
Airconditioning
kan uitlopen en een plas vormt onder de wa-
g en. Dit
is
normaal en geen teken van lekka-
ge! Let op
Na het starten van de motor kan het resteren-
de voc ht
dat zich in de airconditioning opge-
hoopt heeft, de voorruit bewasemen. Zet de ontwasemingsfunctie aan om de voorruit zo
snel mog
elijk
schoon te maken.Luchtroosters
Afb. 196
Luchtroosters in het dashboard. Luchtroosters
Om de
v
er w
arming, afkoeling en ventilatie in
het interieur te garanderen, mogen de lucht-
roosters ››› afb. 196 A nooit volledig geslo-
t en w
orden.
● Om de luc
htroosters te openen en sluiten,
draait u het k
artelwieltje (inzet) in de gewen-
ste richting. Als het wieltje in de stand
staat, is het luchtrooster gesloten. ●
De luchtrichtin
g oriënteren met de hendel
van het ventilatierooster.
Er zijn ook luchtroosters die niet versteld
kunnen worden; deze zijn te vinden in het in-
strumentenpaneel B , in de beenruimte en
ac ht
erin de w ag
en. VOORZICHTIG
Zet nooit voedingsmiddelen, medicijnen of
andere v oor
werpen die warmtegevoelig zijn vóór de luchtroosters. De voedingsmiddelen,
medicijnen of ander
e
voorwerpen die warmte-
gevoelig zijn kunnen beschadigd of onbruik-
baar raken als gevolg van de lucht die uit de
luchtroosters stroomt. Let op
De uit de luchtroosters komende lucht die
door het hele interieur s
troomt, verlaat de» 185
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten

Bedienen
wagen opnieuw door de ventilatiegleuven on-
der de achterruit
. D
e gleuven mogen niet wor-
den afgedekt met stof of andere objecten. Luchtcirculatie
De luchtcirculatiefunctie voorkomt dat het in-
terieur gev
u
ld wordt met buitenlucht.
Bij zeer hoge buitentemperaturen moet de
handmatige instelling van de circulatiefunc-
tie kort geselecteerd worden om het interieur
sneller af te koelen.
Uit veiligheidsoverwegingen wordt de lucht-
circulatie uitgeschakeld zodra op knop
wordt gedrukt of de luchtverdeelknop op
wordt gezet ››› .
L uc
htc
irculatie handmatig aan- en uitzetten
op de airco (handbediende elektrische air-
conditioning)
Inschakelen: druk op knop tot het betref-
fende controlelampje gaat branden.
Uitzetten: druk op knop tot geen enkel
controlelampje meer gaat branden.
Luchtcirculatie handmatig aan- en uitzetten
op de airco (Climatronic)
Inschakelen: druk op knop tot het betref-
fende controlelampje gaat branden. Uitzetten: druk op knop
tot
geen enkel
controlelampje meer gaat branden.
Werking van de automatische circulatiefunc-
tie
In de stand stroomt verse lucht in het in-
terieur van de wagen. Wanneer het systeem
een verhoogde concentratie aan schadelijke
stoffen in de buitenlucht vaststelt, wordt de
circulatiefunctie automatisch ingeschakeld.
Wanneer het verontreinigingsniveau opnieuw
een normaal peil bereikt, wordt de circulatie-
functie uitgeschakeld.
Het systeem is niet in staat om onaangena-
me geuren op te sporen.
Bij de volgende buitentemperaturen en -om-
standigheden worde luchtcirculatie niet auto-
matische ingeschakeld:
● Het koelsysteem is ingeschakeld (het con-
trolel
ampje in de toets AC gaat branden) en
de om g
ev in
gstemperatuur is lager dan +3°C
(+38°F).
● Het koelsysteem en de ruitenwisser zijn uit-
gesc
hakeld en de omgevingstemperatuur is
lager dan +10°C (+50°F).
