2-70
Veiligheidssysteem van uw auto
Aanvullende
voorzorgsmaatregelen metbetrekking tot de veiligheid
De inzittenden moeten tijdens het
rijden niet uit hun stoel komen of
van plaats wisselen.Een inzittende
die zijn veiligheidsgordel niet draagt,
kan tijdens een aanrijding of een
noodstop door de auto wordengeslingerd, tegen andere inzittenden
aan worden geslingerd of zelfs uit de
auto worden geslingerd.
Bevestig geen accessoires aan de
veiligheidsgordels. Accessoires die
claimen het comfort voor de
inzittenden te verbeteren of die degordel anders geleiden, kunnen de
beschermende werking van de
veiligheidsgordel in negatieve zin
beïnvloeden en de kans op ernstig
letsel bij een aanrijding vergroten.
Modificeer de voorstoelen niet.
Modificatie van de voorstoelen kan
de werking van de sensoren van het
aanvullend veiligheidssysteem of
van de zijairbags in negatieve zin
beïnvloeden. Plaats niets onder de voorstoelen.
Het plaatsen van voorwerpen onder
de voorstoelen kan de werking van
de sensoren van het aanvullend
veiligheidssysteem of van de
bedrading in negatieve zin
beïnvloeden.
Voorkom dat portieren hard
worden geraakt.
Voorkom dat de
portieren hard worden geraakt als de
startknop in stand ON staat: dit kan
tot gevolg hebben dat de airbags
worden geactiveerd.
(Vervolg)
Reinig de afdekkappen van de
airbags met een zachte doek
die vochtig is gemaakt met
schoon water. Oplos- en
reinigingsmiddelen kunnen
het materiaal van deafdekkappen aantasten en de
werking van het systeem in
negatieve zin beïnvloeden.
Laat geactiveerde airbags
vervangen door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Als onderdelen van het
airbagsysteem moeten worden
afgevoerd of als de auto in zijn
geheel moet worden
afgevoerd, moeten bepaalde
voorzorgsmaatregelen metbetrekking tot de veiligheid in
acht worden genomen. Neem
voor de benodigde informatiecontact op met een officiële
HYUNDAI-dealer. Het niet
opvolgen van deze
voorzorgsmaatregelen
vergroot de kans op letsel.
2-71
Veiligheidssysteem van uw auto
2
Monteren van accessoires ofmodificaties aan uw met airbags
uitgeruste auto
Als u modificaties aan het chassis,
de bumper, de voorzijde, het
plaatwerk opzij of de rijhoogteaanbrengt of laat aanbrengen, kan
dat invloed hebben op de werking
van het airbagsysteem van uw auto.
Waarschuwingslabels airbags
De waarschuwingslabels van de airbags zijn bedoeld om de
passagiers te waarschuwen voor de
mogelijke gevaren van hetairbagsysteem.
Lees alle informatie over de airbags
van uw auto in dit instructieboekje.
OAD035053
3-14
Kenmerken van de
automatische
portiervergrendeling/-ontgrendeling
Portierontgrendelsysteem(indien van toepassing)
Wanneer bij een aanrijding de
airbags worden geactiveerd, worden
alle portieren automatisch
ontgrendeld.
Snelheidsafhankelijk
portiervergrendelsysteem(indien van toepassing)
Alle portieren worden automatisch
vergrendeld bij een rijsnelheid vanmeer dan 15 km/h.
U kunt de automatische vergrendel-
/ontgrendelfunctie van de portieren
activeren of deactiveren met de
modus Gebruikersinstellingen op het
LCD-display. Zie "LCD-display" in
dit hoofdstuk voor meer
informatie.
Kindersloten achterportieren
Het kinderslot zorgt ervoor dat
kinderen die achterin zitten de
achterportieren niet per ongeluk
kunnen openen. Schakel het
kinderslot altijd in als u gaat rijdenmet kinderen.
Het kinderslot bevindt zich aan de
rand van elk achterportier. Als het
kinderslot in de stand vergrendeld
staat, gaat het achterportier niet
open als aan de binnenportiergreep
(2) wordt getrokken. Steek een sleutel (of een
schroevendraaier) (1) in de opening
en draai het kinderslot in de stand
vergrendeld om het slot te
vergrendelen.
Ontgrendel het kinderslot om ervoor
te zorgen dat een achterportier van
binnenuit kan worden geopend.
Handige voorzieningen in uw auto
Als kinderen tijdens het rijden
per ongeluk de achterportieren
openen, kunnen ze uit de auto
vallen. Schakel het kinderslot
van de achterportieren altijd inals er kinderen in de autoaanwezig zijn.
