.
185
Automatisch, met de geprogram-
meerde en geactiveerde tijd van in-
schakeling.››› pag.
186
Interieurvoorverwarming uitschakelen:
Handmatig, met de toets voor on-
middellijke inschakeling van de air-
conditioning.›››
pag.
180
OFFHandmatig, met de afstandsbedie-
ning.››› pag.
185
Automatisch, na afloop van de ge-
programmeerde tijd.››› pag.
186
Automatisch, wanneer het controle-
lampje gaat branden (brandstofre-
serve).››› pag.
276
Automatisch, wanneer het accupeil
een zeer laag niveau bereikt.››› pag.
296 Bijzonderheden
Na uits
c
h
akeling blijft de interieurvoorver-
warming nog een tijdje werken om de over- blijvende brandstof in de interieurvoorver-
warming t
e verbranden. Daarnaast worden
de uitlaatgassen uit het systeem geleid.
Afstandsbediening Afb. 197
Interieurvoorverwarming: afstands-
bedienin g.
afb.
197Betekenis
ONInterieurvoorverwarming inschakelen.
OFFInterieurvoorverwarming uitschakelen.
AAntenne.
BControlelampje. Indien bij vergissing een knop van de af-
s
tand
sbediening wordt ingedrukt, kan de in-
terieurvoorverwarming onbedoeld ingescha-
keld worden. Dit kan ook gebeuren wanneer men zich buiten de actieradius bevindt of in-
dien het contr
olelampje knippert.
Controlelampje van de afstandsbediening
Het controlelampje van de afstandsbedie-
ning biedt de gebruiker allerhande informatie
met een enkele knop:
Controlelampje
van de accu afb.
197 BBetekenis
Brandt groen gedu-
rende een tweetal se-
conden.De interieurvoorverwarming is
ingeschakeld met de toets ON.
Brandt rood geduren-
de een tweetal secon-
den.De interieurvoorverwarming is
uitgeschakeld met de toets
OFF
.
Knippert traag groen
gedurende een twee-
tal seconden.Er is geen inschakelsignaal
ontvangen a)
.
Knippert snel groen
gedurende een twee-
tal seconden.
De interieurvoorverwarming is
geblokkeerd.
Mogelijke oorzaken: de brand-
stoftank is bijna leeg, de accu-
spanning is zeer laag of er is
een storing.
Knippert rood gedu-
rende een tweetal se-
conden.Er is geen uitschakelsignaal
ontvangen a)
.» 185
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

AirconditioningMenuoptiesBeschrijving
Inschake-
len
Uitschake-
len
Instellen of en wanneer u wenst dat de
interieurvoorverwarming automatisch
ingeschakeld wordt. Selecteer daar-
voor een timer:
– De timer verschijnt aangeduid met
een
.
– Er kan telkens maar één timer gese-
lecteerd worden. Indien een timer ge-
selecteerd werd, verschijnt op het dis-
play Programm. ON . Indien geen en-
kele timer geselecteerd werd, wordt op
het display van het instrumentenpa-
neel Programm. OFF weergegeven.
– Om de reeds geprogrammeerde ti-
mer te wijzigen, kiest u een andere ti-
mer of selecteert u de optie Uitscha-
kelen .
Timer 1
Timer 2
Timer 3
Drie verschillende timers instellen
(uu.mm), die daarna geselecteerd kun-
nen worden in de optie Inschake-
len. Indien u de interieurvoorverwar-
ming slechts één bepaalde dag van de
week wenst in te schakelen, moet u de
dag van de week en het uur van in-
schakeling selecteren.
TijdsduurDe werkingsduur kan variëren tussen
10 en 60 minuten en kan ingesteld
worden met intervallen van 5 minuten.
Werkwijze
Bij het inschakelen van de interieur-
voorverwarming instellen of het interi-
eur verwarmd of geventileerd moet
worden.
DagDe dag van de huidige week instellen.
MenuoptiesBeschrijving
Afstelling in produc-
tieDe vooraf ingestelde waarden in pro-
ductie voor de functies van dit menu
worden opnieuw ingesteld.