● Het koelsysteem is uitgeschakeld en de
omgevin
gstemperatuur is lager dan +15°C
(+59°F). De ruitenwisser is uitgeschakeld. Automatische circulatiefunctie in- en uit-
schak
elen
Inschakelen: druk op knop tot het con-
trolelampje aan de rechterzijde gaat bran-
den.
Uitzetten: druk op knop tot geen enkel
controlelampje meer gaat branden.
Automatische circulatiefunctie tijdelijk uit-
schakelen
● Druk eenmaal op de toets om tijdelijk
over te s
chakelen op de handmatige circula-
tiefunctie, indien buiten onaangename geu-
ren worden waargenomen. Het controlelamp-
je aan de linkerzijde gaat branden.
● Druk na meer dan twee seconden opnieuw
op de toets om de aut
omatische circula-
tiefunctie opnieuw in te schakelen. Het con-
trolelampje aan de rechterzijde gaat bran-
den. ATTENTIE
Veiligheidsaanwijzingen ››› in Inleiding tot
thema op pag. 183 in ac
ht nemen.
● Wanneer het koelsysteem niet werkt en de
circu
latiefunctie aanstaat, kunnen de ruiten
snel aandampen en kan het zicht zo aanzien-
lijk beperkt worden.
● Schakel de circulatiefunctie uit wanneer u
deze niet nodig heeft
.186

Airconditioning
VOORZICHTIG
In wagens met airconditioning mag niet ge-
rookt w or
den wanneer de luchtcirculatiefunc-
tie is ingeschakeld. De aangezogen rook kan
neerslaan op de verdamper van het koelsys-
teem en op het actieve koolpatroon van het
stof- en pollenfilter, wat leidt tot een perma-
nente onaangename geur. Let op
Climatronic: Wanneer de automatische rui-
tenw i
ssers-/sproeiers werken, wordt bij het
achteruit schakelen de circulatiefunctie inge-
schakeld om te vermijden dat de uitlaatgas-
sen het interieur binnenkomen. Interieurvoorverwarming* (ex-
tr
a
ver
warming)
Inleiding tot thema De interieurvoorverwarming wordt gevoed
met
br
and s
tof van de wagentank en kan zo-
wel gebruikt worden tijdens het rijden als
wanneer de wagen stilstaat. Selecteer in het
instrumentenpaneel de gewenste gebruiks-
wijze (verwarmen of ventileren ) ›››
pag.
189.
In de winter kan de interieurvoorverwarming
gebruikt worden in de functie verwarmen
om de voorruit vrij te maken van ijs, damp en sneeuw (indien het gaat om een dunne laag)
alvorens
weg te rijden. ATTENTIE
De gassen van de interieurvoorverwarming
bevatten o .a. k
oolmonoxide, een giftige,
kleur- geurloze substantie. Koolmonoxide
kan tot bewusteloosheid leiden en dodelijk
zijn.
● Gebruik de interieurvoorverwarming nooit
in geslot
en of slecht geventileerde ruimtes.
● Programmeer de interieurvoorverwarming
nooit zod
anig dat deze in afgesloten of niet-
geventileerde ruimtes ingeschakeld wordt en
gaat werken. ATTENTIE
De onderdelen van het uitlaatsysteem van de
interieurv oor
verwarming worden zeer warm.
Hierdoor kan brand ontstaan.
● Parkeer de wagen zo dat geen enkel onder-
deel van het
uitlaatsysteem in contact kan
komen met brandbare materialen (zoals
droog gras). VOORZICHTIG
Zet nooit voedingsmiddelen, medicijnen of
andere v oor
werpen die warmtegevoelig zijn
vóór de luchtroosters. De voedingsmiddelen,
medicijnen of andere voorwerpen die warmte-
gevoelig zijn kunnen beschadigd of onbruik-
baar raken als gevolg van de lucht die uit de
luchtroosters stroomt. Interieurvoorverwarming in- en uit-
s
c
h ak
elen
Interieurvoorverwarming inschakelen:
Handmatig, met de toets voor on-
middellijke inschakeling.›››
pag.
