
105
jumper_nl_Chap05_Securite_ed01-2015
lAne dePARTURe WARn I ng
Sy ST e M ( ld WS)
Dit systeem registreert wanneer de
bestuurder onvrijwillig een rijstrookmarkering
(doorgetrokken of onderbroken streep)
overschrijdt.
Een centraal tegen het bovenste deel van de
voorruit gemonteerde camera scant de weg.
Bij een wagensnelheid hoger dan 60
km/h
geeft het systeem een waarschuwing als de
auto de rijstrook verlaat.
Dit systeem werkt met name optimaal op
snelwegen en autowegen.
Uitschakelen
- Druk op deze knop om het systeem uit
te schakelen; het lampje van de knop
gaat branden.
De status van het systeem blijft na het
afzetten van het contact in het geheugen
opgeslagen.
Inschakelen
- Druk op deze knop om het systeem weer in te schakelen; het verklikkerlampje van
de knop gaat uit.
De twee verklikkerlampjes op het
instrumentenpaneel blijven branden tot
60
km/h.
detectie
Bij een koersafwijking wordt u gewaarschuwd
door het branden van een verklikkerlampje op
het instrumentenpaneel en een geluidssignaal:
Storing
Bij een storing gaat dit verklikkerlampje
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding ter
bevestiging op het display.
Laat het systeem controleren door het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Het LDWS is een hulpmiddel voor de
bestuurder die desondanks waakzaam
moet blijven en verantwoordelijk is. -
knipperen van het linker
verklikkerlampje bij een
afwijking naar links,
Als de richtingaanwijzer is ingeschakeld,
en ongeveer 20 seconden nadat deze
is uitgeschakeld, wordt er geen enkele
waarschuwing gegeven.
Het is mogelijk dat een waarschuwing wordt
gegeven bij het overschrijden van een pijl op de
weg of een niet-officiële markering (bijv. graffiti).
Er kunnen storingen in de detectie optreden:
-
als de rijstrookmarkeringen weggesleten zijn,
-
als er weinig contrast is tussen het
wegdek en de markeringen. -
knipperen van het rechter
verklikkerlampje bij een
afwijking naar rechts.
5
Veiligheid tijdens het rijden
VEILIGHEID

111
jumper_nl_Chap05_Securite_ed01-2015
Uitschakelen van de airbag vóór aan
passagierszijde
In de stand "OFF" werkt de airbag vóór aan
passagierszijde bij een eventuele aanrijding niet.
Als u het kinderzitje hebt verwijderd,
selecteer dan "ON" om de airbag opnieuw
in te schakelen en zo de veiligheid van uw
voorpassagiers te garanderen.Zij-airbags en window-airbags
De zij-airbags (volgens uitvoering) zijn aan
de zijde van de portieren in de rugleuningen
van de voorstoelen aangebracht.
De window-airbags zijn aangebracht in
de stijlen en in de hemelbekleding bij de
voorste zitplaatsen van de cabine.
De window-airbag wordt opgeblazen tussen
de voorpassagier en de zijruit.
De zij- en window-airbags worden
opgeblazen aan de zijde waar de aanrijding
plaatsvindt.
Schakel voor de veiligheid van uw kind
de airbag vóór aan passagierszijde
altijd uit als u een kinderzitje met de rug
in de rijrichting op de voorstoel of de
passagiersbank vóór plaatst. Anders kan
een kind bij het opblazen van de airbag
levensgevaarlijk gewond raken.
Als de airbag vóór aan passagierszijde van
uw auto niet kan worden uitgeschakeld:
plaats beslist geen kinderzitje met de rug in
de rijrichting voorin. Controle uitschakeling
Als de airbag is uitgeschakeld, gaat
elke keer dat de motor wordt gestart dit
verklikkerlampje branden in combinatie
met een melding op het display.
Storing
Neem als dit verklikkerlampje
gaat branden contact op met
het CITROËN-netwerk om het
systeem te laten controleren.
Zie de rubriek "Technologie aan boord -
Configuratie van de auto".
Deze functie kan met de toets MO
de
worden geconfigureerd; selecteer "OFF" in
het menu "Airbag passagierszijde".
Airbags
5
VEILIGHEID