TerugEr wordt teruggekeerd naar het hoofd-
menu. De programmering verifiëren
Indien de timer
geactiv
eerd is, zal na het
uitschakelen van het contact het controle-
lampje van de toets voor onmiddellijke in-
schakeling gedurende een 10-tal secon-
den b lij
v
en branden. ATTENTIE
Programmeer de interieurvoorverwarming
nooit z
odanig dat deze in afgesloten of niet-
geventileerde ruimtes ingeschakeld wordt en
gaat werken. De gassen van de interieurvoor-
verwarming bevatten o.a. koolmonoxide, een
giftige, kleur- geurloze substantie. Koolmo-
noxide kan tot bewusteloosheid leiden en do-
delijk zijn. Gebruiksaanwijzingen
Het uitlaatsysteem van de interieurvoorver-
w
armin
g, d
at zich onder de wagen bevindt,
mag niet geblokkeerd of verstopt zijn door
sneeuw, modder of andere voorwerpen. De
uitlaatgassen moeten ongehinderd kunnen worden afgevoerd. De uitlaatgassen die ont-
staan w
anneer de interieurvoorverwarming
werkt, worden afgevoerd via een uitlaatpijp,
die aan de onderzijde van de wagen is aan-
gebracht.
Bij de verwarming van het interieur, wordt de
warme lucht eerst naar de voorruit geleid, af-
hankelijk van de omgevingstemperatuur, en
daarna naar de rest van het interieur via de
luchtroosters. Indien de luchtroosters bij-
voorbeeld gericht zijn naar de ruiten, kan dit
de wijze van luchtverdeling beïnvloeden.
Naargelang de buitentemperatuur, kan de
temperatuur waarmee de interieurvoorver-
warming het interieur verwarmt iets hoger
zijn indien voor het inschakelen van de ver-
warming de temperatuurregelaar van de ver-
warming of airconditioning op de maximale
stand was ingesteld.
Naargelang de motor kunnen wagens met in-
terieurvoorverwarming uitgerust zijn met een
tweede accu in de bagageruimte, die de inte-
rieurvoorverwarming van stroom voorziet.
In welke gevallen wordt de interieurvoorver-
warming niet geactiveerd?
● De interieurvoorverwarming heeft ongeveer
evenv
eel stroom nodig als het dimlicht. In-
dien het accupeil zeer laag is, wordt de interi-
eurvoorverwarming automatisch uitgescha-
keld of zelfs niet geactiveerd. Op die manier »
187
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Rijden
Wagens waarin op het instrumentenpaneel
de v
er
snellingen worden weergegeven, hel-
pen u zuiniger te rijden omdat op het instru-
mentenpaneel aangegeven wordt wanneer u
het beste kunt op- of terugschakelen.
Laten uitrijden
Als u uw voet van het gaspedaal haalt, wordt
de brandstoftoevoer onderbroken en daalt
het brandstofverbruik.
Laat de wagen uitrijden als u ziet dat u bij-
voorbeeld een rood stoplicht nadert. Alleen
als de wagen te langzaam uitrijdt of als de af
te leggen afstand te lang is, wordt aangera-
den het koppelingspedaal in te trappen om
te ontkoppelen. De motor draait vervolgens
stationair.
Als u denkt dat u langere tijd stil zult staan,
dan kunt u de motor afzetten; bijvoorbeeld
bij een spoorwegovergang. In wagens met
een geactiveerd Start-Stop-functie, wordt de
motor automatisch uitgeschakeld wanneer
de wagen stopt.
Anticiperend rijden en met het verkeer "mee-
stromen"
Als u vaak remt en gas geeft, neemt het
brandstofverbruik aanzienlijk toe. Als u anti-
ciperend rijdt en een veilige afstand tot uw
voorliggers aanhoudt, kunt u de verschillen-
de snelheden waarmee u rijdt compenseren
door slechts uw voet van het gaspedaal te halen. Het is dan niet meer nodig om actief
te remmen en g
as te geven.
Rustig en gelijkmatig rijden
Constantheid is belangrijker dan snelheid:
hoe gelijkmatiger er gereden wordt, des te la-
ger het brandstofverbruik.
Als u op de snelweg rijdt, blijkt het effectie-
ver te zijn om met een constante en matige
snelheid te rijden dan wanneer u constant
gas geeft en remt. In het algemeen geldt dat
u even snel op uw eindbestemming aankomt
wanneer u constant rijdt.