183
ONHandmatig, met de afstandsbedie-
ning.››› pag.
188
Automatisch, met de geprogram-
meerde en geactiveerde tijd van in-
schakeling.››› pag.
189
Interieurvoorverwarming uitschakelen:
Handmatig, met de toets voor on-
middellijke inschakeling van de air-
conditioning.›››
pag.
183
OFFHandmatig, met de afstandsbedie-
ning.››› pag.
188
Automatisch, na afloop van de ge-
programmeerde tijd.››› pag.
189
Automatisch, wanneer het controle-
lampje gaat branden (brandstofre-
serve).››› pag.
278
Automatisch, wanneer het accupeil
een zeer laag niveau bereikt.››› pag.
298 Bijzonderheden
Na uits
c
h ak
eling blijft de interieurvoorver-
warming nog een tijdje werken om de »
187
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten

Airconditioning
Draai de gleuf naar links met een plat en niet-
s c
herp v
oorwerp (bijv. een muntstuk). De bat-
terij moet vervangen worden door een nieuw
exemplaar van hetzelfde type, die geplaatst
wordt volgens de polariteit ››› .
B er
eik
D e ont
vanger zit in het interieur van de wa-
gen. De actieradius van de afstandsbedie-
ning bedraagt enkele honderden meters met
nieuwe batterijen. Door obstakels tussen de
afstandsbediening en de wagen, slechte
weersomstandigheden en leeg rakende bat-
terijen kan het bereik (aanzienlijk) minder
worden.
Het optimale bereik wordt verkregen door de
afstandsbediening verticaal te houden, met
de antenne ››› afb. 197 A naar boven. Bedek
de ant enne d
aarbij niet
met de vingers of
handpalm.
Tussen de afstandsbediening en de wagen
moet zich een minimale afstand van 2 meter
bevinden. VOORZICHTIG
● De ra diogr
afische afstandsbediening bevat
elektronische onderdelen. Daarom moet de
afstandsbediening beschermd worden tegen
vocht, hevige schokken en direct zonlicht.
● Het gebruik van ongeschikte batterijen kan
de afstand
sbediening beschadigen. Vervang
daarom de lege batterij altijd door een nieu- we van dezelfde spanning en afmetingen, en
met dezelf
de k
enmerken. Milieu-aanwijzing
● Leg e b
atterijen moeten worden ingeleverd
met het oog op de milieubescherming.
● De batterij van de afstandsbediening kan
perchlor
aat bevatten. Leef de wettelijke bepa-
lingen voor hun verwijdering na. Interieurvoorverwarming programme-
r
en De verwarming of ventilatie van het interieur
k
an
voor een bep
aalde periode geprogram-
meerd worden.
Voor het programmeren moet in het menu
Interieurvoorverwarming - dag van
de week gecontroleerd worden dat de dag
juist ingesteld is ››› .
M enu Interieurvoorverwarming
opr
oe-
pen in het in
strumentenpaneel
● In het hoofdmenu, selecteert u het subme-
nu Interieurvoorverwarming en drukt u
op de toets OK op de ruitenwisserhendel.
● OF: druk verschillende malen op de pijltoet-
sen of
van het multifunctiestuurwiel tot
het menu
Interieurvoorverwarming v
er -
s
chijnt.
MenuoptiesBeschrijving
Inschake-
len
Uitschake-
len
Instellen of en wanneer u wenst dat de
interieurvoorverwarming automatisch
ingeschakeld wordt. Selecteer daar-
voor een timer:
– De timer verschijnt aangeduid met
een
.
– Er kan telkens maar één timer gese-
lecteerd worden. Indien een timer ge-
selecteerd werd, verschijnt op het dis-
play Programm. ON . Indien geen en-
kele timer geselecteerd werd, wordt op
het display van het instrumentenpa-
neel Programm. OFF weergegeven.