WAARSCHUWING
OAEE046002
3-22
Handige voorzieningen in uw autoS
S PP IIEE GG EELLSS
Binnenspiegel
Stel voor het rijden de binnenspiegel
zo af dat u in het midden van de
spiegel het midden van de achterruitziet.
Gebruik voor het reinigen van de
spiegel een papieren doekje of
vergelijkbaar materiaal dat vochtig
is gemaakt met glasreiniger. Spuit
niet direct glasreiniger op de
spiegel, anders kan er glasreiniger
in het spiegelhuis komen.
Binnenspiegel met dag-/nachtstand
(indien van toepassing)
Stel de spiegel af voordat u wegrijdt
en terwijl deze in de dagstand staat.
Trek de hendel onder aan de spiegel naar u toe om de spiegel in de
nachtstand te zetten om verblinding
door de koplampen van
achteropkomend verkeer te
voorkomen.
Houd er rekening mee dat het beeldin de spiegel in de nachtstandminder duidelijk is dan in dedagstand.
AANWIJZING Zorg ervoor dat uw zicht niet
wordt gehinderd. Plaats geen
voorwerpen op de
achterstoelen, in de
bagageruimte of achter de
hoofdsteunen van de
achterstoelen die het zicht door
de achterruit zouden kunnenbelemmeren.
WAARSCHUWING
Wijzig de binnenspiegel niet en
monteer geen grotere spiegel,om ernstig letsel bij een
ongeval of het activeren van de
airbag te voorkomen.
WAARSCHUWING
Verstel de spiegel NOOIT
tijdens het rijden. Hierdoor kunt
u de controle over de auto
verliezen, waardoor er een
ongeval kan ontstaan.
WAARSCHUWING
OAE046010
Dagstand
Nachstand
3-50
Handige voorzieningen in uw auto
WaarschuwingslampjeAIRBAG
Dit waarschuwingslampje gaat
branden:
Als de startknop in stand ON staat.
- Het lampje blijft ongeveer 6seconden branden en gaat dan uit.
In het geval van een storing in het aanvullend veiligheidssysteem.
In dat geval adviseren we u de auto te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Waarschuwingslampje
veiligheidsgordel
Dit waarschuwingslampje attendeertde bestuurder erop dat de
veiligheidsgordel niet is
vastgemaakt.
Zie voor meer informatie
"Veiligheidsgordels" in hoofdstuk2.
Waarschuwingslampjeparkeerrem en
remvloeistofniveau
Waarschuwingslampje parkeerrem
en remvloeistofniveau :
Als de startknop in stand ON staat.
- Het lampje blijft ongeveer 3seconden branden.
- Het lampje blijft branden als de parkeerrem is geactiveerd.
Als de parkeerrem wordt geactiveerd.
Als het remvloeistofniveau te laag is.
- Als het waarschuwingslampjeblijft branden terwijl de
parkeerrem niet geactiveerd is,kan dit duiden op een te laag
remvloeistofniveau in het
reservoir.
Als het regeneratieve remsysteem niet werkt.
Als het remvloeistofniveau in het
reservoir te laag is :
1.Rijd voorzichtig naar de kant vande weg en breng de auto op een
veilige plaats tot stilstand.
2.Zet het contact uit en controleer het remvloeistofpeil direct. Vulindien nodig remvloeistof bij (zie
voor meer informatie"Remvloeistof" in hoofdstuk 7).
Controleer na het bijvullen van
remvloeistof alle onderdelen van
het remsysteem op lekkage. Rijdniet met de auto als er een lekkage
is gevonden, als het
waarschuwingslampje blijft
branden of als de remmen niet
goed werken. We adviseren u de
auto te laten nakijken door een
officiële HYUNDAI-dealer.(rood)
3-142
Handige voorzieningen in uw auto
Bevestigingspunt(en) vloermat
(indien van toepassing)
Gebruik ALTIJD de
bevestigingspunten om de
vloermatten voorin in de auto te
bevestigen. De bevestigingspunten
op de vloerbekleding voorin
voorkomen dat de vloermatten naar
voren schuiven.Neem het volgende in achtwanneer u vloermatten in deauto plaatst.
Zorg ervoor dat de vloermatten goed op de
bevestigingspunten zijn
bevestigd voordat u gaatrijden.
Gebruik GEEN vloermatten
die niet goed vastgemaakt
kunnen worden aan de
bevestigingspunten voor devloermatten.
Plaats geen vloermatten
boven op elkaar (bijvoorbeeld
een weerbestendige rubberen
mat boven op een stoffen
vloermat). Op iedere plaats
mag slechts één vloermat
worden geplaatst.
(vervolg)
WAARSCHUWING
OAE046430
Hang hier geen andere
voorwerpen dan kleding aan.