Het snelheidsregelsysteem helpt u een con-
stantere rijstijl aan te nemen.
Extra verbruikers matig gebruiken
Het is belangrijk dat u comfortabel reist,
maar u moet de comfortsystemen dan wel
ecologisch gebruiken.
Dit is omdat sommige aangesloten appara-
ten een hoger brandstofverbruik veroorza-
ken; voorbeelden:
● Koelsysteem van airconditioning: als de
airconditionin
g een aanzienlijk temperatuur-
verschil moet creëren, is daarvoor veel door
de motor geproduceerde energie voor nodig.
Daarom wordt aangeraden het verschil tus-
sen de temperatuur in de wagen en de bui-
tentemperatuur niet te veel laten verschillen.
Het is soms nuttig de wagen voor het rijden te ventileren en eerste een korte afstand met
de ruiten open te rijden.
Vervolgens kunt u
de airconditioning met de ruiten gesloten
aanzetten. Houd de ruiten bij hoge snelhe-
den gesloten. Bij geopende ruiten neemt het
brandstofverbruik toe.
● Schakel de stoelverwarming uit wanneer u
uw doel ber
eikt heeft.
● Schakel de achterruit- en de voorruitverwar-
ming uit w
anneer de ruiten vochtvrij zijn en
er geen ijs meer op zit.
● Laat de interieurvoorverwarming niet aan-
staan al
s de wagen in beweging is ››› pag.
184.
Korte ritten mijden
Als de motor koud is, verbruikt de motor di-
rect na het starten veel meer brandstof. U
moet kilometers maken om de motor op te la-
ten warmen en het brandstofverbruik te nor-
maliseren.
Motor en katalysator moeten hun optimale
bedrijfstemperatuur hebben bereikt om ver-
bruik en brandstofemissie doeltreffend te re-
duceren. Van doorslaggevende betekenis is
in dit verband ook de omgevingstempera-
tuur.
Vermijd daarom onnodige korte trajecten en
combineer ritten.
De wagen verbruikt in de winter meer brand-
stof dan in de zomer, zelfs onder gelijke om-
standigheden. »
207
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Verzorging en onderhoud
Een lakpolijstmiddel of andere schurende
mid del
en mog
en bij het onderhoud van de
wielen niet worden gebruikt.
Als de beschermende laklaag (bijv. door
steenslag) is beschadigd, moet de laklaag zo
spoedig mogelijk worden hersteld.
Afdichtrubbers onderhouden De afdichtrubbers van portieren, ruiten, enz.
blij
v
en soepeler, sluiten beter af en gaan lan-
ger mee, als deze regelmatig met een conser-
veringsmiddel voor rubber (bijv. siliconens-
pray) worden behandeld.
Verwijder voor de behandeling met een zach-
te doek stof en vuil van de afdichtrubbers.
Portierslotcilinder ontdooien Om portierslotcilinders te ontdooien advi-
seer
t
SEAT u de originele SEAT-spray te ge-
bruiken, die voor een vette en corrosieweren-
de laag zorgt. VOORZICHTIG
Als u voor het ontdooien van de portierslotci-
linders pr
oducten gebruikt met ontvetter, dan
kan de portierslotcilinder gaan roesten. Onderstel van wagen beschermen
De onderzijde van de wagen is tegen chemi-
sc
he en mec
hanische invloeden beschermd.
De beschermende laag van het onderstel kan
tijdens het rijden beschadigd raken. Daarom
adviseert SEAT u om de beschermende laag
aan de onderzijde van de wagen en van het
onderstel vóór en na het koude jaargetijde
regelmatig te controleren en zo nodig te laten
bijwerken. ATTENTIE
De extra bescherming voor het onderstel van
de wag en, of
de antiroestproducten kunnen
vlam vatten door het hete uitlaatsysteem of
door andere hete motordelen.
● Breng nooit een bodembeschermingslaag
of corr
osiewerend middel op uitlaten, kataly-
satoren, hitteschilden of andere wagenonder-
delen die heel heet kunnen worden aan. Reiniging van de motorruimte
De motorruimte van elke wagen is een ge-
v
aarlijk
g
ebied ›››
pag. 284.