– Om de reeds geprogrammeerde ti-
mer te wijzigen, kiest u een andere ti-
mer of selecteert u de optie Uitscha-
kelen .
Timer 1
Timer 2
Timer 3
Drie verschillende timers instellen
(uu.mm), die daarna geselecteerd kun-
nen worden in de optie Inschake-
len. Indien u de interieurvoorverwar-
ming slechts één bepaalde dag van de
week wenst in te schakelen, moet u de
dag van de week en het uur van in-
schakeling selecteren.
TijdsduurDe werkingsduur kan variëren tussen
10 en 60 minuten en kan ingesteld
worden met intervallen van 5 minuten.
Werkwijze
Bij het inschakelen van de interieur-
voorverwarming instellen of het interi-
eur verwarmd of geventileerd moet
worden.
DagDe dag van de huidige week instellen.» 189
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten

BedienenMenuoptiesBeschrijving
Afstelling
in produc-
tieDe vooraf ingestelde waarden in pro-
ductie voor de functies van dit menu
worden opnieuw ingesteld.
TerugEr wordt teruggekeerd naar het hoofd-
menu. De programmering verifiëren
Indien de timer
geactiveer
d is, zal na het
uitschakelen van het contact het controle-
lampje van de toets voor onmiddellijke in-
schakeling gedurende een 10-tal secon-
den b lij
ven br
anden. ATTENTIE
Programmeer de interieurvoorverwarming
nooit z od
anig dat deze in afgesloten of niet-
geventileerde ruimtes ingeschakeld wordt en
gaat werken. De gassen van de interieurvoor-
verwarming bevatten o.a. koolmonoxide, een
giftige, kleur- geurloze substantie. Koolmo-
noxide kan tot bewusteloosheid leiden en do-
delijk zijn. Gebruiksaanwijzingen
Het uitlaatsysteem van de interieurvoorver-
w
armin
g, dat
zich onder de wagen bevindt,
mag niet geblokkeerd of verstopt zijn door
sneeuw, modder of andere voorwerpen. De
uitlaatgassen moeten ongehinderd kunnen worden afgevoerd. De uitlaatgassen die ont-
staan wanneer de int
erieurvoorverwarming
werkt, worden afgevoerd via een uitlaatpijp,
die aan de onderzijde van de wagen is aan-
gebracht.
Bij de verwarming van het interieur, wordt de
warme lucht eerst naar de voorruit geleid, af-
hankelijk van de omgevingstemperatuur, en
daarna naar de rest van het interieur via de
luchtroosters. Indien de luchtroosters bij-
voorbeeld gericht zijn naar de ruiten, kan dit
de wijze van luchtverdeling beïnvloeden.
Naargelang de buitentemperatuur, kan de
temperatuur waarmee de interieurvoorver-
warming het interieur verwarmt iets hoger
zijn indien voor het inschakelen van de ver-
warming de temperatuurregelaar van de ver-
warming of airconditioning op de maximale
stand was ingesteld.
Naargelang de motor kunnen wagens met in-
terieurvoorverwarming uitgerust zijn met een
tweede accu in de bagageruimte, die de inte-
rieurvoorverwarming van stroom voorziet.
In welke gevallen wordt de interieurvoorver-
warming niet geactiveerd?
● De interieurvoorverwarming heeft ongeveer
evenveel
stroom nodig als het dimlicht. In-
dien het accupeil zeer laag is, wordt de interi-
eurvoorverwarming automatisch uitgescha-
keld of zelfs niet geactiveerd. Op die manier worden problemen bij het starten van de mo-
tor vermeden.
●
D
e verwarming wordt telkens voor een en-
kele keer in
geschakeld. Daarnaast moet ook
de timer opnieuw geactiveerd worden telkens
men die wenst te gebruiken. Let op
● Tijdens de w erk
ing van de interieurvoorver-
warming zijn geluiden te horen.