133
jumper_nl_Chap07_Verifications_ed01-2015
Storing
Als deze waarschuwing aanwezig blijft,
negeer deze dan niet. De waarschuwing
duidt op een storing in het uitlaatsysteem/
roetfilter.
Laat het systeem controleren door
het CITROËN-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Bij het gevaar van verstopping van
het roetfilter gaat dit lampje branden
in combinatie met een melding op het
display van het instrumentenpaneel.
Verzadiging/regeneratie Vanwege de hoge uitlaattemperatuur
als gevolg van de normale werking van
het roetfilter is het raadzaam de auto uit de
buurt van brandbaar materiaal (gras, dorre
bladeren, dennenaalden, ...) te parkeren om
brandgevaar te voorkomen.
Roetfilter (dieselmotor)
Als aanvulling op de katalysator levert dit
filter een actieve bijdrage aan het verbeteren
van de luchtkwaliteit door het tegenhouden
van onverbrande vuildeeltjes. Ook wordt
zwarte uitlaatrook voorkomen.
Werking
Dit filter, dat is opgenomen in het
uitlaatsysteem, slaat roetdeeltjes op.
De motormanagementcomputer regelt
automatisch en periodiek de verbranding
van de opgeslagen roetdeeltjes
(regeneratie).
De regeneratie vindt plaats als aan
bepaalde voorwaarden met betrekking tot
het aantal opgeslagen roetdeeltjes en de
gebruiksomstandigheden van de auto wordt
voldaan. Als er een regeneratie plaatsvindt,
kunt u dit merken aan enkele verschijnselen
(een hoger stationair toerental, inschakelen
van de koelventilator, meer rook uit de
uitlaat en hogere temperatuur van de uitlaat)
die geen gevolgen hebben voor de werking
van de auto en het milieu. Nadat u langdurig met lage snelheden
hebt gereden of nadat de motor
langdurig stationair heeft gedraaid, kan het
in uitzonderlijke gevallen voorkomen dat
waterdamp bij de uitlaat zichtbaar is bij het
gas geven. Dit is niet van invloed op de
werking van de auto of het milieu. Om het filter te regenereren wordt
aangeraden zo spoedig mogelijk, als de
verkeerssituatie en -regels dit toelaten,
gedurende ongeveer 15
minuten met
een snelheid van meer dan 60
km/h en
een toerental hoger dan 2000
t/min te
gaan rijden (tot het lampje uitgaat en de
waarschuwing verdwijnt).
Zet de motor niet af voordat de regeneratie
voltooid is: als de regeneratie vaak wordt
onderbroken, kan de motorolie voortijdig
vervuild raken. Het wordt afgeraden om het
regeneratieproces te voltooien terwijl de
auto stilstaat.
Deze waarschuwing wijst op een
beginnende verzadiging van het roetfilter
(veelvuldige stadsritten: lage snelheden,
verkeersopstoppingen…).
Niveaus en controles
7
ONDERHOUD

144
jumper_nl_Chap08_Aide-Rapide_ed01-2015
Deze sticker hoort bij het
Stop & Start-systeem en geeft aan dat
er een speciale 12V-loodaccu is gebruikt die
alleen losgekoppeld en/of vervangen mag
worden door een dealer van het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Na het monteren van de accu door
het CITROËN-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats duurt het even
voordat het Stop & Start-systeem weer zal
werken, hoe lang dit duurt is afhankelijk
van klimatologische omstandigheden en de
laadtoestand van de accu (kan tot ongeveer
8
uur duren).
Het is raadzaam de minpool (-) van de
accu los te koppelen als uw auto langer
dan een maand buiten gebruik is.
De beschrijving van de laadprocedure van
de accu dient slechts ter informatie.
Nadat de accu langdurig losgekoppeld is
geweest, moeten de volgende functies
geïnitialiseerd worden:
-
instellingen van het display (datum, tijd,
taal, afstandseenheid en temperatuur),
-
voorkeuzezenders autoradio,
-
centrale vergrendeling.
Raadpleeg, als bepaalde instellingen van de
auto zijn gewist, het CITROËN-netwerk om
deze opnieuw in te stellen.
Als uw auto van een tachograaf of een alarm
is voorzien en de auto meer dan 5
dagen
niet gebruikt wordt, is het raadzaam de
minpool (-) van de accu (aan de linkerzijde
onder de vloer, in de cabine) los te
koppelen.
Lege accu

