
136
Resetten
Elke keer nadat u een of meer banden op
spanning hebt gebracht en na het verwisselen
van een of meer wielen, moet u het systeem
resetten.Controleer voordat u het systeem gaat
resetten of de spanning van de vier banden
overeenkomstig de gebruiksomstandigheden
van de auto en de voorschriften op de
sticker met de bandenspanningen is.
Het bandenspanningscontrolesysteem
is alleen betrouwbaar als de vier banden
tijdens het resetten de juiste spanning
hebben.
Het bandenspanningscontrolesysteem geeft
geen meldingen als de bandenspanning bij
het resetten onjuist is.
Zonder touchscreen
F Druk met aangezet contact en stilstaande auto gedurende ongeveer drie seconden
op deze knop en laat de knop ver volgens
los; het resetten wordt bevestigd door een
geluidssignaal.
Met Touchscreen
Sneeuwkettingen
Het systeem hoeft niet gereset te worden
na het aanbrengen of verwijderen van
sneeuwkettingen.
Storingen
Als het verklikkerlampje te lage bandenspanning
gaat knipperen en vervolgens blijft branden in
combinatie met het lampje Ser vice, wijst dit op
een storing in het systeem.
In dat geval werkt de bandenspanningscontrole
mogelijk niet goed.
Laat uw auto controleren door het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Na het uitvoeren van werkzaamheden
aan het systeem moet de spanning van de
vier banden worden gecontroleerd en het
systeem worden gereset.
Het resetten van het systeem moet gebeuren bij
aangezet contact en stilstaande auto.
De follow me home-verlichting kan
geconfigureerd worden in het menu
Rijverlichting / Auto .
De nieuwe opgeslagen
bandenspanningsparameters worden
door het systeem als referentiewaarden
beschouwd.
Rijden

161
F Controleer of de schakelaar van de compressor in de stand " O" staat.
F
R
ol de elektrische kabel, die onder de
compressor is opgeborgen, volledig uit.
F
S
chakel de compressor in door de
schakelaar in de stand " I" te zetten en breng
de band op de spanning die is aangegeven
op de bandenspanningssticker van de
auto. Om de bandenspanning te verlagen:
druk op de zwarte toets op de slang van
de compressor, bij de aansluiting op het
ventiel.
F
Z
et, zodra de gewenste spanning is bereikt,
de schakelaar in de stand " O".
F
V
er wijder de set en berg deze op.
F
S
luit de stekker van de compressor aan op
de 12
V-aansluiting in de auto.
F
S
chakel het contact in. Als de spanning van één of meer
banden is aangepast, moet het
bandenspanningscontrolesysteem worden
gereset.
Raadpleeg de desbetreffende
rubriek voor meer informatie over het
bandenspanningscontrolesysteem
.
Op deze sticker staat de bandenspanning
aangegeven.
8
Storingen verhelpen

181
SlepenWeer aansluiten van de plusklem (+)
F Trek de hendel A zo ver mogelijk omhoog.
F P laats de geopende accupoolklem B op de
pluspool (+) .
F
D
ruk op de accupoolklem B tot hij stuit.
F
B
eweeg de hendel A omlaag om de
accupoolklem B vast te zetten.
Forceer de hendel niet door erop te
duwen, aangezien de accupoolklem niet
kan worden vergrendeld als deze niet
correct is geplaatst; herhaal de procedure.
Na aansluiten van de accukabels
Schakel het contact in nadat de accu weer
is aangesloten en wacht minimaal één
minuut alvorens de motor te starten: de
elektronische systemen van de auto worden
in die tijd gereset. Mochten er zich na deze
handeling kleine storingen blijven voordoen,
raadpleeg dan een PEUGEOT-dealer of een
gekwalificeerde werkplaats.
Bepaalde elektronische systemen dient
u zelf opnieuw te initialiseren (afhankelijk
van modelversie). Raadpleeg daartoe de
desbetreffende rubriek:
-
sl
eutel met afstandsbediening,
-
...Tijdens de rit die volgt op het de eerste
keer starten van de motor, werkt het Stop
& Start-systeem mogelijk niet.
In dat geval werkt het systeem pas
weer als de auto gedurende een
bepaalde periode, die afhankelijk is
van de omgevingstemperatuur en de
laadtoestand van de accu (maximaal 8
uur), niet is gebruikt. U kunt de auto laten slepen door een andere
auto of een andere auto slepen met behulp van
het sleepoog.
8
Storingen verhelpen