● Bij hoge luchtvochtigheid en lage buiten-
temperatur
en, is het mogelijk dat het verwar-
mingssysteem condenswater afkomstig van
de interieurvoorverwarming verdampt. In dat
geval kan damp uit de onderzijde van de wa-
gen komen. Dit is geen storing van de wagen!
● Indien de interieurvoorverwarming ver-
schil
lende malen en gedurende langere tijd
gebruikt wordt, kan dit de accu van de wagen
ontladen. Om de accu opnieuw te laden, dient
u een lang traject af te leggen met de wagen.
Als algemene regel geldt: rijd even lang als
de tijd dat de accu gefunctioneerd heeft. 190

Bedienen
Extra verbruikers matig gebruiken
Het i
s bel
angrijk dat u comfortabel reist,
maar u moet de comfortsystemen dan wel
ecologisch gebruiken.
Dit is omdat sommige aangesloten appara-
ten een hoger brandstofverbruik veroorza-
ken; voorbeelden:
● Koelsysteem van airconditioning: als de
airconditioning een aan
zienlijk temperatuur-
verschil moet creëren, is daarvoor veel door
de motor geproduceerde energie voor nodig.
Daarom wordt aangeraden het verschil tus-
sen de temperatuur in de wagen en de bui-
tentemperatuur niet te veel laten verschillen.
Het is soms nuttig de wagen voor het rijden
te ventileren en eerste een korte afstand met
de ruiten open te rijden. Vervolgens kunt u
de airconditioning met de ruiten gesloten
aanzetten. Houd de ruiten bij hoge snelhe-
den gesloten. Bij geopende ruiten neemt het
brandstofverbruik toe.
● Schakel de stoelverwarming uit wanneer u
uw doel bereikt
heeft.
● Schakel de achterruit- en de voorruitverwar-
ming uit wanneer de ruit
en vochtvrij zijn en
er geen ijs meer op zit.
● Laat de interieurvoorverwarming niet aan-
staan als
de wagen in beweging is ›››
pag.
187. Korte ritten mijden
Als de mot
or koud is, verbruikt de motor di-
rect na het starten veel meer brandstof. U
moet kilometers maken om de motor op te la-
ten warmen en het brandstofverbruik te nor-
maliseren.
Motor en katalysator moeten hun optimale
bedrijfstemperatuur hebben bereikt om ver-
bruik en brandstofemissie doeltreffend te re-
duceren. Van doorslaggevende betekenis is
in dit verband ook de omgevingstempera-
tuur.
Vermijd daarom onnodige korte trajecten en
combineer ritten.
De wagen verbruikt in de winter meer brand-
stof dan in de zomer, zelfs onder gelijke om-
standigheden.
Tijdens het stationair draaien duurt het heel
lang voordat de motor op bedrijfstempera-
tuur is. Tijdens het warmdraaien zijn echter
de slijtage en de uitstoot van schadelijke
stoffen bijzonder hoog. Daarom na het star-
ten direct wegrijden. Hoge toerentallen ver-
mijden.
Bandenspanning aanpassen.
Als de banden de juiste bandenspanning
hebben, vermindert dat de weerstand met
het wegdek waardoor het brandstofverbruik
afneemt. Als u de bandenspanning een beet-
je (+0,2 bar (2,9 psi / 20 kPa)) verhoogt, kunt
u brandstof besparen. Als u genoegen neemt met een beetje minder
comfort, d
an kunt u de banden tot de aanbe-
volen bandenspanning voor een volledig be-
laden wagen oppompen. Dit geldt ook wan-
neer u alleen en zonder bagage rijdt.
Let er bij het kopen van nieuwe banden op
dat ze geoptimaliseerd zijn voor het rollen
met de minst mogelijke weerstand.