Plaats ook geen zware, scherpe
of breekbare voorwerpen in de
zakken. Anders kan bij een
ongeval of bij het activeren van
de curtain airbag de auto
beschadigd raken of kan
persoonlijk letsel ontstaan.
WAARSCHUWING
7-40
Onderhoud
Zekeringkast dashboard
Naam zekeringSymboolStroomsterkte zekeringBeschermd circuit
Module 5MODULE510A
Elektrochromatische binnenspiegel, hoofdunit audio-, video- en navigatiesysteem,
IMS-module bestuurder, module stoelverwarming achter, module automatische
koplamphoogteregeling, servo koplamphoogteregeling links/rechts, VESS-unit,
module stoelventilatiesysteem voor, module stoelverwarming voor
Module 4MODULE410ARijstrook hulp-unit, stuurkussenschakelaar, AEB-unit,
Blind Spot Detection Radar links/rechts, schakelaar elektronische parkeerrem
Interieurverlichting10AVerlichting make-upspiegel links/rechts, interieurverlichting, verlichting dakconsole,
bagageruimteverlichting, draadloze-laderunit, regensensor
Airbag15AAirbagmodule
E-Shifter 110 ASBW-schakelaar, schakelaar voorconsole
Ontsteking 1IG125APCB-blok
InstrumentenpaneelCLUSTER10AInstrumentenpaneel
Ontsteking 3 2 10AIPS-module, laadschakelaar hoogspanningsbatterij, controlelampje laadsysteem,
PTC-verwarming, hoofdunit audio-, video- en navigatiesysteem,
instrumentenpaneel, module klimaatregeling
Memory 2MEMORY
27,5AActive Air Flap links/rechts
Module 8MODULE 810AActive Air Flap links/rechts, elektrische waterpomp (motor), VPD-sensor, BMS-
module, verbindingsblok motorruimte
Controlelampje
airbagIND7,5AInstrumentenpaneel
Start7,5AEPCU, Smart Key-module
I-2Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden ...............8-6
Accu (12 V) ..................................................................7-20
Accu opladen .............................................................7-22
Accucapaciteitsticker .................................................7-21
Te resetten onderdelen ...............................................7-23
Voor een optimale werking van de accu....................7-21
Achterruitverwarming .................................................3-111 Achterruitverwarming ..............................................3-111
Advanced smart cruise control-systeem .......................5-79 Afstand tot voorligger Smart Cruise Control ............5-88
Beperkingen van het systeem ....................................5-92
Instellen van de gevoeligheid van de
Smart Cruise Control .................................................5-81
Overschakelen naar de cruise control - modus..........5-82
Sensor om de afstand tot de voorligger te signaleren... 5-90
Snelheid Smart Cruise Control ..................................5-82
Afmetingen .....................................................................8-2
Airbag - aanvullend veiligheidssysteem.......................2-50 Aanvullende voorzorgsmaatregelen met
betrekking tot de veiligheid .......................................2-70
Hoe werkt het airbagsysteem? ...................................2-58
Onderhoud aanvullend veiligheidssysteem ...............2-69
Waar zitten de airbags? ..............................................2-52
Waarom werd de airbag bij een aanrijding
niet geactiveerd? ........................................................2-64
Waarschuwingslabels airbags ....................................2-71
Wat gebeurt er als een airbag geactiveerd wordt? .....2-62 Aircocompressorlabel .....................................................8-8
Airconditioningssysteem ................................................8-5
Alarmknipperlichten .......................................................6-2
Als de auto niet gestart kan worden ...............................6-3
Als de motor niet of langzaam ronddraait ...................6-3
Als uw auto een lekke band heeft ................................6-14 Met Tire Mobility Kit (TMK) ...................................6-14
Antidiefstalsysteem.......................................................3-15
Audio (Met Touchscreen) ...............................................4-9 Kenmerken van uw audiosysteem .............................4-10
Media .........................................................................4-21
Radio .........................................................................4-19
Setup (instellen) .........................................................4-50
Telefoon .....................................................................4-41
Automatisch verwarmings - en ventilatiesysteem ......3-112
Automatische verwarming en airconditioning.........3-113
Handmatig bediende verwarming
en airconditioning ....................................................3-114
Onderhoud van het systeem.....................................3-124
Werking systeem ......................................................3-122
Autonomous emergency braking (AEB) ......................5-50 AEB-radarsensor vóór ...............................................5-55
AEB-waarschuwingsmelding en systeemregeling ....5-52
Beperkingen van het systeem ....................................5-58
Storing in het systeem................................................5-56
Systeeminstelling en -activering ................................5-50
Index
A