42
Instellingen
VR A AGANTWOORDOPLOSSING
Na het instellen van de bassen en hoge tonen
wordt de instelling van de equalizer opgeheven.
Als u de instelling van de equalizer wijzigt,
worden de instellingen van de bassen en de
hoge tonen gereset. De instelling van de equalizer is gekoppeld aan
de bassen en hoge tonen.
Wijzig de instelling van de bassen en de
hoge tonen of de equalizer om de gewenste
geluidskwaliteit te verkrijgen.
Bij het veranderen van de balans wordt de
geluidsverdeling uitgeschakeld.
Bij het veranderen van de geluidsverdeling
worden de instellingen van de balans
uitgeschakeld. De geluidsverdeling is gekoppeld aan de
balans.
Stel de balans in of kies een geluidsverdeling
naar eigen wens.
Er is een verschil in geluidskwaliteit tussen de
verschillende geluidsbronnen. Voor een optimale geluidskwaliteit kunnen
de audio-instellingen worden aangepast aan
verschillende geluidsbronnen, die hoorbare
verschillen kunnen genereren bij het veranderen
van de bron.Controleer of de audio-instellingen zijn
afgestemd op de geluidsbron die u gebruikt.
Het is raadzaam de audiofuncties (
Bass,
Tr e b l e , Balans ) in de middelste stand te zetten,
de geluidssfeer "Geen" te selecteren en de
functie Loudness in de stand "Actief " te zetten
bij gebruik van de CD-speler en in de stand
"Inactief " bij gebruik van de radio.
Na uitzetten van de motor schakelt het systeem
na enkele minuten automatisch uit. Als de motor is afgezet, blijft het audiosysteem
nog werken zolang de laadtoestand van de accu
dat toestaat.
In de normale uitgeschakelde stand, gaat het
systeem na een bepaalde tijd automatisch over
op de eco-mode om de laadtoestand van de
accu op peil te houden.Schakel het contact in om de laadstroom van de
accu te verhogen.
Ik kan de datum en tijd niet instellen. De datum en tijd kunnen alleen worden
ingesteld als u de synchronisatie met de
satellieten deactiveert.Menu instellingen / Opties / Datum en tijd
instellen. Selecteer het tabblad "Tijd" en
deactiveer de "GPS-synchronisatie" (UTC).
PEUGEOT Connect Nav

25
Instellingen
VR A AGANTWOORDOPLOSSING
Na het instellen van de bassen en hoge tonen
wordt de instelling van de equalizer opgeheven.
Na het wijzigen van de instellingen voor de
equalizer wordt de instelling van de bassen en
hoge tonen gereset. De instelling van de equalizer is gekoppeld aan
de bassen en hoge tonen.
Wijzig de instelling van de bassen en de
hoge tonen of de equalizer om de gewenste
geluidskwaliteit te verkrijgen.
Bij het veranderen van de balans wordt de
geluidsverdeling uitgeschakeld.
Bij het veranderen van de geluidsverdeling
worden de instellingen van de balans
uitgeschakeld. De geluidsverdeling is gekoppeld aan de
balans.
Stel de balans in of kies een geluidsverdeling
naar eigen wens.
Er is een verschil in geluidskwaliteit tussen de
verschillende geluidsbronnen. Voor een optimale geluidskwaliteit kunnen
de audio-instellingen worden aangepast aan
verschillende geluidsbronnen die hoorbare
verschillen kunnen genereren bij het veranderen
van de bron.Controleer of de audio-instellingen zijn
afgestemd op de geluidsbron die u gebruikt. Zet
de audiofuncties in de middelste stand.
Na uitzetten van de motor schakelt het systeem
na enkele minuten automatisch uit. Als de motor is afgezet, blijft het audiosysteem
nog werken zolang de laadtoestand van de accu
dat toestaat.
In de normale uitgeschakelde stand, gaat het
systeem na een bepaalde tijd automatisch over
op de eco-mode om de laadtoestand van de
accu op peil te houden.Schakel het contact in om de laadstroom van de
accu te verhogen.
.
PEUGEOT Connect Radio