Onnodige ballast vermijden
Hoe lichter de wagen, des te zuiniger en eco-
logischer u zult rijden. Met een extra gewicht
van bijvoorbeeld 100 kg neemt het brand-
stofverbruik toe met maximaal 0,3 liter/100
km.
Verwijder alle voorwerpen en onnodige bal-
last uit de wagen.
Verwijder optionele uitrustingen en onnodi-
ge accessoires
Hoe aerodynamischer de wagen, des te min-
der het brandstofverbruik. Accessoires en op-
tionele uitrustingen (zoals dakdragersyste-
men of fietsenrekken) verminderen het aero-
dynamische voordeel.
Daarom wordt aangeraden deze onnodige
optionele uitrustingen en dakdragersyste-
men te verwijderen, en vooral als u met hoge
snelheden wilt rijden.
210

Verzorging en onderhoud
Afdichtrubbers onderhouden De afdichtrubbers van portieren, ruiten, enz.
blijv
en soepel
er, sluiten beter af en gaan lan-
ger mee, als deze regelmatig met een conser-
veringsmiddel voor rubber (bijv. siliconens-
pray) worden behandeld.
Verwijder voor de behandeling met een zach-
te doek stof en vuil van de afdichtrubbers.
Portierslotcilinder ontdooien Om portierslotcilinders te ontdooien advi-
seer
t
S
EAT u de originele SEAT-spray te ge-
bruiken, die voor een vette en corrosieweren-
de laag zorgt. VOORZICHTIG
Als u voor het ontdooien van de portierslotci-
linders pr oduct
en gebruikt met ontvetter, dan
kan de portierslotcilinder gaan roesten. Onderstel van wagen beschermen
De onderzijde van de wagen is tegen chemi-
s
c
he en mec h
anische invloeden beschermd.
De beschermende laag van het onderstel kan
tijdens het rijden beschadigd raken. Daarom
adviseert SEAT u om de beschermende laag
aan de onderzijde van de wagen en van het
onderstel vóór en na het koude jaargetijde regelmatig te controleren en zo nodig te laten
bijwerken. ATTENTIE
De extra bescherming voor het onderstel van
de wagen, of de antir
oestproducten kunnen
vlam vatten door het hete uitlaatsysteem of
door andere hete motordelen.
● Breng nooit een bodembeschermingslaag
of corro
siewerend middel op uitlaten, kataly-
satoren, hitteschilden of andere wagenonder-
delen die heel heet kunnen worden aan. Reiniging van de motorruimte
De motorruimte van elke wagen is een ge-
v
aarlijk
ge
bied ›››
pag. 286.
Het schoonmaken van de motorruimte mag
alleen door deskundig personeel worden uit-
gevoerd. Als het schoonmaken niet goed uit-
gevoerd wordt, kan de roestwerende be-
scherming aangetast worden en kunnen
sommige elektrische onderdelen beschadigd
raken. Daarnaast kan er via de waterkast di-
rect water in het interieur terecht komen ››› .
A l
s de mot
orruimte erg vies is, laat dan een
gespecialiseerde werkplaats de motorruimte
op een professionele manier schoonmaken.
SEAT raadt u aan de Technische Dienst te
raadplegen. Waterkast
De waterk
ast bevindt zich in de motorruimte,
tussen de voorruit en de motor, onder een af-
dekking met gaten. Via de waterkast wordt
de buitenlucht met de verwarming en de air-
conditioning naar het interieur geleid.
Regelmatig moeten bladresten en andere los-
se voorwerpen met een stofzuiger of met de
hand van het deksel van de waterkast wor-
den verwijderd. ATTENTIE
Bij werkzaamheden aan de motor of in de mo-
torruimte k u
nt u letsel of brandwonden oplo-
pen, of ongevallen of brand veroorzaken.
● Bestudeer voordat u de werkzaamheden
start
eerst wat u moet doen en welke algeme-
ne veiligheidsmaatregelen u moet nemen
››› pag. 286.