Cockpit
1
2
VOORDAT U GAAT RIJDEN
1.
Snelheidsmeter (km/h of mph).
2.
Display.
3.
Brandstofniveaumeter.
4.
Koelvloeistoftemperatuurmeter.
5.
Toerenteller (t/min x 1000).
INSTRUMENTENPANELEN
Display niveau 1
In het onderste gedeelte:
- Tijd,
- Buitentemperatuur,
- Afgelegde afstand in kilometers/mijlen,
- Boordcomputer (actieradius,
brandstofverbruik enz.),
- Stand van de hoogteverstelling van de
koplampen,
- Programmeerbare waarschuwing te
hoge snelheid,
- Snelheidsregelaar of snelheidsbegrenzer,
- Opschakelindicator,
- Stop & Start-systeem.
In het bovenste gedeelte:
- Datum,
- Onderhoudsindicator,
- Waarschuwingsmeldingen,
- Meldingen over de status van functies,
- Configuratie van de auto.
Instrumentenpaneel / Display niveau 1

Cockpit
2
Display niveau 2
In het linkergedeelte:
- Tijd,
- Buitentemperatuur,
- Waarschuwings- of statuspictogrammen,
- Snelheidsregelaar of -begrenzer.
In het rechtergedeelte:
- Datum,
- Onderhoudsindicator,
- Boordcomputer (actieradius,
brandstofverbruik, enz.),
- Waarschuwingsmeldingen,
- Meldingen over de status van functies,
- Configuratie van de auto,
- Stand van de hoogteverstelling van de
koplampen,
- Afgelegde afstand in km/mijl.
Instrumentenpaneel / Display niveau 2

Configuratie van de auto
6
PERSOONLIJKE INSTELLINGEN - CONFIGURATIE
Via het bedieningspaneel MODE
Via dit bedieningspaneel naast het stuurwiel
hebt u toegang tot de menu's waarin u de
persoonlijke instellingen van de uitrusting
van de auto kunt wijzigen.
De desbetreffende informatie wordt
weergegeven op het display van het
instrumentenpaneel.
U kunt kiezen uit 11 talen: Braziliaans-Portugees,
Duits, Engels, Frans, Italiaans, Nederlands,
Pools, Portugees, Russisch, Spaans, Turks.
Als uw auto is uitgerust met het
audiosysteem, hebt u toegang tot alle menu's.
Als uw auto is uitgerust met het audio-/
telematicasysteem met touchscreen, zijn
bepaalde menu's uitsluitend te openen via
het bedieningspaneel van de autoradio.
- omlaag te scrollen in een menu,
- een waarde te verlagen.
Druk op de toets MODE om:
- menu's en submenu's weer te
geven,
- een geselecteerde optie in een
menu te bevestigen,
- menu's te verlaten.
Houd de toets ingedrukt om terug te
keren naar het beginscherm.
Druk op deze toets om:
Druk op deze toets om:
- omhoog te scrollen in een menu,
- een waarde te verhogen.
Om veiligheidsredenen kunnen
sommige menu's uitsluitend worden
weergegeven bij afgezet contact.

Cockpit
1
2
VOORDAT U GAAT RIJDEN
1.
Snelheidsmeter (km/h of mph).
2.
Display.
3.
Brandstofniveaumeter.
4.
Koelvloeistoftemperatuurmeter.
5.
Toerenteller (t/min x 1000).
INSTRUMENTENPANELEN
Display niveau 1
In het onderste gedeelte:
- Tijd,
- Buitentemperatuur,
- Afgelegde afstand in kilometers/mijlen,
- Boordcomputer (actieradius,
brandstofverbruik enz.),
- Stand van de hoogteverstelling van de
koplampen,
- Programmeerbare waarschuwing te
hoge snelheid,
- Snelheidsregelaar of snelheidsbegrenzer,
- Opschakelindicator,
- Stop & Start-systeem.
In het bovenste gedeelte:
- Datum,
- Onderhoudsindicator,
- Waarschuwingsmeldingen,
- Meldingen over de status van functies,
- Configuratie van de auto.
Instrumentenpaneel / Display niveau 1