Het schoonmaken van de motorruimte mag
alleen door deskundig personeel worden uit-
gevoerd. Als het schoonmaken niet goed uit-
gevoerd wordt, kan de roestwerende be-
scherming aangetast worden en kunnen
sommige elektrische onderdelen beschadigd raken. Daarnaast kan er via de waterkast di-
rect w
ater in het interieur terecht komen ››› .
A l
s
de motorruimte erg vies is, laat dan een
gespecialiseerde werkplaats de motorruimte
op een professionele manier schoonmaken.
SEAT raadt u aan de Technische Dienst te
raadplegen.
Waterkast
De waterkast bevindt zich in de motorruimte,
tussen de voorruit en de motor, onder een af-
dekking met gaten. Via de waterkast wordt
de buitenlucht met de verwarming en de air-
conditioning naar het interieur geleid.
Regelmatig moeten bladresten en andere los-
se voorwerpen met een stofzuiger of met de
hand van het deksel van de waterkast wor-
den verwijderd. ATTENTIE
Bij werkzaamheden aan de motor of in de mo-
torruimt e k
unt u letsel of brandwonden oplo-
pen, of ongevallen of brand veroorzaken.
● Bestudeer voordat u de werkzaamheden
star
t eerst wat u moet doen en welke algeme-
ne veiligheidsmaatregelen u moet nemen
››› pag. 284.
● SEAT raadt aan om daarvoor een gespeciali-
seerde werkp
laats te raadplegen. » 269
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid

Trefwoordenlijst
wagen blokkeren na activering . . . . . . . . . . . . 116
w ag
en
verzorgen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 274
werking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71
zij-airbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
Airconditioning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 180 bedieningselementen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 36
bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182
climatronic . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 36, 180
gebruiksaanwijzingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 181
handbediende elektrische airconditioning . . 180
indirecte ventilatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182
knoppen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 180
luchtcirculatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 183
luchtroosters . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182
plaatsen achterin . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 181
storingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182
Alarmlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25
Alarmsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121 aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 251
Interieurbewaking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 122
vals alarm . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 122
Wegsleepbeveiliging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 122
Alcantara . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 271
Antenne . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 260, 275
Antiblokkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . 211, 212
Antidiefstalbouten antidiefstal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45, 84
Antimistlampen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24
Antivries . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40, 292
Antivriesmiddel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40
Armsteun . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 155
Asbak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 176
Asbelastingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 312
ASR in- en uitschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
zie Remhulpsystemen . . . . . . . . . . . . . . 212, 214
zie ook Aandrijfslipregeling . . . . . . . . . . . . . . . 211 Auto Hold . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 215
Automati
sche rijlichtregeling . . . . . . . . . . . . . . . 134
Automatische versnellingsbak . . . . . . . . . . . . . . 201 kick-down . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 203
noodontgrendeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35
rijadviezen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 203
storing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 204
uittrekblokkering van contactslot . . . . . . . . . . 191
Automatische wasinstallaties zie Wassen van de wagen . . . . . . . . . . . . . . . . 264
Autosleutelset . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
Auto wassen sensoren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 218, 222
AUX-IN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 111
B Bagage . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 157
Bagagenet als tas in bagageruimte . . . . . . . . . . 167
Bagageruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10, 126, 157 achterbank als laadoppervlak neerklappen . . 158
bagageruimteverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . 139
elektrisch openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
elektrisch sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
hoedenplank . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 160
net . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 167
noodontgrendeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
railsysteem met bevestigingselementen . . . . 164
rijden met geopende achterklep . . . . . . . . . . . 156
scheidingsnet . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 162
sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
vergroten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 158
Banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 300 aanduiding van het bandtype . . . . . . . . . . . . . 307
aanduiding voor banden met noodspannings- eigenschappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 308
bandenspanning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 304
bandenspanningsensor . . . . . . . . . . . . . . . . . . 305 behandeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 301
besc
hadiging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 306
code . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 307
doorgedrongen vreemde voorwerpen . . . . . . . 306
dopjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 305
draairichtinggebonden banden . . . . . . . . . . . . 308
excentriciteit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 307
fouten in de uitlijning van de wielen . . . . . . . . 307
identificatiecode van de band (TIN) . . . . . . . . 308
looprichtinggebonden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49
nieuw . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 303
opslag . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 302
oud . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 302
serienummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 308
slijtagemerktekens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 306
slijtage van de banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 306
snelheidssymbool . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 309
technische gegevens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 307
velgen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 302