● SEAT raadt aan om daarvoor een gespeciali-
seerde werkpl
aats te raadplegen. VOORZICHTIG
Als er handmatig water in de waterkast te-
recht k
omt (bijvoorbeeld via een hogedrukrei-
niger), kan de wagen aanzienlijke schade op-
lopen. » 271
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten

Trefwoordenlijst
wagen blokkeren na activering . . . . . . . . . . . . 118
w ag
en v
erzorgen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 276
werking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72
zij-airbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
Airconditioning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182 bedieningselementen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37
bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 184
climatronic . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37, 182, 183
gebruiksaanwijzingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 184
handbediende elektrische airconditioning . . 183
indirecte ventilatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 185
knoppen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 183
luchtcirculatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 186
luchtroosters . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 185
plaatsen achterin . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 184
storingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 184
Alarmlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25
Alarmsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 123 aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 253
interieurbewaking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 124
vals alarm . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 124
wegsleepbeveiliging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 124
Alcantara . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 273
Antenne . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 262, 277
Antiblokkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
Antidiefstalbouten antidiefstal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46, 85
Antimistlampen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24
Antivries . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41, 294
Antivriesmiddel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
Armsteun . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 157
Asbak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 179
Asbelastingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 314
ASR in- en uitschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 216
zie Remhulpsystemen . . . . . . . . . . . . . . 215, 216
zie ook Aandrijfslipregeling . . . . . . . . . . . . . . . 214 Auto Hold . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 217
Automatis
che rijlichtregeling . . . . . . . . . . . . . . . 136
Automatische versnellingsbak . . . . . . . . . . . . . . 204 kick-down . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 206
noodontgrendeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35
rijadviezen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 206
storing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 206
uittrekblokkering van contactslot . . . . . . . . . . 194
Automatische wasinstallaties zie Wassen van de wagen . . . . . . . . . . . . . . . . 266
Autosleutelset . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 115
Auto wassen sensoren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 221, 224
AUX-IN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
B Bagage . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 159
Bagagenet als tas in bagageruimte . . . . . . . . . . 169
Bagageruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10, 128, 159 achterbank als laadoppervlak neerklappen . . 160
bagageruimteverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . 141
elektrisch openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 129
elektrisch sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 129
hoedenplank . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 162
net . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 169
noodontgrendeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
railsysteem met bevestigingselementen . . . . 166
rijden met geopende achterklep . . . . . . . . . . . 158
scheidingsnet . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 164
sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 129
vergroten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 160
Banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 302 aanduiding van het bandtype . . . . . . . . . . . . . 309
aanduiding voor banden met noodspannings- eigenschappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 310
bandenspanning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 306
bandenspanningsensor . . . . . . . . . . . . . . . . . . 307 behandeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 303
besch
adiging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 308
code . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 309
doorgedrongen vreemde voorwerpen . . . . . . . 308
dopjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 307
draairichtinggebonden banden . . . . . . . . . . . . 310
excentriciteit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 309
fouten in de uitlijning van de wielen . . . . . . . . 309
identificatiecode van de band (TIN) . . . . . . . . 310
looprichtinggebonden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
nieuw . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 305
opslag . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 304
oud . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 304
schade voorkomen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 303
serienummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 310
slijtagemerktekens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 308
slijtage van de banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 308
snelheidssymbool . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 311
technische gegevens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 309
velgen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 304
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 305
verwisselen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46
wielbalans . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 309
wielen onderling verwisselen . . . . . . . . . . . . . 303
winterbanden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 311
Bandenafdichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45, 87
Bandenafdichtset . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45, 87 band afdichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88
band oppompen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88
controle na 10 minuten rijden . . . . . . . . . . . . . . 89
gevallen waarin het niet mag worden gebruikt 87
meer dan een beschadigde band . . . . . . . . . . . 87
onderdelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88
Banden met noodspanningseigenschappen aanduiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 310
Bandenprofiel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 307
Bandenreparatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 87
324