197
Mistlampen vóór.......22, 67- 6 8 , 71-72, 170, 172
Monteren allesdragers ~ Allesdragers monteren
........................14 4 -145
Motoren
................................. 18 4 -185, 188, 19 0
Motorkap
................................................145 -14 6
Motorkapsteun
....................................... 145 -14 6
Motorolie
................................................ 148 -149
Motorolieniveaumeter
..................................... 26
M P3 (CD)
..............................
........................5 -7
NNiveau brandstofadditief diesel
~ Brandstofaddititiefniveau .........................15 0
Niveau koelvloeistof ~ Koelvloeistofniveau
.............................. 23,
149
Niveau remvloeistof ~ Remvloeistofniveau .......149Niveau ruitensproeiervloeistof
~ Ruitensproeiervloeistofniveau ................15 0
Niveaus controleren
...............................14 8 -15 0
Niveaus en controles
.............................147-15 0
Noodbediening achterklep
..............................41
Noodoproep ~ Urgence-oproep
...............76 -77
Noodprocedure starten
.................................178
Noodremassistentie ~ Brake Assist System (BAS)
....................................78
Nulstelling onderhoudsindicator ~
Onderhoudsintervalindicator resetten
.........26
OOliefilter ......................................................... 151
Oliefilter (vervangen) .................................... 151
Olieniveau
....................................... 26,
148 -149
Oliepeilstok
..................................... 26, 148 -149
Olieverbruik
............................................ 148 -149
Onder de motorkap ~ Motorruimte
...............147
Onderhoudscontroles
.............................24, 104
Onderhoudsindicator ~
Onderhoudsintervalindicator ........................ 24
O
ntdooien ....................................... 56-57, 60 - 61
Ontgrendelen
.................................................. 36
O
ntgrendelen bagageruimte ~
Bagageruimte ontgrendelen
...................4 0 - 41
Ontgrendelen van binnenuit ~ Interieur ontgrendelen
.................................. 40
O
ntluchten brandstofsysteem
~ Brandstofsysteem ontluchten
..................15
7
Ontwasemen
....................................... 56-57, 60
Opbergvakken
........................................... 52, 63
Opbergvakken portieren
................................. 63
O
penen bagageruimte ~
Bagageruimte openen
............................4 0 - 41
Openen brandstofvulklep ~ Brandstoftanklep openen
...........................13 8
Openen motorkap ~ Motorkap, openen .....14 5 -14 6Openen portieren ~ Portieren openen ...........36
O penen zonnescherm
panoramadak ~
Zonnescherm panoramadak openen
........... 63
O
pschakelindicator
....................................... 11 6
Overzicht zekeringen ~ Zekeringentabel
................... 17
2, 174 , 176 -17 7
PPanoramadak .................................................. 63
Park Assist ............................... .....................131
Parkeerlichten
.................67, 70 , 70 -71 , 167-171
PEUGEOT Connect Nav
...................................1
PEUGEOT Connect Radio
...............................1
P
lafonnier
.................................................. 61- 62
Portieren sluiten
.............................................. 37
Profielen
.................................................... 34, 18
Pyrotechnische gordelspanners
.....................83
RRadio .................................. 23 -24, 27, 7, 11 , 3, 3
Radiozender .................................. 2
3-25, 7, 3 , 3
RDS
................
....................................... 24-25, 7
Regeling luchtopbrengst ~ Aanjager, regeling
.................................. 57- 6 0
Regeling luchtverdeling ~ Luchtverdeling ......57- 6 0Regelmatige controles ~ Controles ......11 0, 15 0 -152Regelmatig onderhoud ................................. 10 4
Regeneratie roetfilter .................................... 1
51
Remblokken
................................... 11 0, 151-152
Remlichten
...............................
..............170 -171
Remmen
.................................... 11, 11 0 , 151-152
Remschijven ................................... 11 0, 151-152
Reservewiel
................................... 162-163, 193
Reservoir ruitensproeiers ~ Ruitensproeierreservoir
..............................15 0
Resetten bandenspanningscontrolesysteem ......13 6Richtingaanwijzers .......................................... 22Richtingaanwijzers ..........................
22 , 68-69 , 68 -70, 68 -70, 167-168 , 168, 170, 170 -171
Rijadviezen .............................. ..............105 -107
Rijden ........................................................ 45-46
Roetfilter
...............................
..................15 0 -151
Ruitbediening
...............................
.............43-44
Ruitensproeier achter
..................................... 74
Ruitensproeiers
............................................... 74
Ruitenwisser achter
........................................ 74
Ruitenwisserbladen (vervangen)
..................14 4
Ruitenwisserbladen vervangen
.................... 14
4
Ruitenwissers
...................................... 22, 72-73
Ruitenwisserschakelaar
............................. 7
2 -74
SSchakelaar ............................................ 108 -109
Schakelaars stoelverwarming ~ Stoelverwarming, schakelaars
..................51
SCR (Selective Catalytic Reduction)
............152
SCR-systeem
...............................
.................152
Selectiehendel elektronisch gestuurde versnellingsbak
......................... 1
51
.
Trefwoordenregister