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 303
verwisselen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45
voorkomen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 301
wielbalans . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 307
wielen onderling verwisselen . . . . . . . . . . . . . 301
winterbanden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 309
Bandenafdichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44, 86
Bandenafdichtset . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44, 86 band afdichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 87
band oppompen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 87
controle na 10 minuten rijden . . . . . . . . . . . . . . 88
gevallen waarin het niet mag worden gebruikt 86
meer dan een beschadigde band . . . . . . . . . . . 86
onderdelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 87
Banden met noodspanningseigenschappen aanduiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 308
Bandenprofiel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 305
Bandenreparatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86
322

Trefwoordenlijst
Sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113 bag
ag
eruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10, 127
elektrische ruitbediening . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
motorkap . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
panoramadak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12
Sluiten en openen in geval van nood panoramaschuifdak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13
Sluitkrachtbegrenzing elektrische schuifdeuren . . . . . . . . . . . . . . . . . 124
panoramaschuifdak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 132
rolgordijn . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 132
ruiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 130
Sneeuwkettingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50, 313 vierwielaandrijving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
Snelheidsregelsysteem (GRA) . . . . . . . . . . . 32, 229 controlelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 229
waarschuwingslampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 229
Snelheidsregelsysteem (SRS) gebruiken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 230
Snelheidssymbool . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 309
Spanningsbegrenzer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68
Spraakbediening . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 112
Stabilisatie van wagen/aanhangwagen . . . . . . . 253
Stang met kogelkop van aanhangwagen elektrisch ontgrendelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 248
Start-Stop-functie rijden met aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . 246
Starthulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 52 Beschrijving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53
pluspool . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53
Startkabel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53
zie "Starthulpsystemen" . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
Startkabels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 52
Startknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 191
Sticker met wagengegevens . . . . . . . . . . . . . . . . 311
Stickers en plaatjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 275 Stoel
aantal p laatsen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 59
achterbank neerklappen . . . . . . . . . . . . . . . . . 158
elektrische voorstoel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
stoelen achterin . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 146
stoel met geheugenfunctie . . . . . . . . . . . . . . . 151
verkeerde houding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 59
verwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 149
Stoelen Rugleuning van de bijrijdersstoel naar vorenklappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153
Toegangshulp voor de derde zitrij . . . . . . . . . . 152
verstelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 145
Stoelen verstellen voorstoelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 145
Stoelfuncties toegangshulp voor de derde zitrij . . . . . . . . . . 152
Stopcontact . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 177 12 volt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 178
aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 250
storingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 179
Storing achteruitrijcamera . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 228
airconditioning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182
automatische versnellingsbak . . . . . . . . . . . . 204
dodehoekhulp (BSD) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 233
dynamische onderstelregeling (DCC) . . . . . . . 243
inparkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 222
katalysator . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 209
panoramadak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 131
parkeerhulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 219
roetfilter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 209
ruiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 130
Storing in de werking rijstrookassistent . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 231
Storing in werking wegrijblokkering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 190 Storingsgeheugen
lezen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 261
steker . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 261
stroomverbruikers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 188
Stroomverbruikers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 178
Stroomverbruikers uitschakelen . . . . . . . . . . . . . 299
Stuur verstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
Stuurinrichting controle- en waarschuwingslampjes . . . . . . . . 188
tegensturingssysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 189
Stuurkolom neiging naar één kant te trekken . . . . . . . . . . 306
stuurkolom vergrendelen . . . . . . . . . . . . . . . . . 189
Stuurwiel Afstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58
Symbolen zie controle- en waarschuwingslampjes . . . . . . 32
zie Controle- en waarschuwingslampjes . . . . . 108
Symbool van Engelse sleutel . . . . . . . . . . . . . . . . 107
Systeem automatische rijlichtregeling . . . . . . . . . . . . . . 134
Systeem Top Tether . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
T Tank bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 278
Tankdop openen en sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
Tanken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 276 brandstofmeter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 278
controle- en waarschuwingslampjes . . . . . . . . 278
de tankdop openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 278
vergissingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 277
Tankklep openen en sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
331